Sturen met proceskosten
Einde inhoudsopgave
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/9.2.1:9.2.1 Allocatiecriteria ten aanzien van gedrag
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/9.2.1
9.2.1 Allocatiecriteria ten aanzien van gedrag
Documentgegevens:
mr. P. Sluijter, datum 31-10-2011
- Datum
31-10-2011
- Auteur
mr. P. Sluijter
- JCDI
JCDI:ADS595528:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de definitie van onnodig vertragend en/of kostenverhogend procesgedrag (§ 3.2) en de daarna geformuleerde en aan rechters voorgelegde lijst van gedragingen (hoofdstukken 3 en 5) heb ik een overzicht kunnen schetsen van gedragingen die volgens de literatuur en (een deel van) de geïnterviewde rechters verstorend zijn. Daaruit volgt echter niet direct in normatieve zin aan welke gedragingen en met welke mate van scherpte de regelgever concrete criteria en kostenconsequenties moet koppelen.
Zo werd het met hagel schieten of een vage mist optrekken van kansloze stellingen en verweren door veel geïnterviewde rechters als verstorend ervaren, maar toen ik later de interviewresultaten in een bijeenkomst met Bredase rechters besprak, ontstond op dit punt een stevige discussie. Sommigen vonden het verpakken van een sterk punt tussen meerdere kansloze punten een geoorloofde slimme tactiek, terwijl anderen het wel verstorend vonden en graag consequenties zouden willen verbinden aan kansloze stellingen en verweren, of zelfs aan te lange en/of ongestructureerde processtukken. Een concreet criterium voor toerekening van kosten aan kansloze punten volgt dus niet uit mijn onderzoek; daar ligt een nadere taak voor rechtswetenschappers en regelgevers.
Enkele aanknopingspunten voor de hoogte van de kostenconsequenties en de (formulering van) gedragingen die daarvoor in aanmerking komen volgen wel uit dit onderzoek:
Late stellingen, feiten en bewijsstukken werden door rechters vaak in de top 3 van overlastgevende gedragingen gezet, evenals kansloze stellingen en verweren, verstorend zittingsgedrag (onvoorbereid/niet-verschijnen) en overbodige processuele verrichtingen.1
In de huidige situatie passen rechters de nodelozekostenregeling volgens door hen genoemde voorbeelden vooral toe bij het niet verschijnen ter zitting, bij overbodige of premature processen, bij summiere dagvaardingen die een extra ronde veroorzaken en bij onnodige aktes (waaronder aktes die nodig waren omdat een partij onnodig laat stukken inbracht).2
Aan sommige vormen van gedrag kunnen beter materiële consequenties of informele prikkels worden verbonden dan kostenconsequenties: materiële consequenties als de rechter goed vooraf kan beoordelen of een voorgenomen gedraging verstorend zal zijn en die dus direct kan afkappen of buiten beschouwing kan laten; informele prikkels bij lichte en eenvoudig te corrigeren verstoringen.3
De criteria kunnen beter zo objectief mogelijk geformuleerd worden, met geen of weinig elementen van subjectieve verwijtbaarheid.
Criteria kunnen soms aansluiten bij bestaande regelingen in de wet of de rolreglementen, zoals voorschriften waaraan ' geraden gevolgtrekkingen' zijn gekoppeld.4
De maximumbedragen moeten de hoogte van de (gemiddelde) werkelijk gemaakte kosten benaderen voor voldoende afschrikking en compensatie. Deze bedragen kunnen met steekproeven onder de verschillende zaakscategorieën worden bepaald.5
Om de procedurele kwaliteit te beschermen moet de rechter in uitzonderlijke gevallen wel de scherpe criteria terzijde kunnen schuiven als anders klaarblijkelijke onbillijkheid dreigt.6