HR, 13-10-2017, nr. 17/00226
17/00226
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-10-2017
- Zaaknummer
17/00226
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:2601, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑10‑2017; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑10‑2017
- Vindplaatsen
BNB 2017/226 met annotatie van F.J.P.M. Haas
FED 2018/149 met annotatie van A.C. Breuer
NLF 2017/2580
NTFR 2017/2620 met annotatie van mr. J. Kastelein
FutD 2017-2532
Viditax (FutD) 2017101304
Uitspraak 13‑10‑2017
Inhoudsindicatie
Artikel 16, lid 4, AWR. Project Bank zonder naam. Verlengde navorderingstermijn. Voortvarendheid. Volgtijdelijk opgelegde navorderingsaanslagen. Tussen het motiveren van de bezwaarschriften tegen de eerste serie navorderingsaanslagen en de werkzaamheden voor het opleggen van de tweede serie aanslagen is meer dan 6 maanden verstreken.
Partij(en)
13 oktober 2017
nr. 17/00226
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 30 november 2016, nrs. BK-15/00737 tot en met BK-15/00746, betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1995 en 1997 tot en met 2001 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en over de jaren 1996 en 1998 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Het eerste geding in cassatie
Bij arresten van de Hoge Raad van 12 juni 2015, nrs. 14/04065, ECLI:NL:HR:2015:1564, en 14/04066, ECLI:NL:HR:2015:1565, zijn vernietigd de uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam (nrs. 12/00935 en 12/01083 alsmede 12/00799 tot en met 12/00804, 12/00809 en 12/00810), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
2. Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbendes echtgenote (hierna: de echtgenote) is geïdentificeerd als houdster van bankrekeningen bij Van Lanschot Bankiers (Luxembourg) SA. De inkomsten uit en de saldi van die rekeningen hebben belanghebbende en de echtgenote niet vermeld in de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en vermogensbelasting (hierna: VB).
3.1.2.
De Inspecteur heeft de echtgenote bij brief van 7 maart 2007 gevraagd om informatie over de banktegoeden en op 22 mei 2007 een herinnering gestuurd. De echtgenote heeft bij brief van 29 mei 2007 verklaard dat zij en belanghebbende niets weten omtrent buitenlandse banktegoeden.
3.1.3.
De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 11 december 2007 op de hoogte gesteld van het voornemen om aan hem navorderingsaanslagen IB/PVV op te leggen over het jaar 1995 en VB over het jaar 1996 met verhogingen (hierna: de eerste serie navorderingsaanslagen). De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met dagtekening 31 december 2007.
3.1.4.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in 3.1.3 vermelde navorderingsaanslagen. Hij heeft het bezwaar bij brief van 17 april 2008 gemotiveerd. De Inspecteur heeft op 8 december 2008 uitspraken op bezwaar gedaan.
3.1.5.
De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 januari 2009 op de hoogte gesteld van het voornemen om aan hem navorderingsaanslagen IB/PVV op te leggen over de jaren 1997 tot en met 2001 en navorderingsaanslagen VB over de jaren 1998 tot en met 2000 met verhogingen dan wel boeten (hierna: de tweede serie navorderingsaanslagen). De navorderingsaanslagen en boeten zijn opgelegd met dagtekening 28 en 31 juli 2009, met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR.
3.2.1.
Bij het Hof was onder meer in geschil of de tweede serie navorderingsaanslagen voldoende voortvarend is opgelegd.
3.2.2.
Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Het Hof heeft de keuze om niet alle navorderingsaanslagen in één keer op te leggen, aanvaardbaar geacht in het kader van het bieden van een ruime mogelijkheid aan belanghebbende om openheid van zaken te geven teneinde te komen tot een materieel juiste belastingheffing en in het kader van het in acht nemen van de vereiste zorgvuldigheid met name met betrekking tot de hoogte van de aan te brengen correcties ten behoeve van die juiste heffing. De omstandigheid dat dit meebrengt dat eerst de uitkomst van de bezwaarfase van de eerste serie navorderingsaanslagen is afgewacht alvorens de tweede serie navorderingsaanslagen op te leggen, heeft het Hof niet tot een ander oordeel gebracht. Het Hof heeft geoordeeld dat de uitvoering van de werkzaamheden niet is onderbroken door een periode van stilzitten van zes maanden als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 27 september 2013, nr. 12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717, BNB 2013/234, en 22 november 2013, nr. 12/03376, ECLI:NL:HR:2013:1215, BNB 2014/3.
3.3.1.
Het eerste middel richt zich tegen het in 3.2.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat in het licht van de door het Hof vastgestelde feiten onbegrijpelijk is ’s Hofs oordeel dat geen sprake is geweest van stilzitten van meer dan zes maanden. Zelfs indien het oordeel van het Hof juist zou zijn dat de Inspecteur de uitkomst van de bezwaarprocedure tegen de eerste serie navorderingsaanslagen zou mogen afwachten, dan nog diende het Hof te motiveren waarom de tussen de uitspraken op bezwaar tegen die navorderingsaanslagen en de dagtekening van de later opgelegde navorderingsaanslagen verlopen termijn van meer dan zes maanden gerechtvaardigd was. Ook tussen de aankondiging van de tweede serie navorderingsaanslagen en de dagtekening van die aanslagen is meer dan zes maanden verstreken, aldus het middel.
3.3.2.
Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Bij de vraag of bij het opleggen van met de verlengde termijn van artikel 16, lid 4, AWR opgelegde navorderingsaanslagen voortvarend is gehandeld, gaat het om het tijdsverloop nadat de belastingautoriteiten de beschikking hebben gekregen over aanwijzingen met betrekking tot in een andere lidstaat ondergebrachte belastbare bestanddelen op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen (vgl. HvJ 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, ECLI:EU:C:2009:368, BNB 2009/222). De belastingautoriteiten hebben beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van al deze werkzaamheden. Gelet op de eisen die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie mogen de werkzaamheden niet worden georganiseerd en ingericht op een zodanige wijze dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is. De vereiste voortvarendheid is in ieder geval niet betracht indien bij deze werkzaamheden een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden (vgl. HR 1 mei 2015, nr. 14/02874, ECLI:NL:HR:2015:1105, BNB 2015/155).
3.3.3.
Indien de inspecteur met betrekking tot buitenlandse banktegoeden navorderingsaanslagen oplegt over meerdere jaren met toepassing van de verlengde navorderingstermijn, is het in beginsel niet in strijd met de eis van voortvarende behandeling indien hij daarbij voorrang geeft aan het opleggen van aanslagen waarvoor de navorderingstermijn dreigt te verlopen, mits hij vervolgens met de vereiste voortvarendheid handelt bij het opleggen van de navorderingsaanslagen over andere jaren.
3.3.4.
Anders dan het Hof heeft overwogen, kan de omstandigheid dat de inspecteur nog moet beslissen op een bezwaar tegen een eerder opgelegde navorderingsaanslag betreffende dezelfde bron van inkomen, doch een ander belastingjaar, niet zonder meer rechtvaardigen dat hij bij het vaststellen van de nog op te leggen navorderingsaanslag(en) wacht tot zijn beslissing op het bezwaar en daarmee een periode van meer dan zes maanden laat verstrijken. Na het moment waarop de inspecteur bekend is geworden met de gronden van het bezwaar tegen de eerder opgelegde aanslag valt de behandeling daarvan immers niet zonder meer aan te merken als voorbereiding van de nog op te leggen navorderingsaanslag(en).
3.3.5.
Het middel is in zoverre terecht voorgesteld. Voor het overige behoeven de middelen geen behandeling. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven.
3.3.6.
De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Voor de Rechtbank noch voor het Hof is gesteld dat de Inspecteur na de ontvangst van de gronden van het bezwaar tegen de eerste serie navorderingsaanslagen in april 2008 redelijkerwijs kon verwachten dat belanghebbende hem alsnog gegevens zou verstrekken die voor het vaststellen van de tweede serie navorderingsaanslagen van belang zouden kunnen zijn. Daarom moet het ervoor gehouden worden dat de met dagtekening 28 en 31 juli 2009 opgelegde navorderingsaanslagen niet met de vereiste voortvarendheid zijn opgelegd. Zij kunnen derhalve niet in stand blijven. Hetzelfde geldt voor de daarmee samenhangende beschikkingen omtrent een verhoging, boetebeschikkingen en beschikkingen inzake heffingsrente.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 17/00228 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1995 en de navorderingsaanslag VB over het jaar 1996 en de daarbij behorende beschikkingen inzake een verhoging en beschikkingen betreffende heffingsrente, het griffierecht, de proceskosten en de schadevergoeding,
vernietigt de uitspraken op bezwaar tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1997 tot en met 2001 en VB over de jaren 1998 tot en met 2000, de daarbij behorende beschikkingen inzake een verhoging en boetebeschikkingen en de beschikkingen inzake heffingsrente en vernietigt die navorderingsaanslagen en beschikkingen,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1980, derhalve € 990, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2017.
Beroepschrift 13‑10‑2017
Kenmerk : BK 15/00737 tot en met BK 15/00747.
Uw kenmerken : F 17/00226 en F 17/00228.
Betreft : Beroep in cassatie inzake de (navorderings-)aanslagen Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1995 en 1997 tot en met 2000 en (navorderings-)aanslagen inzake de vermogensbelasting 1996 en 1998 tot en met 2000 ([X] en (navorderings-)aanslag inzake de Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 2001 ([X-Y]).
Bestreden beslissing : Uitspraak Gerechtshof Den Haag d.d. 30 november 2016.
Belanghebbenden :
- 1)
[X] te [Z], BSN […].
- 2)
[X-Y] te [Z], BSN […].
Inspecteur : Belastingdienst / [P].
Gemachtigde : […].
Edelhoogachtbare dames, heren,
Namens belanghebbenden heb ik hierbij de eer krachtens artikel 28 van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen bij uw Raad over te gaan tot motivering van het pro-forma beroepschriften in cassatie tegen de uitspraak van Gerechtshof te 's‑Gravenhage, waarvan het afschrift van de schriftelijke uitspraak ter post is bezorgd op 14 december 2016.
Omdat de namens eisers in cassatie ingediende pro-forma beroepschriften in cassatie gericht waren tegen één en dezelfde uitspraak is er voor gekozen om in één enkel beroepschrift de bezwaren tegen de in aanhef vermelde uitspraak te formuleren die reden voor het instellen van beroep in cassatie zijn geweest.
Gronden van cassatie
Aan het beroep in cassatie liggen de navolgende cassatiemiddelen ten grondslag:
Middel 1
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht, waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende draagkrachtig met redenen omkleed en dus zonder toereikende motivering in r.o. 7.3.10. alles overziende tot de slotsom is gekomen dat vanaf het aanschrijven van eiser sub 1 op 7 maart 2007 tot en met het opleggen van de navorderingsaanslagen IB/PVV — en VB — op 31 december 2007 (IB 1995 en VB 1996) aan belanghebbende 1 en 28 juli 2009 (belastingjaar 2001 aan eiser sub 1 en eiseres sub 2) en 31 juli 2009 (belastingjaren IB 1997 tot en met 2000 en VB 1998 tot en met 2000) aan eiser sub 1 de vereiste voortvarendheid in acht is genomen.
Toelichting :
1.1.
In r.o. 7.3.10. heeft het Hof het volgende oordeel gegeven.
‘Het Hof is alles overziende de slotsom gekomen dat de vereiste voortvarendheid vanaf het aanschrijven van belanghebbende 1 op 7 maart 2007 tot en met het opleggen van de navorderingsaanslagen IB/PVV op 31 december 2007 (1995 en VB 1996) aan belanghebbende 1 en 28 juli 2009 (belastingjaar 2001 aan belanghebbende 1 en belanghebbende 2) en 31 juli 2009 (belastingjaren 1997 tot en met 2000 en VB 1998 tot en met 2000) aan belanghebbende 1 in acht is genomen. De keuze om niet alle navorderingsaanslagen in één keer op te leggen, acht het Hof, in het kader van ruime mogelijkheden aan belanghebbenden om openheid van zaken te geven ten einde te komen tot een materieel juiste belastingheffing en in het kader van de vereiste zorgvuldigheid met name met betrekking tot de hoogte van de aan te brengen correcties ten behoeve van die juiste heffing aanvaardbaar. De omstandigheid dat dit meebrengt dat eerst de uitkomst van de bezwaarfase van de aanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 is afgewacht alvorens de overige aanslagen op te leggen brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Het Hof acht niet aannemelijk dat de uitvoering van de werkzaamheden is onderbroken door een periode van stilzitten van zes maanden als bedoeld in de door de Hoge Raad in zijn arresten van 27 september 2013, nr. 12.00738, ECLI:NL:HR:2013:717 en 22 november 2013, nr. 12/03376, ECLI:NL:HR:2013:1215. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat hij navorderingsaanslagen heeft opgelegd zonder overschrijding van het tijdsverloop dat, nadat het rekeninghouderschap hem bekend was geworden, noodzakelijkerwijs was gemoeid met het verkrijgen van de inlichtingen die nodig waren voor het bepalen van de verschuldigde belasting alsmede met het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslagen aan de hand van de gegevens die hem ter beschikking stonden.’
1.2.
Eisers stellen voorop dat het Hof in r.o. 7.3.10. de periode van meer dan een jaar waarmee de Belastingdienst met het opleggen van navorderingsaanslagen tussen 31 december 2007 en de 28 juli 2009 respectievelijk 31 juli 2009 heeft gewacht niet een gerechtvaardigd gebruik van de verlengde navorderingstermijn heeft geacht, omdat er in de zomermaanden een zogenaamde hercheck zou zijn uitgevoerd in verband met dubbele namen zoals in casu bij eisers. Deze vermeende hercheck heeft dus bij de oordeelsvorming door het Hof inzake het voortvarendheidsvereiste in de onderhavige zaak geen enkele rol gespeeld.
1.3.
Het Hof heeft die periode een gerechtvaardigd gebruik van de verlengde navorderingstermijn geacht omdat daarmee aan eisers een ruime mogelijkheid geboden werd om opening van zaken te geven en dat dit ook aanvaardbaar was met het oog om te komen tot een materieel juiste belastingheffing. In dat kader heeft het Hof zelfs nog vastgesteld dat de uitvoering van de werkzaamheden niet was onderbroken door een periode van stilzitten van zes maanden.
1.4.
Dit oordeel is in het licht van de door het Hof vastgestelde feiten onbegrijpelijk. Het Hof heeft in r.o. 2.6.5. vastgesteld dat eisers hun bezwaren tegen de op 31 december 2007 opgelegde navorderingsaanslagen bij brieven van 17 april 2008 nader hebben gemotiveerd. Eisers hadden gepersisteerd bij hun ontkenning dat zij een rekening bij Van Lanschot Luxemburg hadden aangehouden. Het Hof heeft in r.o. 2.6.6. vastgesteld, dat de Inspecteur bij brieven van 13 oktober 2008 (eiser sub 1) en 14 oktober 2008 (eiseres sub 2) in de gelegenheid heeft gesteld om nogmaals te worden gehoord. Aan eisers was daarvoor al op 5 februari 2008 een gelegenheid geboden om te worden gehoord naar aanleiding van de bij de brieven van 8 januari 2008 ingediende pro forma bezwaren (vide r.o. 2.6.2.).
1.5.
Tussen 17 april 2008 en 13 oktober 2008 is een periode van meer dan zes maanden verstreken zonder dat deze vertraging door het Hof is verklaard. De Inspecteur heeft hier meer dan zes maanden gewacht zonder dat eisers ook maar enig teken hadden gegeven dat zij eventueel opening van zaken zouden geven. Als het zo zou zijn dat de Inspecteur aan eisers daadwerkelijk nog een mogelijkheid had willen en ook mogen bieden om alsnog in het kader van de bezwaarfase opening van zaken te geven, had hij ook in dat geval nooit langer dan zes maanden stil mogen zitten zoals in casu is gebeurd.
1.6.
Het Hof had de betreffende aan eisers in juli 2009 opgelegde navorderingsaanslagen voor zover daarbij gebruik was gemaakt van de verlengde navorderingstermijn dan ook op deze grond dienen te vernietigen.
1.7.
Gesteld dat het — impliciete — oordeel van het Hof juist zou zijn, dat de Inspecteur de uitkomst van de bezwaarprocedure zou mogen afwachten, dan nog dient het Hof te motiveren waarom de tussen de beslissingen op bezwaar tegen de op 31 december 2007 opgelegde navorderingsaanslagen en de op 28 juli 2009 aan eiseres sub 2 respectievelijk 31 juli 2009 aan eiser sub 1 oplegde navorderingsaanslagen van meer dan zes maanden gerechtvaardigd was.
1.8.
In r.o. 2.7.3. heeft het Hof vastgesteld, dat de Inspecteur eiser sub 1 bij brief van 28 januari 2009 op de hoogte had gesteld van zijn voornemen om onder meer de navorderingsaanslagen IB/PVV 1997 tot en met 2000 en VB 1998 tot en met 2000 vast te stellen. Deze aanslagen zijn uiteindelijk vastgesteld op 31 juli 2009 (vide r.o. 1.3.3. van het bestreden arrest).
1.9.
In r.o. 2.7.1 heeft het Hof vastgesteld, dat de Inspecteur eiser sub 2 bij brief van 28 januari 2009 op de hoogte had gesteld van zijn voornemen om onder meer de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001 vast te stellen. Deze aanslag is uiteindelijk vastgesteld op 28 juli 2009 (vide r.o. 1.3.1. van het bestreden arrest).
1.10.
Het bekend maken van een voornemen tot het vaststellen van belastingen is overigens geen activiteit die noodzakelijk is voor
- (i)
het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens
- (ii)
het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de Inspecteur ter beschikking staan.
1.11.
Het bekend maken van dit voornemen levert geen rechtvaardiging op om, met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn, te wachten met het opleggen en vaststellen van de betreffend navorderingsaanslagen.
1.12.
Daar komt wat betreft eiser sub 1 nog eens bij dat ook tussen 28 januari 2009, de datum waarop de Belastingdienst aan eiser sub 1 zijn voornemen tot het opleggen van de betreffende navorderingsaanslagen bekend heeft gemaakt en 31 juli 2009, de datum waarop deze aanslagen zijn opgelegd, meer dan zes maanden zijn verstreken.
Middel 2
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht, waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende draagkrachtig met redenen omkleed en dus zonder toereikende motivering in r.o. 7.3.11. heeft vastgesteld, dat de gemachtigde zich op het standpunt gesteld zou hebben dat bijvoorbeeld door middel van het door het Hof doen oproepen en doen horen van getuigen als de landelijk projectleider [D] dan wel anderen bij het project betrokkenen zoals [E], of het project meer efficiënte had kunnen worden vormgegeven doordat bij hen zal worden nagegaan of en op welke wijze de bij het Rekeningenproject opgedane ervaringen bij het onderhavige project zijn betrokken.
Toelichting :
2.1.
In rechtsoverweging 7.3.11. heeft het Hof ter motivering van zijn in het eerste cassatiemiddel aan de orde gestelde ‘slotsom’ nog het navolgende oordeel geveld ten aanzien van een mede namens eisers ingediend verzoek tot het horen van getuigen:
‘Het hof heeft bij dit oordeel voorts nog het volgende in aanmerking genomen. De Hoge Raad heeft met de volgtijdelijke projectmatige fasegerichte aanpak, die in de arresten van 1 mei 2015, nr. 14/02874, ECLI:NL:HR:2015:1105, BNB 2015/155 is beschreven, ingestemd. De door de gemachtigde van belanghebbenden gestelde omstandigheid dat het project efficiënter had kunnen worden uitgevoerd, is — wat er overigens van dit standpunt zij — geen reden om in dit geval anders over de volgtijdelijke projectmatige fasegerichte aanpak te oordelen. Het Hof volgt de gemachtigde van belanghebbenden dan ook niet in diens standpunt dat onderzocht dient te worden, bijvoorbeeld door middel van het door het Hof doen oproepen en het horen van getuigen als de landelijk projectleider [D] dan wel anderen bij het project betrokkenen zoals [E]of het project meer efficiënter had kunnen worden vormgegeven doordat bij hen zal worden nagegaan of en op welke wijze de bij het Rekeningenproject opgedane ervaringen bij het onderhavige project zijn betrokken.
Hierbij overweegt het Hof nog het volgende.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de Belastingdienst bij de organisatie en de inrichting van de te verrichten werkzaamheden van het project beoordelingsvrijheid toekomt. Uit de gedingstukken blijkt dat gebruik is gemaakt van gegevens van meewerkende rekeninghouders uit het Rekeningenproject. Het had op de weg van belanghebbenden gelegen om feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan, in weerwil van hetgeen de Hoge Raad in de arresten van de Hoge Raad van 12 juni 2015 en 15 mei 2015 hiervoor onder 4.1. en 4.2. heeft overwogen, namelijk dat de eisen van een voortvarende behandeling niet aldus kunnen worden toegepast dat daaraan slechts is voldaan indien de belastingautoriteiten hebben gekozen voor de meest efficiënte aanpak van de te verrichten werkzaamheden, zou kunnen worden geoordeeld dat in dit geval niet aan de eisen van voortvarendheid is voldaan. Nu de gemachtigde van belanghebbenden zodanige feiten en omstandigheden niet heeft aangevoerd, maar heeft volstaan met een in algemene termen gesteld verzoek om getuigen te horen, heeft het Hof besloten geen gehoor aan het verzoek te geven.’
2.2
Deze overweging is onbegrijpelijk en vindt voor wat betreft de door het Hof daarin gereleveerde feiten geen grondslag in de tussen de toenmalige gemachtigde en het Hof over het getuigenverhoor gevoerde correspondentie en de processtukken.
2.3
Bij brief van 14 maart 2016 heeft de toenmalige gemachtigde onder meer namens eisers in cassatie een gemotiveerd verzoek tot het horen van de in de brief vermelde getuigen ingediend. Aan het Hof is verzocht om eerst op dit verzoek te beslissen alvorens er een inhoudelijke behandeling zou plaatsvinden. In het verzoek is gemotiveerd, dat alle betrokken cliënten onder wie eisers in cassatie er belang bij hebben dat onderzocht zou worden of er in de zomermaanden van 2008 een hercheck was uitgevoerd, zo ja waarom en op welk moment tot een hercheck is besloten, hoe de hercheck is uitgevoerd en op welke datum de hercheck is afgerond. Per betrokken getuige is aangegeven waarom het horen van deze getuige noodzakelijk was. Het verzoek had derhalve niets van doen met de vraag of het project Bank Zonder Naam niet efficiënter aangepakt had kunnen en moeten worden.
2.4.
In reactie op de brief van 14 maart 2016 heeft het Hof bij brief van 15 maart 2016 bericht dat het geen aanleiding zag om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om getuigen op te roepen, maar dat het de toenmalige gemachtigde vrijstond om een of meer getuigen naar de zitting mee te nemen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploot op te roepen om ter zitting te verschijnen, dit alles onder de voorwaarde dat daarvan uiterlijk een week voor de zitting aan het Hof en de wederpartij mededeling was gedaan met vermelding van namen en woonplaatsen. Het Hof heeft daarbij aangegeven dat het horen van de getuigen desgewenst op de tweede voor de behandeling van de zaken geplande zittingsdag, 30 maart 2016, kon plaatsvinden.
2.5.
Bij e-mail van 17 maart 2016 heeft de toenmalige gemachtigde aan de Belastingdienst een opgave verstrekt van de namen van medewerkers van de Belastingdienst die hij naast anderen als getuigen op de zitting van 30 maart 2016 wilde laten horen en de vraag gesteld of deze personen vrijwillig zouden verschijnen. In reactie daarop heeft de Belastingdienst bij brief van 21 maart 2016 bericht dat niet aan het verzoek zou worden voldaan.
2.6.
In reactie daarop heeft de toenmalige gemachtigde bij e-mail van 21 maart 2016 aan de Belastingdienst bericht dat dan niets anders restte om de betreffende getuigen middels een deurwaardersexploot op te roepen. Kopieën van deze correspondentie zijn bij brief van 21 maart 2016 aan het Hof verzonden.
2.7.
De te horen getuigen zijn bij deurwaardersexploot opgeroepen om op de zitting van 30 maart 2016 in persoon te verschijnen om als getuige te worden gehoord in het kader van het toetsen of de aanslagen (niet limitatief) ten aanzien van belanghebbenden voortvarend waren opgelegd.
2.8.
Bij telefax van 24 maart 2016 heeft de toenmalige gemachtigde aan het Hof een lijst van te horen getuigen verstrekt met de tijdstippen waartegen zij waren opgeroepen alsmede een exemplaar van een deurwaardersexploot zoals dat op diezelfde datum van 24 maart 2016 aan de te horen getuigen is betekend.
2.9.
Bij telefax van 29 maart 2016 heeft de toenmalige gemachtigde alle betrokken deurwaardersexploten in kopie aan het Hof verzonden.
2.10.
Ter zitting van 30 maart 2016 heeft de Voorzitter geconstateerd dat geen personen waren verschenen om als getuige te worden gehoord (vide proces-verbaal van de zitting van 30 maart 2016).
2.11.
Vier van de opgeroepen getuigen waren weliswaar ter zitting aanwezig. Zijdens de Belastingdienst is gesteld, dat deze vier personen procespartij waren en dat de Awb en de AWR het niet mogelijk maakten om een procespartij als getuige te horen (vide proces-verbaal van de zitting van 30 maart 2016).
2.12.
De toenmalige gemachtigde heeft ter zitting van 30 maart 2016 met betrekking tot het verzoek tot een getuigenverhoor een pleitnota overgelegd waarin hij de noodzaak om de getuigen te horen nader heeft gemotiveerd en het Hof heeft verzocht om de getuigen op te roepen.
2.13.
In deze pleitnota heeft de toenmalige gemachtigde kort samengevat vastgesteld dat de verklaring die [F] in een eerdere fase bij het Amsterdamse Hof had afgelegd en de verklaring die [G] bij een eerder getuigenverhoor had afgelegd op een aantal belangrijke punten niet met elkaar te verenigen waren, daarmee geïmpliceerd dat deze ongerijmdheden alle reden tot twijfel waren wanneer de hercheck precies was uitgevoerd en of de hercheck wel was uitgevoerd bij ieder van zijn betrokken cliënten.
2.14.
De twijfel werd nog versterkt doordat de Inspecteur bij een van de betrokken cliënten voor het eerst bij de conclusie na verwijzing heeft gesteld, dat er ondanks dat er sprake was van een dubbele naam geen hercheck was uitgevoerd.
2.15.
Na een schorsing met betrekking tot het getuigenverhoor heeft de Voorzitter meegedeeld dat het Hof in raadkamer zal beslissen of het tot het oproepen van getuigen zal overgaan en dat mocht dit het geval zijn partijen daarvan medio juni 2016 bericht ontvangen (Vide proces-verbaal van de zitting van 30 maart 2016).
2.16.
Kennelijk heeft het Hof vervolgens in raadkamer beslist dat het niet tot het oproepen van getuigen zou overgaan, waardoor het voor eisers in cassatie onmogelijk was geworden om middels het horen van getuigen aannemelijk te maken dat in ieder geval ten aanzien van eisers geen hercheck had plaatsgevonden, dat er in het geval van eisers in 2008 een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden was geweest en dat op die gronden de in november 2008 c.q. in december 2008 aan eisers opgelegde navorderingsaanslagen vernietigd dienden te worden.
2.17.
In een arrest van 23 mei 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1194) overwoog uw Raad in onderdeel 3.3.5.:
‘Voor zover het hiervoor in 3.3.1. bedoelde aanbod moet worden opgevat a/s een verzoek aan het Hof om getuigen op te roepen op de voet van artikel 8:63, lid 3, Awb, heeft het volgende te gelden. Het staat de rechter vrij alleen dan (zelf) een getuige op te roepen indien hem dit in het kader van de op hem rustende taak zinvol voorkomt (zie HR 13 maart 2009, nr. 43313, ECLI:NL:HR:2009:BH5559, BNB 2010/4). Bij de beoordeling van het verzoek mag de rechter laten meewegen dat de desbetreffende partij zelf geen pogingen heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat de getuige ter zitting aanwezig is (Onderstreping door ondergetekende). Met zijn door het middel bestreden oordeel heeft het Hof dit een en ander niet miskend. 's Hofs oordeel is ook niet ontoereikend gemotiveerd. Middel V faalt derhalve voor het overige eveneens.’
2.18.
In een arrest van 25 september 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2798) overwoog uw Raad in onderdeel 2.3.2.:
‘Het middel slaagt ook voor zover het betoogt dat het Hof heeft verzuimd zich uit te laten over het verzoek van de inspecteur om [E] als getuige op te roepen.
In zijn hogerberoepschrift heeft de Inspecteur, onder aanvoering van gronden, het Hof verzocht [E] op te roepen als getuige. Weliswaar staat het de rechter vrij alleen dan (zelf) een getuige op te roepen indien hem dit in het kader van de op hem rustende taak zinvol voorkomt (zie HR 13 maart 2009, nr. 43313, ECLI:NL:HR:2009:BH5559, BNB 2010/4), maar dit neemt niet weg dat de rechter aan wie door een procespartij een verzoek is gedaan om op de voet van artikel 8:63, lid 3, Awb een getuige op te roepen in zijn uitspraak melding dient te maken van dit verzoek, van zijn beslissing op dit verzoek en van de grond(en) waarop die beslissing berust. De mate waarin de beslissing motivering behoeft, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. (Onderstreping door ondergetekende).’
2.19.
Uit deze arresten is allereerst af te leiden dat de rechter bij de beoordeling of hij naar aanleiding van een verzoek daartoe van een der partijen op de voet van artikel 8:63 Awb getuigen zal oproepen of niet, moet beoordelen of dit in het kader van de op hem rustende taak zinvol is en dat hij zijn beslissing ook toereikend dient te motiveren. Voorts bepalen de omstandigheden van het geval de mate waarin de beslissing moet worden gemotiveerd.
2.20.
Tot die bepalende omstandigheden behoort onder meer het geval dat de verzoekende partij geen pogingen heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat de getuige ter zitting aanwezig is. Het ligt dan voor de hand dat de rechter een verzoek om gebruik te maken van zijn bevoegdheid ex artikel 8:63, lid 3 Awb eerder zal afwijzen indien de verzoekende partij niets heeft gedaan om ervoor te zorgen dat de getuige ter zitting aanwezig is dan het geval is indien de verzoekende partij zich er wel voor heeft ingespannen dat de getuige ter zitting aanwezig is.
2.21.
Indien een verzoekende partij zich er niet toe heeft ingespannen om ervoor te zorgen dat de getuige ter zitting aanwezig is, kan het ervoor gehouden worden dat de verzoekende partij er kennelijk geen of weinig belang bij heeft dat de rechter de getuige op de voet van artikel 8:63, derde lid Awb oproept. Heeft verzoekende partij zich er daarentegen wel voor in gespannen dat de betrokken getuige ter zitting aanwezig is, moet het ervoor gehouden worden dat de verzoekende partij er wel een redelijk belang bij heeft dat de rechter de getuige op basis van artikel 8:63 Awb oproept. Het belang van de verzoekende patij behoort dan tot de omstandigheden van het geval als bedoeld in het voormelde arrest van uw Raad van 25 september 2015 die de mate bepalen waarin de rechter zijn beslissing ex artikel 8:63, derde lid Awb moet motiveren.
2.22.
In het onderhavige geval zijn de getuigen die gehoord zouden moeten worden bij deurwaardersexploot opgeroepen om ter zitting van 30 maart 2016 te verschijnen. Dat is het uiterste wat redelijkerwijs van eisers in cassatie gevergd kon worden om ervoor te zorgen dat de betrokken getuigen op de zitting van 30 maart 2016 zouden verschijnen.
2.23.
Het belang van eisers in cassatie was dan ook groot, omdat het te voeren getuigenverhoren het bewijs zou kunnen opleveren dat de in het geding zijnde in november c.q. december 2008 opgelegde navorderingsaanslagen met de daarin vervatte boetebeschikkingen vernietigd zouden moeten worden.
2.24.
Het is onder meer de door uw Raad in het voormelde arrest van 13 maart 2009 genoemde taak van de rechter om op de voet van artikel 8:69, eerste lid Awb uitspraak te doen op basis van het verhandelde tijdens de zitting. Ter zitting van 30 maart 2016 is onder meer zijdens eisers expliciet gemotiveerd waarom het wenselijk was dat de voorgestelde getuigen op de voet van artikel 8:63 Awb dienden te worden opgeroepen. De betreffende pleitnota behoort tot de gedingstukken (vide het proces-verbaal van de zitting van 30 maart 2016).
2.25.
Ook de inhoud van deze specifiek op het getuigenverhoor betrekking hebbende pleitnota behoort tot de door uw Raad in het arrest van 25 september 2015 genoemde omstandigheden van het geval die mede bepalend zijn voor de mate waarin het Hof zijn beslissing diende te motiveren om de verzochte getuigen met gebruikmaking van zijn bevoegdheid ex artikel 8.63, derde lid Awb niet op te roepen.
2.26.
In de betreffende pleitnota heeft de toenmalige gemachtigde onder verwijzing naar verschillen en tegenstellingen tussen de in processtukken vastgelegde verklaringen van [F] en [G] gesteld dat er geen enkele duidelijkheid was of, zo ja hoe en wanneer de hercheck was uitgevoerd en waarom de projectleiding besloten had dat de totale hercheck voltooid moest zijn voordat de tweede serie navorderingsaanslagen eind 2008 opgelegd kon worden.
2.27.
De verschillen tussen de verklaringen van [F] en [G] vormen (een samenstel van) feiten die niet aan de orde zijn geweest in de door het Hof in onderdeel 7.3.13. genoemde arresten van uw Raad van 28 maart 2014, reden waarom het Hof naar het oordeel van eisers deze arresten in de onderhavige zaak geen (voldoende) grondslag kunnen opleveren om geen getuigen op te roepen.
2.28.
Anders dan het geval was in de door het Hof in r.o. 7.3.12. genoemde arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2014 en 2 mei 2014 kan in de onderhavige zaak niet worden uitgegaan van de juistheid van het feit dat er ook ten aanzien van eisers in cassatie in de zomermaanden van 2008 een hercheck zou zijn uitgevoerd.
2.29.
De verklaring die [F] niet als getuige, maar als partij op de zitting van 30 maart 2016 heeft afgelegd en waarop het Hof zich ter motivering van zijn beslissing om geen getuigen op te roepen heeft beroepen houdt niet veel meer in dan dat er een hercheck is uitgevoerd, maar levert niet het bewijs op dat de hercheck ook daadwerkelijk, specifiek in het geval van eisers in cassatie is uitgevoerd.
2.30.
Een parallel kan ook nog worden getrokken met de ambtshalve uit te oefenen bevoegdheid van de bestuursrechter om een onderzoek te heropenen in de gevallen dat hij van oordeel is dat een onderzoek onvolledig is. Hij kan zulks ook doen naar aanleiding van een verzoek van een der betrokken partijen. Als een dergelijk verzoek met stukken is onderbouwd mag de rechter een dergelijk verzoek niet zonder nadere motivering afwijzen (vide mr. T.C. Borman, T&C Algemene wet bestuursrecht, 2015, artikel 8:68, aant. 2 en de daar genoemde jurisprudentie). Die motivering dient dan uiteraard (mede) gebaseerd te zijn op de ter onderbouwing van het verzoek overgelegde stukken.
2.31.
Mede gelet op het feit dat het verzoek om de getuigen te horen was onderbouwd op basis van de in processtukken vastgelegde verklaringen van [F] en [G] en gelet op de hiervoor genoemde arresten van uw Raad had het Hof met name gelet ook op het hiervoor omschreven belang van eisers in cassatie bij de motivering van zijn beslissing ook de redenen en de motivering in aanmerking moeten nemen en in zijn beslissing inzake het al dan niet oproepen van de verzochte getuigen tot uitdrukking moeten brengen die namens eisers ten grondslag waren gelegd aan het verzoek om de getuigen op basis van artikel 8:63, derde lid Awb op te roepen.
Middel 3
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht, waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende draagkrachtig met redenen omkleed en dus zonder toereikende motivering in r.o. 7.1.2. ten onrechte heeft geoordeeld dat in het geding na cassatie geen plaats is voor de stelling dat onderzoek moest worden gedaan of uit de aanslagbiljetten duidelijk blijkt wat de bedragen aan verschuldigde belasting zijn.
Toelichting :
3.1.
Het Hof heeft in de rechtsoverwegingen 7.1.1. en 7.1.2. het navolgende geoordeeld;
‘7.1.1.
Het Hof stelt voorop dat de rechter naar wie het geding na cassatie is verwezen, aan de hand van de inhoud en de strekking van hetgeen de Hoge Raad in het verwijzingsarrest heeft overwogen en beslist, heeft te beoordelen welke onderdelen van de gecasseerde uitspraak niet of tevergeefs zijn bestreden en derhalve onaantastbaar zijn geworden (HR 2 mei 1997, nr. 16.233, ECLI:NL:HR:1998:ZC2362.
7.1.2.
Voor zover belanghebbenden na cassatie een beroep doen op het bepaalde in artikel 5 Awr en stellen dat onderzoek moet worden gedaan of uit de aanslagbiljetten duidelijk blijkt wat de bedragen aan verschuldigde belasting zijn, oordeelt het Hof dat in het geding na cassatie geen plaats is voor behandeling van deze stelling, omdat deze niet eerder voor de rechtbank of het gerechtshof Amsterdam is ingenomen en derhalve geen deel uitmaakt van het geding na cassatie. Het Hof zal daarom niet inhoudelijk op de stelling ingaan.’
3.2.
De hoofdregel is dan ook inderdaad dat partijen na verwijzing geen nieuwe geschilpunten meer kunnen opwerpen en in de regel ook dat partijen na verwijzing geen nieuwe feitelijke stellingen kunnen innemen. Deze regel is echter niet absoluut. Er zijn in de jurisprudentie al verzachtingen aangebracht (vide Prof. dr. M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken, (Fiscale Monografieën, nr. 142, Deventer 2014, p.459)).
3.3.
Eisers in cassatie zijn van oordeel dat er in het onderhavige geval aanleiding was voor een verzachting en dat het Gerechtshof het beroep door eisers in cassatie in behandeling had moeten nemen.
3.4.
Grond daarvoor is dat het Gerechtshof Amsterdam door de wijze waarop zij de zaak heeft behandeld aan eisers in cassatie niet de gelegenheid heeft geboden om het beroep op artikel 5 Awr te doen. Daarvoor zij verwezen naar het proces-verbaal dat is opgemaakt van de zitting van 6 juli 2014.
3.5.
Daaruit blijkt dat partijen bij brief van 2 juni 2014 verzocht is akkoord te gaan met de behandeling van de zaken die met de verlengde 12-jaarsnavorderingstermijn zijn vastgesteld (vide p. 2 van het proces-verbaal). Namens eisers in cassatie heeft de toenmalige gemachtigde aangegeven dat als het Amsterdamse Hof op basis van artikel 16 lid 4 van de Awr tot een beslissing zou komen hij de overige beroepen zou intrekken.
3.6.
Het Amsterdamse Hof heeft op de zitting van 6 juni 2014 aangegeven dat het de in het geding zijnde navorderingsaanslagen louter op basis van art. 16 lid 4 Awr zou beoordelen en aan eisers in cassatie geen gelegenheid meer willen bieden om een beroep op artikel 5 Awr te doen.
3.7.
Er is daarom in de onderhavige zaak reden voor een verzachting van de hoofdregel, dat na verwijzing geen nieuw geschilpunt kon worden opgeworpen, reden waarom het Gerechtshof Den Haag het beroep van eisers in cassatie op art. 5 Awr inhoudelijk had moeten beoordelen en dit ten onrechte heeft nagelaten.
Middel 4
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht, waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende draagkrachtig met redenen omkleed en dus zonder toereikende motivering in r.o. 7.5.8. het beroep dat eisers in cassatie ter zake van de boete hadden gedaan op het compromis dat was bereikt ten aanzien van de navorderingsaanslagen die niet met de 12-jaarsnavoderingstermijn waren vastgesteld en waarbij een boete van 50 percent van de nagevorderde belasting was overeengekomen.
Toelichting:
4.1.
Het hof heeft in r.o. 7.5.8. . als volgt overwogen en geoordeeld:
‘De gemachtigde van belanghebbende heeft nog aangevoerd dat hij in een procedure voor het Gerechtshof Amsterdam betreffende belanghebbende en de overige, na verwijzing voor Hof Den Haag, procederende BZN-spaarders met de inspecteur tot een vergelijk is gekomen waarbij boetes als de onderhavige zijn vastgesteld op 50 percent van de nagevorderde belasting. Dit compromis dient, aldus gemachtigde, ook voor de onderhavige jaren ten aanzien van belanghebbende te worden toegepast. Naar bet oordeel van het Hof faalt deze grief. Daarbij overweegt het Hof het volgende.
In de door belanghebbende bedoelde zaken was de vermindering van de boete van in beginsel 100 percent tot 50 percent onderdeel van een op de desbetreffende zaken afgestemd compromis. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen jaren waarvoor in hoger beroep zou worden doorgeprocedeerd over de kwestie van de inrichting van de werkzaamheden in de projectfase waarbij een getuigenverhoor over de werkzaamheden van de EDP-auditor zou plaatsvinden en jaren waarvoor daarover niet in hoger beroep zou worden doorgeprocedeerd. Voor de laatstbedoelde jaren is in het compromis een boete van 50 percent en een bepaalde kostenvergoeding afgesproken. Het compromis omvatte ook de intrekking van de voor de desbetreffende jaren door de belanghebbende ingestelde hoger beroepen. Dit gold niet voor de thans nog te beslissen jaren waarin is doorgeprocedeerd en die na verwijzing door de Hoge Raad thans ter beslissing voorliggen. Voor die jaren bevatte het compromis geen afspraken over vermindering van de boete en het toekennen van een kostenvergoeding.’
4.2.
In r.o. 1.4 van het door het Amsterdamse Hof gewezen arrest heeft het Amsterdamse Hof zelf een verdeling gemaakt tussen :
- a)
hoger beroepen die betrekking hebben op zake die met toepassing van de verlengde navorderingtermijn ex artikel 16 lid 4, AWR zijn vastgesteld (categorie 1) en
- b)
hoger beroepen die zonder toepassing van de verlengde navorderingstermijn zijn vastgesteld (categorie 2).
4.3.
Deze verdeling door het Amsterdamse Hof berust dan ook niet op een afspraak tussen partijen om voor zaken van de categorie 1 door te procederen en om voor de zaken van de categorie 2 een compromis te beproeven. Daar komt nog bij, dat de Staatssecretaris beroep in cassatie heeft ingesteld voor wat betreft de zaken van de categorie 1 tegen de uitspraken van het Amsterdamse Hof. Dat er voor wat betreft de zaken van categorie 1 is doorgeprocedeerd is volledig aan de Belastingdienst en in het geheel niet aan eisers in cassatie toe te rekenen.
4.4.
Indien het Amsterdamse Hof de voormelde onderverdeling tussen categorie 1 en categorie 2 zaken niet zou hebben gemaakt zou de boete in beide categorieën 50 percent bedragen hebben.
4.5.
Volledigheidshalve moet nog worden opgemerkt, dat anders dan het Hof in de hiervoor geciteerde overweging heeft vastgesteld in het compromis betreffende de zaken van categorie 2 zoals dat in het proces-verbaal van de zitting van 21 oktober 2014 is opgemaakt niets is vastgelegd inzake een intrekking van het hoger beroep.
Conclusie:
Op grond van het bovenstaande ben ik van oordeel, dat de zienswijze van het Hof op een onjuiste rechtsopvatting berust.
Met het vorenstaande moge ik uw Raad in overweging geven het beroep gegrond te verklaren, de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, Team Belastingrecht, meervoudige belastingkamer van 30 november 2016 in het geding tussen eiser sub 1 en de belastingdienst, kenmerk BK 15/00737 t/m BK 15/00746 en tussen eiseres sub 2 en de belastingdienst met kenmerk BK 15/00747 gewezen te vernietigen en om uitspraak te doen zoals het Gerechtshof Den Haag had behoren te doen.
Voorts verzoek ik uw Raad om de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten van alle instanties.
Hoogachtend,