Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/8.13
8.13 Geen vaste volgorde waarin aan de voorwaarden voor de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid moet worden voldaan
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250374:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hiervoor is vereist dat de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij is verbroken (sub a). Daarnaast moet een mededeling van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen twee maanden ter inzage hebben gelegen bij het handelsregister (sub b). Voorts dienen er twee maanden te zijn verlopen na de aankondiging in een landelijk verspreid dagblad dat en waar deze mededeling ter inzage ligt (sub c). Tot slot mag tegen het voornemen tot beëindiging geen verzet zijn ingesteld door de crediteur, dan wel moet diens verzet zijn ingetrokken of door de rechter ongegrond zijn verklaard (sub d).
Beckman 1995a, p. 344-345 en 613-614, Beckman 1996, p. 257, Beckman 2011, p. 257, Schepel 2016, p. 67, Beckman – SDU Commentaar Ondernemingsrecht 2019, art. 2:404 BW, aant. C.2 en E.C.A. Nass 2019, p. 152-153. Vgl. Beckman & Van Wijngaarden – SDU Commentaar Ondernemingsrecht 2011, art. 2:404 BW, aant. C.2, waar zij opmerken dat er geen overwegende bezwaren zijn tegen het in gang zetten van de procedure om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen, voordat de groepsband definitief is verbroken. De wettekst biedt volgens hen deze mogelijkheid echter niet.
Zie Beckman 1995a, p. 345, waar hij opmerkt dat de moedermaatschappij in een dergelijk geval op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk gehouden kan worden.
Beckman 1995a, p. 613-614.
Kamerstukken II 1969/70, 10751, 3, p. 13 (MvT), Kamerstukken II 1979/80, 16326, 3, p. 42 (MvT) en Kamerstukken II 1987/88, 19813, 5, p. 4 (MvA). Zie ook Honée 1981, p. 52, L. Timmerman 1988a, p. 54-55, Van Achterberg 1989, p. 82, Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/816, Krol 2015, p. 144, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/261, Van Limpt, Pronk & Visser 2019, p. 813, E.C.A. Nass 2019, p. 41 en Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2020, p. 33. Zie § 2.3.2, voor een uitgebreidere bespreking van de groepsband.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/816 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/261.
Burgert, Timmermans & Joosten 1990, p. 564, Van Wijngaarden 2006a, p. 619, Ten Voorde 2011, p. 198, Snijder-Kuipers & Eliëns 2014, p. 1178-1179, Van Zoest 2016a, p. 61, Van Zoest 2016b, p. 70, Talacko & Van Wijngaarden 2016, p. 18, Van der Kraan 2018b, p. 34, Holtman 2019, p. 162, Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2020, p. 229 en Reimers, in: GS Rechtspersonen, art. 2:404 BW, aant. 4.
Kamerstukken II 1983/84, 16551, 11, p. 16 (NnavhEV).
Rb. Rotterdam 29 september 2015, JOR 2015/295, m.nt. Bartman (Iemants/Hertel Beheer), r.o. 2.10-2.12 en 4.6 en HR 31 maart 2017, JOR 2017/221, m.nt. De Haan (SNS/Curatoren), r.o. 3.1.
Van Zoest 2019, p. 40. Zie art. 2:404 lid 3 sub b en c BW.
Zie § 8.6.3. Zie ook Bartman in zijn annotatie onder Hof Amsterdam (OK) 9 december 2015, JOR 2016/7 (Curatoren/SNS).
Zie § 4.4.2.
Burgert, Timmermans & Joosten 1990, p. 564.
Indien het wetsvoorstel Wet continuïteit ondernemingen I wordt aangenomen, kan een moedermaatschappij in het vooruitzicht van een faillissement van de 403-maatschappij in verband met een pre-pack, alvast de procedure voor de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid in gang zetten. Zij kan er op die manier voor zorgen dat zo snel mogelijk na het faillissement van de 403-maatschappij – waardoor de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij is verbroken (zie § 8.4) – aan alle vereisten van art. 2:404 lid 3 BW wordt voldaan en de overblijvende aansprakelijkheid is beëindigd, behoudens de afwikkeling van een eventueel ingesteld verzet.
Zie Rb. Rotterdam 30 september 2014, JOR 2014/326, m.nt. Loesberg (Pergen/Eneco), r.o. 2.10-2.12, 2.14, 2.17, 4.4 en 4.9. In casu is onduidelijk of de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij daadwerkelijk is verbroken. De rechter laat dit in het midden en op basis van de gegeven feiten ten aanzien van de casus is geen eenduidig antwoord te geven (zie § 8.4). Indien zou worden aangenomen dat de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij is verbroken, is het van belang om op te merken dat dit is gebeurd twee dagen nadat de tweemaandstermijn is verlopen waarbinnen de crediteuren verzet konden instellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen. Daarom is de overblijvende aansprakelijkheid mijns inziens niet verbroken. De rechtbank is hier echter niet op ingegaan. Zij heeft geoordeeld dat de overblijvende aansprakelijkheid is beëindigd maar dat het beroep van de moedermaatschappij op het verlopen van de verzetstermijn misbruik van recht is. Zie § 8.6.3 waar ik enkele kanttekeningen plaats bij deze uitspraak.
De vier voorwaarden waaraan moet worden voldaan om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen, staan in art. 2:404 lid 3 sub a tot en met d BW.1 Onder meer Beckman is van mening dat aan deze voorwaarden moet worden voldaan in de volgorde waarin zij in sub a tot en met d staan.2 De tekst van art. 2:404 lid 3 BW laat volgens hem geen ruimte voor een afwijkende volgorde. Daarnaast noemt Beckman twee bezwaren indien niet in deze volgorde aan de voorwaarden voor de beëindiging zou moeten worden voldaan. Ten eerste kan de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid volgens hem worden misbruikt als niet eerst aan de voorwaarde wordt voldaan dat de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij is verbroken, voordat aan de andere voorwaarden wordt voldaan. De moedermaatschappij zou dan bij een dreigend faillissement van de 403-maatschappij alvast aan de overige voorwaarden voor de beëindiging kunnen voldoen. Als vervolgens de 403-maatschappij failleert, is ook de groepsband tussen hen verbroken en eindigt de overblijvende aansprakelijkheid.3
Ten tweede wijst Beckman erop dat het voor crediteuren onduidelijk kan zijn op welk moment de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij is verbroken.4 Voor een groepsband is (onder meer) vereist dat de moedermaatschappij de centrale leiding heeft ten aanzien van de 403-maatschappij.5 Daarbij is niet alleen de juridisch-organisatorische verbondenheid tussen de moeder- en de 403-maatschappij van belang, maar (vooral) ook de (bedrijfs-)economische werkelijkheid tussen hen.6 Dit zal voor een crediteur niet altijd kenbaar zijn. Indien het verbreken van de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij de laatste voorwaarde is waaraan wordt voldaan, kan de overblijvende aansprakelijkheid zijn beëindigd zonder dat de crediteur dat weet.
Evenals de meeste andere auteurs lees ik art. 2:404 lid 3 BW echter zo dat er geen vaste volgorde is waarin aan de voorwaarden voor de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid moet worden voldaan. De voorwaarden zijn volgens deze lezing nevengeschikt.7 Dit volgt ook uit de opmerking van de minister bij de introductie van art. 2:404 lid 3 BW dat een moedermaatschappij de mededeling van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen, kan deponeren ‘in het vooruitzicht’ van de verbreking van de groepsband met de 403-maatschappij.8 Dit betekent dat voor de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid niet is vereist dat als eerste aan de voorwaarde van de verbreking van de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij ex art. 2:404 lid 3 sub a BW hoeft te worden voldaan, voordat aan de andere voorwaarden uit lid 3 kan worden voldaan. Dit standpunt wordt ook in de jurisprudentie gevolgd. Ik wijs op de beschikking van de Rechtbank Rotterdam inzake Iemants/Hertel Beheer en de SNS/Curatoren-beschikking van de Hoge Raad waar de procedure tot de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid al in gang is gezet voor de verbreking van de groepsband.9
Daarnaast merk ik op dat als aangenomen zou worden dat aan de voorwaarden voor de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid moet worden voldaan in de volgorde waarin zij in art. 2:404 lid 3 sub a tot en met d BW staan, dit risico’s meebrengt voor de moedermaatschappij. Evenals Van Zoest wijs ik erop dat als de moedermaatschappij eerst de groepsband met de 403-maatschappij moet verbreken – voordat zij aan de andere voorwaarden kan voldoen –, het daarna nog minimaal twee maanden duurt voordat de overblijvende aansprakelijkheid is beëindigd.10 Dit kan tot onzekerheid leiden in de overnamepraktijk. De moedermaatschappij weet pas op zijn vroegst twee maanden na de overdracht van de aandelen in de 403-maatschappij of haar overblijvende aansprakelijkheid is beëindigd en of zij eventueel vervangende waarborgen moet geven aan crediteuren die verzet hebben ingesteld. Vanaf de verbreking van de groepsband tot het moment dat de verzetstermijn verloopt, heeft de moedermaatschappij geen doorslaggevende invloed op de handelingen – of het nalaten te handelen – van de 403-maatschappij, maar hieruit kunnen wel nog steeds schulden ontstaan waarvoor zij op grond van de ingetrokken 403-verklaring aansprakelijk is. Totdat aan alle voorwaarden van art. 2:404 lid 3 BW is voldaan – en de overblijvende aansprakelijkheid is beëindigd –, is de moedermaatschappij aansprakelijk voor (nieuwe) schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij heeft verricht tot het moment dat de moedermaatschappij tegenover de crediteur een beroep kan doen op de intrekking van de 403-verklaring.11 Als de 403-maatschappij bijvoorbeeld ná de verbreking van de groepsband, maar vóór de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid een overeenkomst met een crediteur ontbindt – tegen de wil van de moedermaatschappij –, kan zij verplicht zijn tot het betalen van een schadevergoeding. De moedermaatschappij is dan op grond van de ingetrokken 403-verklaring hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van deze schadevergoeding.12 Als de desbetreffende crediteur vervolgens verzet instelt tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen, kan de moedermaatschappij onder omstandigheden verplicht zijn om een vervangende waarborg te geven voor de voldoening van deze schadevergoeding.13 Doet zij dat niet, dan eindigt de overblijvende aansprakelijkheid tegenover de crediteur niet.
Dat niet in een vaste volgorde aan de voorwaarden ex art. 2:404 lid 3 sub a tot en met d BW hoeft te worden voldaan, betekent mijns inziens niet dat op een willekeurig moment aan ieder van de vier voorwaarden kan worden voldaan. Ik leg art. 2:404 lid 3 BW zo uit dat uiterlijk op het moment dat de tweemaands- termijn verloopt waarbinnen de crediteuren verzet kunnen instellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen aan alle voorwaarden voor deze beëindiging moet zijn voldaan, behoudens de afwikkeling van een eventueel ingesteld verzet.14 Uiterlijk op dat moment moet dus ook de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij zijn verbroken.15 Deze uitleg van art. 2:404 lid 3 BW ondervangt de twee bezwaren van Beckman. Ten eerste kan de moedermaatschappij niet alvast aan de overige voorwaarden voldoen, waarna de overblijvende aansprakelijkheid eindigt als de groepsband met de 403-maatschappij wordt verbroken. De groepsband moet uiterlijk zijn verbroken als de verzetstermijn afloopt. Ten tweede ondervindt een crediteur geen nadeel als het onduidelijk is op welk moment de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij is verbroken. Hoewel de crediteur in een dergelijk geval niet precies weet wanneer de groepsband is verbroken, weet hij wel dat deze in ieder geval moet zijn verbroken als de verzetstermijn afloopt – of dat anders de overblijvende aansprakelijkheid blijft bestaan.
Als de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij niet is verbroken op het moment dat de verzetstermijn verstrijkt, is de overblijvende aansprakelijkheid niet beëindigd.16 Om deze aansprakelijkheid alsnog te beëindigen, moet de moedermaatschappij een nieuwe aankondiging plaatsen in een landelijk verspreid dagblad dat en waar de door haar gedeponeerde mededeling van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen ter inzage ligt. Op dat moment begint een nieuwe verzetstermijn te lopen en heeft de moedermaatschappij opnieuw de mogelijkheid om de groepsband met de 403-maatschappij te verbreken voordat deze termijn verstrijkt. Dit betekent echter ook dat de crediteuren die eerder nog geen verzet hebben ingesteld tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen een nieuwe mogelijkheid krijgen om dit te doen. Ik meen daarnaast dat de moedermaatschappij aan de crediteuren die eerder wel al verzet hebben ingesteld, moet laten weten dat zij de procedure om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen opnieuw is gestart en tot wanneer de crediteuren daartegen verzet kunnen instellen. Als de moedermaatschappij dit nalaat, is een beroep op de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid tegenover de desbetreffende crediteuren naar mijn mening onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.17 De crediteuren behouden dan hun vordering op de moedermaatschappij.