Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/3.6.2
3.6.2 Procedurele omstandigheden bij de onredelijk bezwarendheidstoets
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS500886:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
MvA H Inv., Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1587, waarover Van Wechem 2007, nr. 111 e.v.
Een beroep op art. 6:233 onder b ligt bij niet-transparante bedingen volgens Jongeneel met het oog op art. 6:238 lid 2 niet langer voor de hand: Jongeneel 2010c, p. 360. Hij sluit hierbij enigszins aan bij het standpunt van Hijma, die deze vernietigingsgrond voorbehouden acht voor doelbewuste schendingen van het transparantie-beginsel (Hijma 2010a, nr. 42) maar gaat minder ver door de weg van onder b in andere gevallen niet geheel af te snijden.
MvA I Inv., Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1514: 'bij de beoordeling van de vraag of een beding onredelijk bezwarend is kunnen dan omstandigheden als de druk waaronder de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst verkeerde en de mate waarin zij het beding kende of begreep, een rol spelen.'
De wetgever heeft deze omstandigheid pas later toegevoegd aan de lijst gezichtspunten van art. 6:233 onder a. Het gezichtspunt werd aanvankelijk, in lijn met de bestaande jurisprudentie (HR 8 maart 1991, NJ 1991/396(Staalgrit-arrest)) genoemd bij de 'overige omstandigheden van het geval'. Op aandringen van de vaste commissie voor justitie werd het gezichtspunt alsnog en zonder enig bezwaar toegevoegd: Mölenberg 1995, p. 203, met verwijzing naar EV H Inv., Parl. gesch. Boek 6 (Mv. 3, 5 en 6), p. 1591 en Nota II Inv., Parl. gesch. Boek 6 (Mv. 3, 5 en 6), p. 1596.
De rechter is niet snel geneigd om tweezijdige voorwaarden als onredelijk aan te merken: Ktr. Nijmegen 4 juli 2008, LJN BD6324. Tweezijdige algemene voorwaarden worden, zo blijkt uit haar website, ook door de CA ontzien daar zij 'veelal evenwichtig van aard (zijn) en stroken met de consumentenregels, terwijl eenzijdige voorwaarden dikwijls bepalingen bevatten die ingaan tegen dwingende consumentenwetgeving (zwarte bedingen')'. Loos 2007c, p. 5-6 beargumenteert dat zwarte bedingen ook in tweezijdige voorwaarden voorkomen. Vgl. over de zin en onzin van de terughoudendheid t.o.v. de toetsing van tweezijdige bedingen: Jongeneel 1991, p. 203; Mölenberg 1995, p. 204-205.
Dit gezichtspunt is afkomstig uit het Saladin/HBU-arrest.
Is er sprake van een vrije en geïnformeerde aanvaarding van het beding door de consument? De resp. machtsposities van de partijen en de beschikbare alternatieven voor de consument spelen een rol bij dit gezichtspunt.
Anders: Hijma 2010a, nr. 26, die deze omstandigheden onder het gezichtspunt 'de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen' schaart.
Hof Arnhem 17 juni 2003, LJN AH8810; Hof Arnhem 9 september 1997, NJ 1998/655; Hof Leeuwarden 12 mei 2004, NJ F 2004/518, r.o. 21 (Weevers Stous/Stichting Parkwoningen); Hof Leeuwarden 16 april 2008, LJN BC9764, r.o. 17.
Van Wechem 2007, nr. 78 e.v., 151, 153 en 157 e.v.
Uitzonderingen zijn: Ktr. Utrecht 30 november 2005, LJN AU7198 en Hof Amsterdam 26 januari 2006, NJ F 2006/269.
Van Wechem 2007, nr. 81: soms is de terhandstelling van de voorwaarden redelijkerwijs niet mogelijk en worden de voorwaarden toegezonden (waardoor de consument ze later ontvangt).
Duyvensz 2003, p. 55 ex. en 218.
Duyvensz 2003, p. 51-53, waarover Wissink 2003, p. 86, nr. 3.
Hof Leeuwarden 21 maart 2007, LJN BA1381, to. 12, 15 en 21.
126. De Nederlandse toets is volgens de parlementaire geschiedenis een inhoudstoets: het beding moet lijden aan een 'intrinsiek gebrek'.1 De onredelijk bezwarendheid vloeit voort uit de nadelige inhoud van het beding in relatie tot zijn context. De gebondenheidstoets en de toets uit art. 6:233 onder b jo. art. 6:234 betreffen resp. de toepasselijkheid en de mogelijkheid tot kennisneming, i.e. de procedurele eerlijkheid, van algemene voorwaarden. Als gezegd in par. 3.4.2, is bij de gebondenheidstoets, gelet op art. 6:232, weinig ruimte om procedurele missers te corrigeren. De snelle gebondenheid wordt volgens de parlementaire geschiedenis door de ruime inhoudelijke toets uit art. 6:233 onder a in combinatie met de lijsten gelegitimeerd en gecompenseerd.2 Daarnaast zien art. 6:233 onder b jo. art. 6:234 op de mogelijkheid van een 'geïnformeerde instemming' (`informed consent') met de algemene voorwaarden als geheel. Genoemde artikelen garanderen echter niet dat de consument de voorwaarden leest en zo ja, begrijpt, in de zin dat hij zich bewust wordt van de gevolgen van de voorwaarden. De begrijpelijkheid van een beding is, hoewel afhankelijk van de mate van deskundigheid van de wederpartij, ook vooral een kwestie van voldoende transparantie aan de kant van de gebruiker. Art. 6:233 onder b biedt echter nauwelijks uitkomst bij de schending van het transparantiebeginsel uit art. 5 richtlijn.3 Art. 6:238 lid 2 (de uitlegregel contra proferentem) biedt alleen soelaas wanneer sprake is van een dubbelzinnig beding.
127. Hoewel de inhoudstoets zelf niet op het bestrijden van de procedurele oneerlijkheid is gericht, biedt hij wel ruimte voor het meewegen van procedurele omstandigheden.4 Diezelfde ruimte bestaat bij het weerleggen van het vermoeden van onredelijk bezwarendheid ex art. 6:237. In art. 6:233 onder a wordt een aantal gezichtspunten genoemd ter vaststelling van de onredelijk bezwarendheid.
Een van die gezichtspunten heeft uitdrukkelijk betrekking op een procedurele omstandigheid: de 'wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen' 5 Dit gezichtspunt betreft de vraag of er bij de opstelling van de algemene voorwaarden is onderhandeld, i.e. de vraag wie bij hun redactie betrokken is geweest. Algemene voorwaarden kunnen eenzijdig zijn (wanneer zij zijn opgesteld door de gebruiker zelf of door een brancheorganisatie) of tweezijdig (wanneer overeenstemming over de voorwaarden is bereikt tussen gebruikers en consumentenorganisaties als de Consumentenbond in het kader van het SER-CCA-overleg). Wanneer de wederpartij (op indirecte wijze) aanwezig is geweest bij de opstelling van de bedingen, is het beding mogelijk minder verdacht.6 In dit opzicht raakt dit gezichtspunt ook aan de inhoud van het beding. Omstandigheden met betrekking tot de vraag of de (individuele) consument kennis heeft kunnen nemen van de voorwaarden, de mate waarin de wederpartij zich van de strekking van het beding bewust iseweest7 en de wijze waarop de consument aan de voorwaarden wordt gebonden8 vallen onder de restcategorie 'de overige omstandigheden van het geval'.9 Het gaat hier vooral om omstandigheden rond de sluiting van het specifieke contract.
128. Omstandigheden rond de totstandkoming van de overeenkomst die wijzen op procedurele oneerlijkheid spelen een rol bij de Nederlandse toets. De mate en de manier waarop procedurele omstandigheden ten nadele van de gebruiker worden meegewogen, 10 laten volgens Van Wechem echter te wensen over.11Omstandigheden met betrekking tot de aanvaarding van bedingen — de verrassendheid van een beding waarvan geen daadwerkelijke kennis is genomen — komen, zo stelt hij, te weinig aan bod,12 waardoor de inhoudstoets niet compenseert voor de snelle gebondenheid en onvoldoende rekening wordt gehouden met het gezichtspunt 'alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst' uit art. 4 lid 1 richtlijn. Ook voor wat betreft de onmogelijkheid tot kennisneming van de voorwaarden neemt art. 6:233 onder b de inhoudstoets volgens Van Wechem onvoldoende 'procedurele' wind uit de zeilen omdat, zo lees ik zijn argument, de toets uit onder b een objectieve is: 'heeft de consument de mogelijkheid gehad om kennis te nemen van de voorwaarden (voor, tijdens en soms na13 de contractssluiting)' en niet 'heeft hij kennis genomen van de voorwaarden voor of ten tijde van de contractssluiting'. Deze laatste feitelijke omstandigheid zou volgens art. 4 lid 1 richtlijn een rol moeten spelen bij de toetsing aan de open norm uit onder a. Dit doet zij niet.
129. Volgens Duyvensz zouden individuele omstandigheden rond de totstandkoming van de overeenkomst die wijzen op procedurele eerlijkheid niet bij de inhoudstoetsing mogen worden betrokken. 14 Er zijn volgens hem drie redenen waarom omstandigheden zoals de bewuste aanvaarding van het beding buiten beschouwing zouden moeten blijven.15 De eerste reden is de rechtszekerheid: de voorspelbaarheid van de toetsingsuitkomst neemt toe wanneer minder gezichtspunten worden meegewogen. Ten tweede is Duyvensz van mening dat dergelijke omstandigheden een vertekenend beeld geven: dat de wederpartij een beding in algemene voorwaarden heeft gelezen of bewust aanvaardt, zegt niets over de redelijkheid van het beding. De zienswijze van Duyvensz steunt ten derde op de Duitse praktijk waaruit blijkt dat een toets, die abstraheert van de omstandigheden rond de contractssluiting, bevredigende resultaten oplevert.
In de praktijk worden procedurele omstandigheden ten nadele van de consument wel degelijk meegewogen. Dat de consument vrij is een beding wel of niet te aanvaarden en dit bewust doet, is een omstandigheid die zich in de praktijk tegen hem keert, ook al was hij niet aanwezig bij de oorspronkelijke opstelling van het beding.16 Dat de consument-wederpartij, na kennis te hebben genomen van het beding, een keuze had om het contract wel of niet te sluiten, betekent dat zijn keuzevrijheid voldoende gewaarborgd is gebleven.
Hierna wordt nader onderzocht welk gewicht procedurele omstandigheden in de schaal leggen in het kader van de inhoudstoets uit art. 6:233 onder a. Hiertoe worden de Nederlandse wet en praktijk aan achtereenvolgens hypothese 1, 2 en 3 getoetst.