De geschillenregeling ten gronde
Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.5.5.a:VII.5.5.a Inleiding
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.5.5.a
VII.5.5.a Inleiding
Documentgegevens:
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS374910:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Er zijn elf voorwaarden die een rol spelen bij de analoge toepassing van de geschillenregeling in kort geding. Zij zijn onder meer te destilleren uit de besproken jurisprudentie. Ik categoriseer de voorwaarden of 'toetsstenen' in twee groepen.
De eerste categorie houdt verband met de aard van de kort gedingprocedure. Zo zijn de drie eisen van art. 254 Rv voorwaarden waaraan de vordering getoetst moet worden. Ook art. 256 Rv behelst een criterium dat in dit verband een rol speelt. In totaal zijn er vier voorwaarden die verband houden met het feit dat het om een kort gedingvordering gaat. De tweede categorie ziet op enkele voorwaarden uit de geschillenregeling. De voorzieningenrechter zal bijvoorbeeld controleren of niet een contractuele of statutaire regeling voorhanden is. Is dit het geval, dan brengt de regel van art. 2:337 BW mee dat in beginsel deze eigen geschilbeslechtende route gevolgd wordt. Uiteraard kunnen de (zeer uitzonderlijke) omstandigheden nopen tot het buiten toepassing laten van art. 2:337 BW.