Zie in dit verband ook HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:760, NJ 2023/236, m.nt C.J.M. Klaassen en P.A.M. Mevis, rov. 3.2.2.
HR, 03-02-2026, nr. 25/01484 Bv
ECLI:NL:HR:2026:171
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-02-2026
- Zaaknummer
25/01484 Bv
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:171, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑02‑2026; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1343
ECLI:NL:PHR:2025:1343, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:171
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑07‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑06‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0034
Uitspraak 03‑02‑2026
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Beklag ex art. 98.4 jo. 552a Sv door producent van medische apparatuur tegen beslag op gegevens i.v.m. strafrechtelijk onderzoek tegen klaagster en medeklaagster t.z.v. verdenking van valsheid in geschrift, waarbij RC heeft beslist dat deze als “geheimhoudersinformatie” aangemerkte gegevens worden “uitgegrijsd” zodat deze ontoegankelijk blijven voor onderzoeksteam van FIOD. Kon Rb aan OvJ de opdracht geven toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan procesdossier “ten behoeve van inhoudelijke behandeling van strafzaak”, nu wet niet voorziet in geven van zo’n opdracht door beklagrechter? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2025:578 m.b.t. vernietiging van geheimhoudersgegevens, verzoek tot vernietiging van gegevens ex art. 552a.2 Sv en toetsing door zittingsrechter als gegevens, waarvan rechter heeft bevolen dat deze vernietigd moeten worden, zich in dossier bevinden. Rb heeft klaagschrift dat strekt tot vernietiging van gegevens ongegrond verklaard en daarbij “ten behoeve van inhoudelijke behandeling van strafzaak” aan OvJ opdracht gegeven toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan procesdossier. Daarmee heeft Rb miskend dat wet er niet in voorziet dat beklagrechter het OM zo’n opdracht geeft. Dat beklagrechter o.g.v. art. 23. Sv OM het bevel kan geven om verslag te doen van manier waarop betreffende vernietiging heeft plaatsgevonden doet daaraan niet af, omdat die bevoegdheid ziet op bevelen met het oog op onderzoek dat aan beslissing van beklagrechter vooraf gaat. Dit alles neemt niet weg dat ten behoeve van voortgang van zaak van belang is dat informatie die verband houdt met manier van vernietiging van geheimhoudersgegevens (of andersoortige gegevens), tijdig door OM aan dossier wordt toegevoegd. Art. 23.1 Sv voorziet echter niet in mogelijkheid dat beklagrechter op voorhand daartoe opdracht aan OM geeft. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. beslissing het OM opdracht te geven toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan procesdossier. Samenhang met 25/01442 Bv.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/01484 Bv
Datum 3 februari 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2025, nummer RK 24/020469, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De raadslieden van de klaagster, A.H.J. Saes en M. te Stroet, hebben het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking, maar enkel voor zover daarin aan de officier van justitie de opdracht is gegeven om toekomstige logbestanden (tijdig) aan het dossier toe te voegen.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank ten onrechte in haar beschikking op het door de klaagster ingediende klaagschrift aan de officier van justitie de opdracht heeft gegeven toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier “ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak”. Het voert daartoe aan dat de wet niet voorziet in het geven van zo’n opdracht door de rechter in de beklagprocedure.
2.2.1
In verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen (onder meer) de klaagster, een producent van medische apparatuur, hebben ‘actiedagen’ plaatsgevonden bij de klaagster en bij [medeklaagster] KG (de klaagster in de samenhangende zaak), waarbij gegevens in beslag zijn genomen. Over een deel van deze gegevens heeft de rechter-commissaris bij beschikking als bedoeld in artikel 98 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van 2 augustus 2024 beslist dat deze als “geheimhoudersinformatie” moeten worden aangemerkt en dat de betreffende bestanden voor het onderzoeksteam van de FIOD ontoegankelijk moeten worden gemaakt door middel van ‘uitgrijzen’. De klaagster heeft vervolgens een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv ingediend, waarin onder meer is gesteld dat met het uitgrijzen onvoldoende is verzekerd dat de betreffende “geheimhoudersinformatie inderdaad ontoegankelijk is en blijft voor het onderzoeksteam en dat op dergelijke informatie in het verdere verloop van het strafproces geen acht zal worden geslagen”.
2.2.2
De beschikking van de rechtbank houdt onder meer in:
“De rechtbank heeft het beklag behandeld in besloten raadkamer van 19 november 2024. Bij beslissing van 3 december 2024 heeft de rechtbank (...) ten aanzien van het uitgrijzen bepaald dat daarmee “kan worden volstaan om te voorkomen dat geheimhouderstukken kenbaar zijn voor de leden van het onderzoeksteam, op voorwaarde dat het uitgrijzen met voldoende en juist vormgegeven waarborgen is omkleed. Ter beoordeling daarvan dient de rechtbank kennis te nemen van het door de rechter-commissaris toegezegde proces-verbaal van de FIOD betreffende het uitgrijzen en de ontoegankelijkheid.” Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek heropend en aangehouden tot 28 januari 2025 om 10:00 uur en bepaald dat voornoemd proces-verbaal uiterlijk op 21 januari 2025 aan de verdediging, de officier van justitie en de rechtbank diende te worden verstrekt.
Op 24 januari 2025 heeft de officier van justitie twee processen-verbaal aan de rechtbank en de verdediging verstrekt. Het betreft een proces-verbaal van bevindingen met nummer GH-AMB-002-07 en een proces-verbaal van bevindingen met nummer GH-AMB-016-01 van 24 januari 2025.
(...)
Namens klaagster is aangevoerd dat de door de officier van justitie verspreide processen verbaal – in weerwil van de beslissing van de rechtbank van 3 december 2024 – te laat zijn verspreid, waardoor controle onnodig moeilijk is gemaakt. Daarnaast geven de ingestuurde processen-verbaal geen inzicht in het proces van het ‘uitgrijzen’, waardoor ook geen inzicht wordt verkregen in de daarmee samenhangende waarborgen. Nu controle door de rechtbank en de verdediging niet mogelijk is, moeten de gegevens worden vernietigd. Daarnaast moet nader onderzoek worden verricht naar de toegang door het onderzoeksteam in de nog niet geschoonde accountantsdataset en door het horen van [verbalisant] , opsteller van het proces-verbaal met nummer GH-AMB-016-01.
Ter zitting is namens klaagster verzocht tot aanhouding van de behandeling van het klaagschrift teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nader proces-verbaal op te laten maken over wie en wanneer toegang heeft gekregen tot welke gegevens in de verschillende datasets.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft de verantwoordelijkheid op zich genomen voor de te late verspreiding van de processen-verbaal. Dit maakt echter niet dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard. Uit de processen-verbaal blijkt immers wie toegang had tot de case en of er bestanden zijn bekeken. Daarnaast is er technisch gezien voldoende inzicht in de gehanteerde waarborgen en de waarborgen zoals die zijn nageleefd, zijn in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad.
Ter zitting heeft de officier van justitie te kennen gegeven bereid te zijn proces-verbaal op te laten maken om inzicht te geven in de inhoudelijke logbestanden, oftewel wie, wanneer toegang had tot welke gegevens en ook voor welke duur.
Beoordeling
(...)
Uit het door de officier van justitie verstrekte proces-verbaal van 7 januari 2025 (GH-AMB-002-07) wordt de inhoud beschreven van zogeheten ‘audit logs’, bestanden waarin is vastgelegd wanneer, wie, wat heeft gedaan in een bepaalde dataset. Hieruit blijkt dat medewerkers van het onderzoeksteam op verschillende momenten sinds 1 september 2020 toegang hebben gehad tot mogelijk verschoningsgerechtigde gegevens in drie verschillende datasets. In elk geval sinds 2 november 2021 zijn de autorisaties ingetrokken, waarna het onderzoeksteam geen toegang meer heeft gehad tot de bewuste datasets.
In het door de officier van justitie verstrekte proces-verbaal van 24 januari 2025 (GH-AMB-016-01) worden de werkafspraken uiteengezet die zijn gemaakt tussen de rechter-commissaris, het Openbaar Ministerie en (het onderzoeksteam van) de FIOD. Weliswaar wordt niet precies uiteengezet op welke wijze er wordt uitgegrijsd, maar deze procedure, waarbij door het plaatsen van een vinkje verschoningsgerechtigd materiaal ontoegankelijk wordt gemaakt, is bij de raadslieden bekend. Sterker nog, zij zijn actief betrokken geweest bij deze procedure, waarbij zij onder meer zelf zoektermen hebben aangedragen die konden bijdragen aan het opsporen van verschoningsgerechtigd materiaal in de datasets.
Uit de werkafspraken blijkt dat:
- de projectleider van de FIOD zorgt voor een versleutelde onderzoeksomgeving en het aanvragen, dan wel intrekken van autorisaties;
- leden van het onderzoeksteam geen toegang mogen hebben tot uitgegrijsde gegevens, dan wel;
- (voormalig) geheimhoudersfunctionarissen geen deel uit kunnen (gaan) maken van het onderzoeksteam;
- een forensisch IT-specialist van de FIOD de ontvangen data op de onderzoeksomgeving plaatst en inzichtelijk maakt;
- bij het uitvoeren van de vorderingen bij [A] en [B] potentiële geheimhoudersstukken op een separate gegevensdrager worden verstrekt en dat deze gegevensdrager(s) is/zijn beveiligd met een aan een geheimhoudersfunctionaris te verstrekken wachtwoord;
- het onderzoeksteam aanvankelijk, was geautoriseerd voor de overige data van [A] en [B] (de niet-geheimhoudersstukken), maar dat deze autorisaties op of omstreeks 2 november 2021 zijn vervallen. Vanaf dat moment geldt dat autorisatie voor het onderzoeksteam met betrekking tot data van [A] , [B] en [medeklaagster] alleen mag worden verleend door de rechter-commissaris;
- niet-uitgegrijsde gegevens slechts na toestemming van de officier van justitie ter beschikking worden gesteld aan het onderzoeksteam;
- uitgegrijsde gegevens slechts na toestemming van de rechter-commissaris ter beschikking worden gesteld aan het onderzoeksteam.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle voornoemde elementen de procedure rondom het uitgrijzen van verschoningsgerechtigd materiaal zowel technisch, als juridisch met voldoende waarborgen is omgeven. Het komt er op neer dat het onderzoeksteam alleen toegang kan krijgen tot verschoningsgerechtigd materiaal met toestemming van de rechter-commissaris. De rechtbank zal het beklag dan ook ongegrond verklaren.
De officier van justitie heeft reeds te kennen gegeven de inhoudelijke logbestanden te delen met de advocaten. De rechtbank zal de officier van justitie daarnaast opdracht geven de toekomstige inhoudelijke logbestanden toe te voegen aan het procesdossier ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
De rechtbank geeft de officier van justitie opdracht toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier.”
2.3.1
Artikel 23 lid 1 Sv luidt:
“De raadkamer is bevoegd de noodige bevelen te geven, opdat het onderzoek hetwelk aan hare beslissing moet voorafgaan, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek zal plaats vinden.”
2.3.2
De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578 onder meer overwogen:
“Vernietiging van gegevens
3.4.1
Het openbaar ministerie draagt de verantwoordelijkheid voor de door de rechter-commissaris bevolen vernietiging van de gegevens. Van zo’n vernietiging van gegevens is ook sprake als die gegevens niet meer kenbaar zijn door bewerking van de gegevensdrager of de digitale voorziening waarmee de gegevens raadpleegbaar zijn, waarbij de gekozen werkwijze zo moet zijn ingericht dat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen (vgl., over de vernietiging als bedoeld in artikel 126aa lid 2 Sv, HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1257).
3.4.2
Om in een voorkomend geval rechterlijke controle mogelijk te maken op de manier van vernietiging in het licht van het onder 3.4.1 vermelde vereiste, moet van de vernietiging voldoende nauwkeurig verslag worden gedaan in een proces-verbaal. In het bijzonder moet in het proces-verbaal inzicht worden gegeven in de manier waarop is gewaarborgd dat personen die op enigerlei wijze bij het opsporingsonderzoek betrokken (zullen) zijn op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot de betreffende gegevens. (Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rechtsoverweging 6.7.2.)
3.4.3
Als bij die vernietiging gebruik wordt gemaakt van technische voorzieningen, moeten deze zo zijn ingericht dat kan worden nagegaan of is voldaan aan het onder 3.4.1 bedoelde vereiste dat de gegevens niet meer kenbaar zijn, bijvoorbeeld door middel van een geautomatiseerde registratie waarbij wordt bijgehouden welke handelingen binnen het systeem hebben plaatsgevonden en door wie deze zijn verricht. (Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rechtsoverweging 6.7.2.)
Verzoek tot vernietiging van gegevens op grond van artikel 552a lid 2 Sv
3.5.1
Het wettelijk stelsel voorziet – naast de specifieke beklagmogelijkheid van artikel 98 lid 4 Sv voor een verschoningsgerechtigde – in de mogelijkheid van belanghebbenden om op grond van artikel 552a lid 2 Sv een verzoek te doen tot vernietiging van gegevens die zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking als bedoeld in artikel 125i Sv of die op vordering zijn verstrekt. Onder die belanghebbenden kunnen ook verschoningsgerechtigden worden begrepen. (Vgl., in relatie tot gevorderde gegevens, HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rechtsoverweging 6.3.5.) In de betreffende procedure kan de rechter, naar aanleiding van concreet aangeduide bezwaren van de belanghebbende, beoordelen of is voldaan aan het onder 3.4.1 bedoelde vereiste dat is verzekerd dat ‘uitgegrijsde’ als geheimhoudersinformatie aangemerkte gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen (vgl., in relatie tot gevorderde gegevens, HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1257).
3.5.2
Gelet op de belangen die met het verschoningsrecht zijn gemoeid, brengt redelijke wetstoepassing mee dat een vergelijkbare procedure kan worden gevolgd met betrekking tot gegevens die zijn ontleend aan inbeslaggenomen gegevensdragers. Daarvoor kan aansluiting worden gezocht bij de regeling van artikel 552a lid 2 Sv. Dat betekent dat een belanghebbende op grond van die bepaling kan verzoeken om de vernietiging van gegevens die zijn ontleend aan inbeslaggenomen gegevensdragers en die als geheimhoudersinformatie zijn aangemerkt, waarbij de rechter in geval van concreet aangeduide bezwaren van de belanghebbende kan beoordelen of is voldaan aan het onder 3.4.1 bedoelde vereiste.
3.5.3
Aan het verzoek als bedoeld in artikel 552a lid 2 Sv moeten concreet aangeduide feiten en omstandigheden ten grondslag worden gelegd die erop wijzen dat aan de bevolen vernietiging van de gegevens niet of in onvoldoende mate uitvoering is gegeven. Als aan die stelplicht is voldaan moet de rechter, mede aan de hand van het onder 3.4.2 bedoelde proces-verbaal, beoordelen of voldoende aannemelijk is dat de geheimhoudersgegevens waarvan de vernietiging is bevolen op een zodanige manier zijn vernietigd dat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen. Met het oog op die beoordeling kan de rechter zo nodig nader onderzoek opdragen aan de rechter-commissaris. Als de rechter oordeelt dat niet voldoende aannemelijk is dat is voldaan aan het onder 3.4.1 bedoelde vereiste, geeft de rechter op grond van artikel 23 lid 1 Sv het openbaar ministerie een bevel om nadere maatregelen te treffen waarmee is verzekerd dat wel aan dat vereiste is voldaan en daarvan verslag te doen.
(...)
Toetsing door de zittingsrechter
3.7.1
Als het openbaar ministerie overgaat tot vervolging in een zaak waarbij als geheimhoudersinformatie aangemerkte gegevens, waarvan een rechter heeft bevolen dat deze vernietigd moeten worden, zich toch in het dossier bevinden, is het volgende van belang.
3.7.2
De wet kent geen bepaling die de zittingsrechter bevoegd verklaart bewijsmateriaal dat naar zijn oordeel onrechtmatig is verkregen, alsnog uit de processtukken te doen verwijderen. Dat is niet anders als sprake is van het ten onrechte niet vernietigen van verschoningsgerechtigde gegevens. (Vgl. HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3369, rechtsoverweging 3.13.1.)
3.7.3
De verdachte heeft wel de mogelijkheid in de strafzaak het verweer te voeren dat onderzoeksresultaten die door een vormverzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit. De verdachte kan zo’n verweer ook voeren op de grond dat het verschoningsrecht wordt geschonden doordat bij de uitvoering van de bevolen vernietiging niet is voldaan aan het onder 3.4.1 bedoelde vereiste. Als de verdachte zo’n verweer voert en daarbij gemotiveerd aanvoert dat hij door het gebruik van de betreffende onderzoeksresultaten in zijn belangen is of zal worden aangetast, is de strafrechter gehouden op dat verweer te beslissen overeenkomstig artikel 359a Sv. Deze toetsing door de strafrechter vindt mede plaats aan de hand van het hiervoor onder 3.4.2 genoemde proces-verbaal van vernietiging. (Vgl., over de toetsing door de strafrechter van de manier waarop de selectie van gegevens heeft plaatsgevonden, HR 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560, rechtsoverweging 3.4.5.)”
2.4
De rechtbank heeft het klaagschrift dat strekt tot vernietiging van gegevens ongegrond verklaard en heeft daarbij “ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak” aan de officier van justitie de opdracht gegeven toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier. Daarmee heeft de rechtbank miskend dat de wet er niet in voorziet dat de beklagrechter het openbaar ministerie zo’n opdracht geeft. Dat de beklagrechter, zoals onder 2.3.2 is overwogen, op grond van artikel 23 lid 1 Sv het openbaar ministerie het bevel kan geven om verslag te doen van de manier waarop de betreffende vernietiging heeft plaatsgevonden doet daaraan niet af, omdat die bevoegdheid ziet op bevelen met het oog op het onderzoek dat aan de beslissing van de beklagrechter vooraf gaat.Dit alles neemt niet weg dat het, ten behoeve van de voortgang van de zaak, van belang is dat informatie die verband houdt met de manier van vernietiging van geheimhoudersgegevens (of andersoortige gegevens), tijdig door het openbaar ministerie aan het dossier wordt toegevoegd. Artikel 23 lid 1 Sv voorziet echter, zoals hiervoor overwogen, niet in de mogelijkheid dat de beklagrechter op voorhand daartoe een opdracht aan het openbaar ministerie geeft.
2.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank, maar uitsluitend wat betreft de beslissing het openbaar ministerie opdracht te geven toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.
Conclusie 09‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag a.b.i. art. 98 Sv jo. 552a Sv. OM-cassatie. Slagend middel over in dictum gegeven opdracht aan de OvJ om toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier. De wet voorziet niet in een dergelijke opdracht. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking maar enkel voor zover daarin de voornoemde opdracht is gegeven. (Samenhang met 25/01442).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01484 Bv
Zitting 9 december 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klaagster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de klaagster
1. Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 11 februari 2025 (raadkamernummer 24-020469) het op grond van art. 98 Sv in verbinding met art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klaagster, gericht tegen een beslissing van de rechter-commissaris om geheimhoudersinformatie die zich op in beslag genomen databestanden bevindt door ‘uitgrijzen’ ontoegankelijk te maken in plaats van deze te vernietigen, ongegrond verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank de officier van justitie de opdracht gegeven toekomstige logbestanden waarin staat vermeld wie, wanneer en hoe lang toegang had tot welke gegevens (tijdig) toe te voegen aan het dossier.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 25/01442. In deze zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 24 februari 2025 ingesteld door de officier van justitie. [Officier van Justitie] , plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt opgekomen tegen de opdracht van de rechtbank aan de officier van justitie toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het dossier.
1.4
Namens de klaagster hebben A.H.J. Saes en M. te Stroet, beiden advocaat in Amsterdam, een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.
1.5
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover daarin de voornoemde opdracht aan de officier van justitie is gegeven.
2. Het middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat “de [r]echtbank met haar opdracht aan de officier van justitie om toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier, buiten haar bevoegdheid als raadkamer in de onderhavige procedure is getreden en zij daarmee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Indien de [r]echtbank, optredend als raadkamer, deze opdracht wel had mogen geven, is sprake van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing en/of is die beslissing niet zonder meer begrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.”
De procesgang
2.2
Chronologisch is de zaak – voor zover daarvan blijkt uit de in cassatie ter beschikking staande stukken – als volgt verlopen.
2.3
In het kader van een verdenking van valsheid in geschrifte tegen de klaagster hebben in oktober 2020 en juni 2022 ‘actiedagen’ plaatsgevonden bij de klaagster en bij [A] (hierna: [A] , zijnde de klaagster in de samenhangende zaak). In dit kader zijn onder meer door aan accountantskantoren [B] en [C] op grond van art. 126nd Sv gerichte vorderingen tot verstrekking van gegevens digitale gegevensdragers verkregen en in beslag genomen. Bij beslissing als bedoeld in art. 98 Sv van 2 augustus 2024 heeft de rechter-commissaris in het voornoemde onderzoek onder meer bepaald dat de door hem als geheimhoudersinformatie aangemerkte bestanden voor het onderzoeksteam van de FIOD ontoegankelijk moeten worden gemaakt door middel van ‘uitgrijzen’. Tegen deze beslissing zijn namens de klaagster en [A] klaagschriften ingediend die op 16 augustus 2024 bij de griffie van de rechtbank zijn ontvangen. Uit de bestreden beschikking van 11 februari 2025 blijkt dat de procedure daarna als volgt is verlopen:
“De rechtbank heeft het beklag behandeld in besloten raadkamer van 19 november 2024. Bij beslissing van 3 december 2024 heeft de rechtbank het beklag ten aanzien van het item met ID-nummer 4905 ongegrond verklaard en ten aanzien van het uitgrijzen bepaald dat daarmee “kan worden volstaan om te voorkomen dat geheimhouderstukken kenbaar zijn voor de leden van het onderzoeksteam, op voorwaarde dat het uitgrijzen met voldoende en juist vormgegeven waarborgen is omkleed. Ter beoordeling daarvan dient de rechtbank kennis te nemen van het door de rechter-commissaris toegezegde proces-verbaal van de FIOD betreffende het uitgrijzen en de ontoegankelijkheid.” Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek heropend en aangehouden tot 28 januari 2025 om 10:00 uur en bepaald dat voornoemd proces-verbaal uiterlijk op 21 januari 2025 aan de verdediging, de officier van justitie en de rechtbank diende te worden verstrekt.
Op 24 januari 2025 heeft de officier van justitie twee processen-verbaal aan de rechtbank en de verdediging verstrekt. Het betreft een proces-verbaal van bevindingen met nummer GH-AMB-002-07 en een proces-verbaal van bevindingen met nummer GH-AMB-016-01 van 24 januari 2025.
De rechtbank heeft op 28 januari 2025 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaten van [klaagster], mr. A.H.J. Saes en M. te Stroet, en de officier van justitie op zitting gehoord.
De [klaagster] is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.”
2.4
Ten aanzien van het (resterende) beklag luidt de beschikking als volgt:
“Beklag
Na voornoemde procedure en de beslissing van de rechtbank van 3 december 2024 over item met ID-nummer 4905 resteert de beslissing inzake (de waarborgen omtrent) het uitgrijzen van de als vertrouwelijk aangemerkte bestanden.
Namens [klaagster] is aangevoerd dat de door de officier van justitie verspreide processen-verbaal – in weerwil van de beslissing van de rechtbank van 3 december 2024 – te laat zijn verspreid, waardoor controle onnodig moeilijk is gemaakt. Daarnaast geven de ingestuurde processen-verbaal geen inzicht in het proces van het ‘uitgrijzen’, waardoor ook geen inzicht wordt verkregen in de daarmee samenhangende waarborgen. Nu controle door de rechtbank en de verdediging niet mogelijk is, moeten de gegevens worden vernietigd. Daarnaast moet nader onderzoek worden verricht naar de toegang door het onderzoeksteam in de nog niet geschoonde accountantsdataset en door het horen van [verbalisant] , opsteller van het proces-verbaal met nummer GH-AMB-016-01.
Ter zitting is namens [klaagster] verzocht tot aanhouding van de behandeling van het klaagschrift teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nader proces-verbaal op te laten maken over wie en wanneer toegang heeft gekregen tot welke gegevens in de verschillende datasets.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft de verantwoordelijkheid op zich genomen voor de te late verspreiding van de processen-verbaal. Dit maakt echter niet dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard. Uit de processen-verbaal blijkt immers wie toegang had tot de case en of er bestanden zijn bekeken. Daarnaast is er technisch gezien voldoende inzicht in de gehanteerde waarborgen en de waarborgen, zoals die zijn nageleefd, zijn in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad.
Ter zitting heeft de officier van justitie te kennen gegeven bereid te zijn proces-verbaal op te laten maken om inzicht te geven in de inhoudelijke logbestanden, oftewel wie, wanneer toegang had tot welke gegevens en ook voor welke duur.
Beoordeling
De rechtbank herhaalt dat zij enkel nog moet beslissen over de waarborgen met betrekking tot het uitgrijzen van de als vertrouwelijk aangemerkte bestanden.
[In] het door de officier van justitie verstrekte proces-verbaal van 7 januari 2025 (GH-AMB-002-07) wordt de inhoud beschreven van zogeheten ‘audit logs’, bestanden waarin is vastgelegd wanneer, wie, wat heeft gedaan in een bepaalde dataset. Hieruit blijkt dat medewerkers van het onderzoeksteam op verschillende momenten sinds 1 september 2020 toegang hebben gehad tot mogelijk verschoningsgerechtigde gegevens in drie verschillende datasets. In elk geval sinds 2 november 2021 zijn de autorisaties ingetrokken, waarna het onderzoeksteam geen toegang meer heeft gehad tot de bewuste datasets.
In het door de officier van justitie verstrekte proces-verbaal van 24 januari 2025 (GH-AMB-016-01) worden de werkafspraken uiteengezet die zijn gemaakt tussen de rechter-commissaris, het Openbaar Ministerie en (het onderzoeksteam van) de FIOD. Weliswaar wordt niet precies uiteengezet op welke wijze er wordt uitgegrijsd, maar deze procedure, waarbij door het plaatsen van een vinkje verschoningsgerechtigd materiaal ontoegankelijk wordt gemaakt, is bij de raadslieden bekend. Sterker nog, zij zijn actief betrokken geweest bij deze procedure, waarbij zij onder meer zelf zoektermen hebben aangedragen die konden bijdragen aan het opsporen van verschoningsgerechtigd materiaal in de datasets.
Uit de werkafspraken blijkt dat:
- -
de projectleider van de FIOD zorgt voor een versleutelde onderzoeksomgeving en het aanvragen, dan wel intrekken van autorisaties;
- -
leden van het onderzoeksteam geen toegang mogen hebben tot uitgegrijsde gegevens, dan wel
- -
(voormalig) geheimhoudersfunctionarissen geen deel uit kunnen (gaan) maken van het onderzoeksteam;
- -
een forensisch IT-specialist van de FIOD de ontvangen data op de onderzoeksomgeving plaatst en inzichtelijk maakt;
- -
bij het uitvoeren van de vorderingen bij [B] en [C] potentiële geheimhoudersstukken op een separate gegevensdrager worden verstrekt en dat deze gegevensdrager(s) is/zijn beveiligd met een aan een geheimhoudersfunctionaris te verstrekken wachtwoord;
- -
het onderzoeksteam aanvankelijk was geautoriseerd voor de overige data van [B] en [C] (de niet-geheimhoudersstukken), maar dat deze autorisaties op of omstreeks 2 november 2021 zijn vervallen. Vanaf dat moment geldt dat autorisatie voor het onderzoeksteam met betrekking tot data van [B] , [C] en [A] alleen mag worden verleend door de rechter-commissaris;
- -
niet-uitgegrijsde gegevens slechts na toestemming van de officier van justitie ter beschikking worden gesteld aan het onderzoeksteam;
- -
uitgegrijsde gegevens slechts na toestemming van de rechter-commissaris ter beschikking worden gesteld aan het onderzoeksteam.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle voornoemde elementen de procedure rondom het uitgrijzen van verschoningsgerechtigd materiaal zowel technisch, als juridisch met voldoende waarborgen is omgeven. Het komt er op neer dat het onderzoeksteam alleen toegang kan krijgen tot verschoningsgerechtigd materiaal met toestemming van de rechtercommissaris. De rechtbank zal het beklag dan ook ongegrond verklaren.
De officier van justitie heeft reeds te kennen gegeven de inhoudelijke logbestanden te delen met de advocaten. De rechtbank zal de officier van justitie daarnaast opdracht geven de toekomstige inhoudelijke logbestanden toe te voegen aan het procesdossier ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
De rechtbank geeft de officier van justitie opdracht toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier.”
De bespreking van het middel
2.5
Het middel richt zich tegen de opdracht van de rechtbank aan de officier van justitie om toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier. Zoals de steller van het middel in de toelichting daarop terecht opmerkt, kan de beklagprocedure als bedoeld in art. 552a Sv gelet op de tekst van de wet slechts resulteren in een viertal beslissingen, te weten:
i) dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van het beklag kennis te nemen;
ii) dat de rechtbank de klager niet-ontvankelijk verklaart in het beklag;
iii) dat de rechtbank het beklag ongegrond verklaart;
iv) dat de rechtbank het beklag gegrond verklaart en een daarmee overeenkomende last geeft.1.
2.6
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank het beklag ongegrond verklaard. Dat is een beslissing als genoemd onder iii. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om naast deze beslissing de officier van justitie op te dragen toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier. Een dergelijke met het oog op de inhoudelijke behandeling van de strafzaak genomen regiebeslissing behoort niet tot het domein van de beklagrechter.2.
De schriftuur houdende tegenspraak
2.7
In de schriftuur houdende tegenspraak wordt in de eerste plaats gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep in cassatie bij gebrek aan voldoende belang. De rechtbank heeft, aldus de stellers van de schriftuur, het beklag van de klaagster tegen de beslissingen van de rechter-commissaris immers ongegrond verklaard en daarmee heeft “het Openbaar Ministerie de beschikking [gekregen] over de gegevens waarover het wenste te kunnen beschikken”. Dat moge zo zijn, maar in deze benadering wordt wel miskend dat de rechtbank het niet bij de ongegrondverklaring van het beklag heeft gelaten. Zij heeft de officier van justitie daarnaast een concrete opdracht gegeven waarvoor volgens de officier van justitie geen wettelijke grondslag bestaat. Ik zie niet in waarom de officier van justitie er geen belang bij zou hebben om de rechtmatigheid van een dergelijke opdracht die primair hem regardeert in cassatie aan de orde te stellen. Die opdracht maakt immers deel uit van ‘het dictum’ van een beschikking waartegen het Openbaar Ministerie op grond van art. 552d lid 2 Sv beroep in kan cassatie instellen.
2.8
In de tweede plaats wordt in de schriftuur houdende tegenspraak gesteld dat de opdracht aan de officier van justitie onderdeel uitmaakt van het door de rechtbank gegeven oordeel over de vraag of in de onderhavige zaak voldoende is gewaarborgd dat geheimhoudersinformatie niet bij het onderzoeksteam terecht kan komen. Die opvatting berust naar mijn mening op een verkeerde lezing van de beschikking. De rechtbank heeft daarin immers overwogen dat met het uitgrijzen van geheimhoudersinformatie kan worden volstaan, mits dat uitgrijzen “met voldoende en juist vormgegeven waarborgen is omkleed.” Om dat te kunnen beoordelen heeft de rechtbank op 3 december 2024 de beslissing op het klaagschrift aangehouden in afwachting van de inhoud “van het door de rechter-commissaris toegezegde proces-verbaal van de FIOD betreffende het uitgrijzen en de ontoegankelijkheid”. Vervolgens heeft de officier van justitie op 24 januari 2025 een tweetal processen-verbaal aangeleverd over respectievelijk de ‘audit logs’ en over de werkafspraken die zijn gemaakt over het uitgrijzen. Uit de beschikking van 11 februari 2025 blijkt dat de rechtbank mede op basis van de inhoud van deze processen-verbaal heeft geoordeeld dat
“de procedure rondom het uitgrijzen van verschoningsgerechtigd materiaal zowel technisch, als juridisch met voldoende waarborgen is omgeven. Het komt er op neer dat het onderzoeksteam alleen toegang kan krijgen tot verschoningsgerechtigd materiaal met toestemming van de rechtercommissaris. De rechtbank zal het beklag dan ook ongegrond verklaren.”
Daarmee is het oordeel geveld: de rechtbank acht voldoende gewaarborgd dat geheimhoudersinformatie niet bij het onderzoeksteam terecht kan komen. Wat de rechtbank daarna nog overweegt, doet aan dit oordeel niet meer af. Anders dan in de schriftuur houdende tegenspraak wordt betoogd, maakt de aan de officier van justitie gegeven opdracht geen onderdeel uit van dit oordeel. Daarmee is er ook geen reden voor honorering van het subsidiair geformuleerde verzoek tot terugwijzing in het geval de Hoge Raad mocht oordelen dat de opdracht aan de officier van justitie niet had mogen worden gegeven. Het één (de ongegrondverklaring van het beklag) staat immers los van het ander (de aan de officier van justitie voor de toekomst geven opdracht).
2.9
Kortom: de schriftuur houdende tegenspraak leidt bij mij niet tot een andere beoordeling van de zaak.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, maar enkel voor zover daarin aan de officier van justitie de opdracht is gegeven om toekomstige logbestanden (tijdig) aan het dossier toe te voegen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑12‑2025
Zie voor andere voorbeelden van gevallen waarin de Hoge Raad casseerde omdat hij werd geconfronteerd met beschikkingen bevattende beslissingen waarin de wet niet voorziet recentelijk nog HR 2 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1717, rov. 2.4 en daarvoor HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:471, NJ 2023/165, rov. 2.4, HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1573, NJ 2021/358, rov. 2.7 en HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1692, NJ 2019/455, rov. 3.1-3.2.
Beroepschrift 02‑07‑2025
Hoge Raad der Nederlanden
Zaaknummers 25/01442
Bv en 25/01484 Bv 2 juli 2025
inzake
beslissingen van de raadkamer van de Rechtbank Amsterdam van 11 februari 2025 (raadkamernummers 24-020471 en 24-020469)
1. Inleiding
1.1
Namens cliënten, [klaagster], statutair gevestigd aan de [adres] ([postcode]) te [vestigingsplaats] (Duitsland) ([A]’, zaaknummer 25/01442 Bv) en [B] B.V., statutair gevestigd aan het Takenhofplein 3 (6538 SZ) te Nijmegen (‘[B]’, zaaknummer 25/01484 Bv), wensen ondergetekenden het cassatieberoep tegen te spreken dat het Openbaar Ministerie op 24 februari 2025 heeft ingesteld tegen de beslissingen van de Rechtbank Amsterdam van 11 februari 2025 (raadkamernummers 24-020471 en 24-020469). De advocaat-generaal heeft op 2 juni 2025 een in beide zaken gelijkluidende cassatieschriftuur ingediend.
1.2
Met de bestreden beslissingen heeft de rechtbank het namens cliënten ingediende beklag ongegrond verklaard en de oorspronkelijke beslissingen van de rechter-commissaris van 2 augustus 2024 in stand gelaten. Op grond van die beslissingen van de rechter-commissaris mogen bepaalde gegevens, conform de wens van de officier van justitie, worden vrijgegeven aan het onderzoeksteam van de FIOD. Wel heeft de rechtbank de officier van justitie de opdracht gegeven om toekomstige zogenoemde logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier in het strafrechtelijk onderzoek tegen [B] (parketnummer 81-074616-22, ‘onderzoek Black Sphere’).
1.3
Deze logbestanden zijn (geautomatiseerde) vastleggingen waaruit blijkt of gegevens die niet mogen worden vrijgegeven aan het onderzoeksteam, maar wel onderdeel zijn en blijven van de inbeslaggenomen dataset-zij het in ‘uitgegrijsde’ vorm-(toch) worden ingezien en, zo ja, wanneer en door welke personen. Aan de hand van deze logbestanden kan worden nagegaan of bedoelde gegevens niet worden geraadpleegd door personen die op enigerlei wijze bij het strafrechtelijk onderzoek betrokken zijn.
1.4
Het Openbaar Ministerie meent dat de rechtbank deze opdracht niet had mogen geven. In deze schriftuur lichten wij namens [A] en [A] toe dat zij dat anders zien en menen dat de bestreden beslissingen in stand kunnen blijven. Subsidiair, wanneer uw edelgrootachtbaar college meent dat de bestreden beslissingen niet in stand zouden kunnen blijven, verzoeken cliënten u om de beschikking van de rechtbank in haar geheel te vernietigen, en te bepalen dat de stukken ter verdere behandeling en afdoening zullen worden gezonden naar de Rechtbank Amsterdam.
2. Ontvankelijkheid: geen belang bij behandeling cassatieberoep
2.1
Het Openbaar Ministerie heeft geen belang bij behandeling van het cassatieberoep nu de rechtbank het beklag ongegrond heeft verklaard. De opdracht die de rechtbank aan de officier van justitie heeft gegeven maakt dat niet anders. Niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a, eerste lid, van de Wet RO ligt in de rede.
2.2
Nu de rechtbank met de bestreden beslissingen het namens cliënten ingestelde beklag ongegrond heeft verklaard en de beslissingen van de rechter-commissaris in stand heeft gelaten, krijgt het Openbaar Ministerie de beschikking over de gegevens waarover het wenste te kunnen beschikken. Het Openbaar Ministerie heeft bij de behandeling van het onderhavige cassatieberoep dan ook onvoldoende belang.
2.3
Het oordeel van de rechtbank dat met de door het Openbaar Ministerie gehanteerde methode van ‘uitgrijzen’ kan worden volstaan, mitsdien dit met voldoende en juist vormgegeven waarborgen is omkleed, volgt rechtstreeks uit rechtspraak van de Hoge Raad. Een van de waarborgen die de rechtbank hierbij van belang heeft geacht, is het delen van de logbestanden, ook de toekomstige. De opdracht die de rechtbank aan de officier van justitie heeft gegeven is niets meer dan een instructie om het recht in acht te nemen en de enige daarvoor geschikte werkwijze te volgen. De opdracht dient ertoe dat de zittingsrechter te zijner tijd in staat is te beoordelen of is voldaan aan het door de Hoge Raad geformuleerde vereiste dat de te vernietigen gegevens ‘niet meer kenbaar zijn’, en wel zodanig ‘dat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen’.1. Daarvoor zijn vastleggingen vereist met betrekking tot ‘de manier waarop is gewaarborgd dat personen die op enigerlei wijze bij het onderzoek betrokken (zullen) zijn op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot de betreffende gegevens’.2. Voor zover daarbij gebruik wordt gemaakt van ‘technische voorzieningen’, heeft de Hoge Raad in dit verband eerder gewezen op de mogelijkheid van ‘geautomatiseerde registratie waarbij wordt bijgehouden welke handelingen binnen het systeem hebben plaatsgevonden en door wie deze zijn verricht’.3.
2.4
Kennelijk is het met de software die wordt gebruikt om gegevens ‘uit te grijzen’ niet mogelijk om geheel uit te sluiten dat ‘uitgegrijsde’ gegevens tóch worden geraadpleegd. Dat betekent dat aanvullende waarborgen (c.q. werkafspraken) noodzakelijk zijn om te garanderen dat dat niet gebeurt.4. De zittingsrechter moet vervolgens in staat worden gesteld achteraf na te gaan dat die aanvullende waarborgen ook daadwerkelijk in acht zijn genomen. Gezien de werking (en beperkingen) van de gebruikte technische voorzieningen, valt niet in te zien hoe dat anders zou kunnen dan door de hierboven bedoelde ‘geautomatiseerde registratie’, en de zittingsrechter daarin inzage te geven.5. Voor dat laatste is de veiligstelling van de logbestanden die het product zijn van die registratie weer noodzakelijk. De voeging van die logbestanden in het procesdossier is de aangewezen manier om dat te doen.
2.5
Het spreekt voor zich dat die verplichting hoe dan ook op de officier van justitie rust, ongeacht de opdracht van de rechtbank. De uitkomst van deze cassatieprocedure zal zodoende geen enkel gevolg hebben voor de positie en verplichtingen van rekwirant, noch in het onderzoek Black Sphere, noch in het algemeen. Rekwirant heeft bij de behandeling van het ingestelde cassatieberoep ook in zoverre geen belang.
2.6
In het licht van het voorgaande ligt niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a, eerste lid, van de Wet RO in de rede.
3. Het cassatiemiddel is onterecht voorgesteld
3.1
In de toelichting bij het voorgestelde cassatiemiddel betoogt het Openbaar Ministerie dat de rechtbank niet bevoegd was de officier van justitie de opdracht te geven toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier. Dit standpunt is onjuist. Het miskent de aard van de klaagschriftprocedure van artikel 552a jo. artikel 98 Sv en bovendien het debat dat is gevoerd.
3.2
Het doel van de klaagschriftprocedure is immers te verzekeren dat het verschoningsrecht, een grondbeginsel in de rechtstaat, wordt gerespecteerd. Wanneer zich bij de filtering van geheimhoudersinformatie door de rechter-commissaris onvolkomenheden hebben voorgedaan en daartegen met een klaagschrift a.b.i. artikel 552a jo. artikel 98 Sv wordt opgekomen, is het de taak van de rechtbank te doen wat de rechter-commissaris had moeten doen.6.
3.3
Die taak omvat ‘al wat nodig is om inbreuken op het verschoningsrecht zoveel mogelijk te voorkomen’.7. Waar het gaat om de filtering van digitale gegevens, zoals in deze zaak, moet de rechter-commissaris zorgdragen voor bewerking van die gegevens (c.q. van de digitale voorziening waarmee die gegevens worden ontsloten) zodat deze ‘niet meer kenbaar zijn’ en ‘is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen’.8.
3.4
De rechtbank is in dit verband bevoegd de officier van justitie te bevelen nadere maatregelen te treffen waarmee wordt verzekerd dat aan de hierboven aangehaalde maatstaf wordt voldaan en gegevens naar behoren worden en blijven ‘uitgegrijsd’.9. De omschrijving die de advocaat-generaal in zijn schriftuur (punt 4) geeft van de rol van de beklagrechter, is dus te beperkt.
3.5
De rechtbank heeft zich in casu ook moeten uitlaten over de noodzaak van toekomstige vastleggingen. Dat geldt temeer nu het gebruik van logbestanden eerder door de Hoge Raad is benoemd als voor de hand liggende waarborg om te verzekeren dat geheimhoudersinformatie niet toch wordt geraadpleegd (zie randnummer 2.3). Dat is een rechtstreeks gevolg van de werking van de gebruikte technische voorzieningen. Daadwerkelijke vernietiging van gegevens is kennelijk technisch onmogelijk. ‘Uitgrijzen’ is daardoor in wezen een voortdurend proces: er moet worden verzekerd dat alle relevante waarborgen steeds in acht blijven worden genomen en dat de ontoegankelijk gemaakte gegevens ook in de toekomst ontoegankelijk blijven. Anders dan de advocaat-generaal in zijn schriftuur betoogt (punt 4), staat de opdracht die de rechtbank aan de officier van justitie heeft gegeven daarom niet los van de klaagschriften waarover de rechtbank had te oordelen. Die opdracht ziet op (de beperkingen van) ‘uitgrijzen’ als werkwijze en hetgeen daarover bij de behandeling van de klaagschriften aan de orde is gesteld. Dat de rechtbank ‘over haar graf geregeerd’ zou hebben, is dan ook onjuist.
3.6
Omdat ‘uitgrijzen’ een voortdurend proces is, kan de toezegging die de officier van justitie bij de behandeling van de klaagschriften op 28 januari 2025 heeft gedaan ‘inzicht [te zullen] geven in de inhoudelijke logbestanden, oftewel wie, wanneer toegang had tot welke gegevens en ook voor welke duur’ bovendien bezwaarlijk anders worden begrepen dan dat deze mede zag op toekomstige logbestanden.10.
3.7
Er is evenmin sprake van een verrassingsbeslissing. Met de stelling dat dat wel het geval zou zijn, gaat het Openbaar Ministerie niet alleen voorbij aan de aard van de opdracht die de rechtbank aan de officier van justitie heeft gegeven (zie randnummers 2.3-2.5), maar ook aan hetgeen in de aanloop naar de bestreden beslissingen is gewisseld tussen partijen en de rechtbank. Zo is bij de behandeling van de klaagschriften uitgebreid aan de orde geweest dat zich in het onderzoek Black Sphere onvolkomenheden hebben voorgedaan ten aanzien van de omgang met (mogelijk) verschoningsgerechtigd materiaal en wie er (mogelijk) toegang hebben gehad tot de ‘uitgegrijsde’ data.11.
3.8
De methode van ‘uitgrijzen’ (en de bijbehorende waarborgen) is altijd onderdeel geweest van het klaagschrift en het gevoerde debat in raadkamer. Dit blijkt ook uit de tussenbeslissing die in deze zaak is gewezen op 3 december 2024 waarin de rechtbank een vergelijkbare opdracht aan de officier van justitie heeft gegeven.12. In deze tussenbeslissing is het beklag tegen het beslag van het document met 1D4905 afgewezen en besliste de rechtbank daarnaast dat met de methode van ‘uitgrijzen’ kon worden volstaan, op voorwaarde dat het ‘uitgrijzen’ met voldoende en juist vormgegeven waarborgen zou worden omkleed. Vanaf die tussenbeslissing was het enige onderwerp van debat nog de waarborgen die gesteld moesten worden aan het ‘uitgrijzen’. De verdediging heeft namens cliënten aangedrongen op aanvullende waarborgen tegen nieuwe schendingen van het verschoningsrecht en de officier van justitie heeft zelf tijdens de behandeling in raadkamer voorgesteld informatie en logbestanden te delen om controle mogelijk te maken. Dat de rechtbank vervolgens in haar eindbeslissing iets over deze waarborgen opneemt, namelijk de gedane toezegging van de officier van justitie om de inhoudelijke logbestanden tot heden te delen om controle mogelijk te maken,13. en daarnaast de opdracht om dit te blijven doen door de logbestanden in de toekomst te delen, om zodoende de zittingsrechter in staat te stellen te controleren of aan de gestelde waarborgen wordt voldaan, kan onmogelijk als een verassing zijn gekomen.
3.9
Met haar opdracht aan de officier van justitie heeft de rechtbank tegemoet willen komen aan de namens cliënten naar voren gebrachte zorgen. Het belang van deze opdracht wordt onderstreept door het gegeven dat er -anders dan het Openbaar Ministerie in de cassatieschriftuur lijkt te stellen (punt 2 en punt 3)-nog niet volledig is voldaan aan de eigen toezegging van de officier van justitie om informatie te delen over wie in het verleden toegang heeft gehad tot de gegevens.14. Met haar opdracht heeft de rechtbank kennelijk beoogd recht te doen aan alle bij de behandeling van de klaagschriften aan de orde gestelde belangen. Dit is ook in het licht van de onvolkomenheden die zich eerder in het onderzoek Black Sphere hebben voorgedaan ten aanzien van de omgang met (mogelijk) verschoningsgerechtigd materiaal en hetgeen in randnummers 2.3-2.5 uiteen is gezet geenszins onbegrijpelijk.
3.10
Een beslissing van de rechtbank over een inhoudelijk (geschil)punt komt vanzelfsprekend niet in strijd met de beginselen van een goede procesorde-laat staan met het recht op een eerlijk proces van cliënten-, enkel omdat die beslissing niet overeenkomt met het kennelijke standpunt van het Openbaar Ministerie. Ook valt niet in te zien dat aan die beslissing een debat vooraf had moeten gaan over de uitvoerbaarheid van de gegeven opdracht, nu deze rechtstreeks in het verlengde ligt van een eerder door de Hoge Raad expliciet benoemde waarborg en de officier van justitie bij de behandeling in raadkamer al had aangegeven dat het mogelijk was om inzage te bieden in de logbestanden.
3.11
Het cassatiemiddel is zodoende onterecht voorgesteld.
4. Subsidiair: verzoek tot terugwijzen
4.1
De opdracht die de rechtbank aan de officier van justitie heeft gegeven kan niet los worden gezien van de rest van de bestreden beslissingen. Die beslissingen kunnen-mede in het licht van wat in raadkamer tussen partijen is gewisseld-niet anders worden begrepen dan dat de rechtbank van oordeel is dat voldoende is gewaarborgd dat geheimhoudersinformatie niet bij het onderzoeksteam terecht kan komen, mits de officier van justitie toekomstige logbestanden (tijdig) toevoegt aan het procesdossier. Zou de officier van justitie geen gevolg hoeven te geven aan de opdracht van de rechtbank, dan wordt een gat geslagen in het geheel van waarborgen dat de rechtbank voor ogen heeft gestaan. De rechtbank moet in dat geval in staat worden gesteld te beoordelen of de resterende waarborgen voldoende zijn, of dat (andere) nadere maatregelen vereist zijn.
4.2
Om dezen reden verzoeken cliënten uw edelgrootachtbaar college, voor het geval dat de bestreden beslissingen niet in stand zouden kunnen blijven, deze te vernietigen niet slechts voor zover het betreft de door de rechtbank aan de officier van justitie gegeven opdracht om toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier, maar in haar geheel, en te bepalen dat de stukken ter verdere behandeling en afdoening zullen worden gezonden naar de Rechtbank Amsterdam.
Ondertekening
Deze schriftuur wordt ingediend door mr. A.H.J. Saes en mr. M. te Stroet, advocaten te Amsterdam, die verklaren daartoe door [B] en [B] bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
Amsterdam, 2 juli 2025
Ivy Advocaten
mr. A.H.J. Saes
mr. M. te Stroet
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑07‑2025
Vgl. Hoge Raad 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, r.o. 6.7.1.
Vgl. Hoge Raad 12 maart 2024, ECLl:NL:HR:2024:375, r.o. 6.7.2.
Vgl. Hoge Raad 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, r.o. 6.7.2.
Zie ook het door het Openbaar Ministerie ten behoeve van de raadkamerbehandeling ingenomen schriftelijke standpunt van 12 november 2024 (bijgevoegd als bijlage 1), p. 3, onder ‘Waarborgen’.
Vgl. Hoge Raad 15 april 2024, ECLI:NL:HR:2025:578, r.o. 3.4.2-3.4.3.
Vgl. concl. A-G Harteveld 14 januari 2025, ECLl:NL:PHR:2025:40, punt 4.6.
Vgl. Hoge Raad 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, r.o. 6.5.1.
Hoge Raad 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578, r.o. 3.4.1.
Hoge Raad 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578, r.o. 3.5.3.
Proces-verbaal van 11 februari 2025 van de raadkamerzitting van 28 januari 2025 (raadkamernummer 24-020471, p. 2–3).
Zie de toelichting op de klaagschriften van 15 november 2024, paragraaf 2, de bij de behandeling van de klaagschriften op 19 november 2024 overgelegde pleitnotities, randnummer 3.7, en de bij de voortgezette behandeling op 28 januari 2025 overgelegde pleitnotities, paragraaf 4. De pleitnotities zijn bijgevoegd als bijlage 2.
Tussenbeslissing Rechtbank Amsterdam d.d. 3 december 2024, raadkamernummer 24-020469, ‘Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in onderhavige zaak met uitgrijzen kan worden volstaan om te voorkomen dat geheimhouderstukken kenbaar zijn voor de leden van het onderzoeksteam, op voorwaarden dat het uitgrijzen met voldoende en juist vormgegeven waarborgen is omkleed. Ter beoordeling daarvan dient de rechtbank kennis te nemen van het door de rechter-commissaris toegezegde proces-verbaal van de FIOD betreffende het uitgrijzen en de ontoegankelijkheid.’ Bijgevoegd als bijlage 3.
De rechtbank neemt dit in de eindbeslissing tweemaal op: ‘Ter zitting heeft de officier van justitie te kennen gegeven bereid te zijn proces-verbaal op te laten maken om inzicht te geven in de inhoudelijke logbestanden, oftewel wie, wanneer toegang had tot welke gegevens en ook voor welke duur’ en ‘De officier van justitie heeft reeds te kennen gegeven de inhoudelijke logbestanden te delen met de advocaten’: Eindbeslissing Rechtbank Amsterdam d.d. 11 februari 2025, raadkamernummer 24-020469, p. 2 en 4.
Op 18 februari 2025 heeft de verdediging desgevraagd een aanvullend proces-verbaal d.d. 4 februari 2025 van de FIOD ontvangen (de e-mailcorrespondentie en het aanvullende proces-verbaal zijn bijgevoegd als bijlage 4). Echter, hierin staat de duur van het inloggen niet opgenomen. Daarnaast zijn de inhoudelijke logbestanden nog altijd niet ontvangen. De verdediging heeft de rechter-commissaris verzocht regie te voeren, maar de rechter-commissaris verwees naar de cassatieprocedure waar de naar voren gebrachte onderdelen volgens hem onderwerp van discussie zijn (e-mailcorrespondentie en brief bijgevoegd als bijlage 5).
Beroepschrift 02‑06‑2025
CASSATIESCHRIFTUUR
Raadkamernummer: 24-020469
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
[klaagster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
ongegrond heeft verklaard en daarbij aan de officier van justitie opdracht heeft gegeven toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier.1.
Rekwirant kan zich met dit oordeel niet verenigen waar het gaat om de door de Rechtbank gegeven opdracht en stelt daarom het hierna volgende middel van cassatie voor.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 RO, meer in het bijzonder schending van art. 24 en/of art. 98 en of art. 552a Sv, aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht, de Rechtbank met haar opdracht aan de officier van justitie om toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier, buiten haar bevoegdheid als raadkamer in de onderhavige procedure is getreden en zij daarmee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Indien de Rechtbank, optredend als raadkamer, deze opdracht wel had mogen geven, is sprake van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing en/of is die beslissing niet zonder meer begrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
Toelichting
1.
Bij beschikking van 11 februari 2025 heeft de meervoudige raadkamer van de Rechtbank Amsterdam het klaagschrift van klaagster, dat was gericht tegen de inbeslagneming van een computerbestand waarin zich ook geheimhoudersinformatie bevond, ongegrond verklaard, aangezien de procedure rondom het uitgrijzen van verschoningsgerechtigd materiaal volgens de Rechtbank zowel technisch als juridisch met voldoende waarborgen is omgeven. Daardoor is, aldus de Rechtbank, verzekerd dat het onderzoeksteam alleen toegang kan krijgen tot het verschoningsgerechtigd materiaal met toestemming van de rechter-commissaris.
2.
Blijkens het proces-verbaal van de zitting in raadkamer heeft de officier van justitie aldaar toegezegd bereid te zijn proces-verbaal op te laten maken om inzicht te geven in de inhoudelijke logbestanden, oftewel wie, wanneer toegang had tot welke gegevens en ook voor welke duur. Nog los van de vraag of dit inderdaad in deze omvang en in deze bewoordingen was toegezegd, het betrof hier informatie over wie in het verleden toegang heeft gehad tot die gegevens. Het daaromtrent op 4 februari 2025 door de FIOD opgemaakte proces-verbaal van bevindingen is door de officier van justitie op 18 februari 2025 aan de raadslieden van klaagster ter beschikking gesteld.
3.
In haar beschikking van 11 februari 2025 heeft de Rechtbank herhaald dat de officier van justitie te kennen heeft gegeven de inhoudelijke logbestanden, die derhalve zagen op het verleden, te delen met de advocaten. In de bestreden beschikking heeft de Rechtbank tevens aan de officier van justitie opdracht gegeven om toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier.
4.
Onder een beschikking als bedoeld in art. 552a Sv, waaronder ook wordt begrepen een beschikking waarin de beklagrechter het beklag dat zich richt tegen de door de rechter-commissaris op grond van art. 98 lid 3 Sv gegeven beslissing gegrond of ongegrond heeft verklaard, moet worden verstaan een beschikking waarin de beklagrechter zich onbevoegd heeft verklaard tot kennisneming van het (inleidend) klaagschrift, de klager niet-ontvankelijk heeft verklaard in het (inleidend) klaagschrift, het beklag als bedoeld in art. 552a Sv ongegrond heeft verklaard of dit beklag gegrond heeft verklaard en de daarmee overeenkomende last heeft gegeven als in die bepaling bedoeld (vgl. HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:760, NJ 2023/236, r.o. 3.2.2). Dit brengt mee dat de beklagrechter in een procedure als de onderhavige ook slechts i) zich onbevoegd kan verklaren, ii) de klager niet-ontvankelijk kan verklaren, iii) het beklag ongegrond kan verklaren of iv) het beklag gegrond kan verklaren met het geven van de daarmee overeenkomende last. Gelet hierop stond het de Rechtbank niet vrij om, nadat zij het beklag ongegrond had verklaard, de officier van justitie opdracht te geven om toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier. Dit betreft immers een opdracht die los staat van het klaagschrift waarover de Rechtbank had te beslissen en ook heeft beslist. Met de beslissing dat het klaagschrift ongegrond is hield de bemoeienis van de raadkamer bij deze zaak op. Door de opdracht te geven om toekomstige logbestanden aan het dossier toe te voegen heeft de Rechtbank ‘over haar graf geregeerd’ en een opdracht gegeven waartoe zij als raadkamer in deze procedure niet bevoegd was.
5.
Gelet op het voorgaande is de Rechtbank met haar opdracht aan de officier van justitie om toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier, buiten haar bevoegdheid als raadkamer in de onderhavige procedure getreden en heeft zij daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Derhalve kan de bestreden beschikking voor zover daarin aan de officier van justitie die opdracht is gegeven niet in stand blijven.
6.
Indien de Hoge Raad, ondanks hetgeen hiervoor is betoogd, van oordeel mocht zijn dat de raadkamer van de Rechtbank in een procedure als de onderhavige in zijn algemeenheid een dergelijke opdracht, die gericht is op de toekomst, wel zou mogen geven, is van belang dat de mogelijkheid dat de Rechtbank bij eindbeschikking een dergelijke opdracht zou kunnen geven niet is besproken ter zitting in raadkamer en de officier van justitie dan ook niet in de gelegenheid is gesteld om zich hierover uit te laten, bijvoorbeeld omtrent de vraag of het (technisch en/of juridisch) mogelijk is voor het openbaar ministerie om aan een dergelijke opdracht te voldoen. Onder die omstandigheden stond het de Rechtbank niet vrij om bij eindbeschikking een dergelijke opdracht te geven zonder dat zij de partijen in de gelegenheid heeft gesteld zich daarover uit te laten. Door noch de officier van justitie als degene tot wie deze opdracht gericht zou zijn, noch de verdediging de gelegenheid te geven zich hierover uit te laten is immers sprake van een beslissing die zodanig nieuw is dat partijen, en in het bijzonder het openbaar ministerie, daarmee geen rekening behoefde te houden en levert zulks een ontoelaatbare verrassingsbeslissing op. Dit levert ten aanzien van de verdediging strijd op met de in art. 6 EVRM belichaamde beginselen van een eerlijk proces (vgl. HR 26 september 2017, ECLI:NL:2017:2475, NJ 2018/132, r.o. 2.4.2). In een geval als het onderhavige, waarin het openbaar ministerie met een dergelijke beslissing wordt verrast, levert dit ten aanzien van het openbaar ministerie strijd op met beginselen van een behoorlijke procesorde. Ook om die reden kan de door de Rechtbank gegeven opdracht niet in stand blijven, dan wel is deze opdracht niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
Overigens valt in dit kader ook niet in te zien wat het belang zou kunnen zijn van een dergelijke opdracht, nu de Rechtbank in haar beschikking heeft vastgesteld dat de uitgegrijsde (lees: geheimhouders-) gegevens slechts na toestemming van de rechter-commissaris ter beschikking kunnen worden gesteld aan het onderzoeksteam. Bij die stand van zaken zou uit toekomstige logbestanden niet anders kunnen volgen dan dat leden van het onderzoeksteam geen toegang hebben gehad tot die gegevens, tenzij na toestemming van de rechter-commissaris.
7.
Hoewel rekwirant zich kan vinden in de beslissing van de Rechtbank dat het klaagschrift ongegrond is, is het belang bij het onderhavige cassatieberoep gelegen in het krijgen van duidelijkheid dat het openbaar ministerie niet gehouden is te voldoen aan deze door de raadkamer gegeven opdracht. Zou het openbaar ministerie immers niet aan die opdracht voldoen omdat die opdracht onbevoegd is gegeven zonder dat dit in rechte door de Hoge Raad zou zijn vastgesteld, dan zou het openbaar ministerie dit tijdens het verdere verloop van de onderliggende strafzaak, naar de mening van rekwirant overigens ten onrechte, tegengeworpen kunnen krijgen, met alle eventuele (strafprocessuele) gevolgen van dien.
Indien het middel doel treft, zal de bestreden beslissing van de raadkamer van de Rechtbank Amsterdam van 11 februari 2025 niet in stand kunnen blijven, voor zover het betreft de door de Rechtbank aan de officier van justitie gegeven opdracht om toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook deze uitspraak in zoverre te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 2 juni 2025
mr H.H.J. Knol
plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑06‑2025
De onderhavige zaak hangt samen met de zaak van klaagster [klaagster], HR-nummer 25/01442 Bv, waarin heden ook een schriftuur is ingediend.