Regres bij concernfinanciering
Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/6.4.3.1:6.4.3.1 Bremer vulkan: Existenzvernichtungshaftung 1.0
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/6.4.3.1
6.4.3.1 Bremer vulkan: Existenzvernichtungshaftung 1.0
Documentgegevens:
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS583898:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het leerstuk van aandeelhoudersaansprakelijkheid op grond van het gekwalificeerde feitelijke GmbH-concern werd in 2001 door het BGH verlaten. In Bremer Vulkan oordeelde het BGH dat de bescherming van een ondergeschikte vennootschap tegen haar enig aandeelhouder, niet volgt uit een analoge toepassing van het AG-concernrecht, maar uit de kapitaalbeschermingsregels en de aansprakelijkheid van de aandeelhouder(s) bij ongeoorloofde vermogensonttrekking. Wanneer de aandeelhouder bij vermogensonttrekking geen rekening hield met het belang van de ondergeschikte vennootschap, kon hij aansprakelijk worden gehouden. In het bijzonder wanneer de aandeelhouder met de vermogensonttrekking het voortbestaan van de vennootschap in gevaar bracht. Een dergelijke handeling wordt aangeduid als een existenzvernichtender Eingriff en de aansprakelijkheid die dit oplevert wordt aangeduid als Existenzvernichtungshaftung.
De grondslag voor deze aansprakelijkheid werd gevonden in de Durchgriffshaftung. Hoewel de koerswijziging van het BGH met instemming in de literatuur werd ontvangen, was niet alles even duidelijk. Het was onduidelijk of de aandeelhouder die een existenzvernichtender Eingriff pleegde intern aansprakelijk was jegens de ondergeschikte vennootschap of extern aansprakelijk was jegens de crediteuren. Verder was het onduidelijk of de nieuwe regelgeving alleen van toepassing was op een GmbH-concern met één aandeelhouder of ook gold in andere hoedanigheden.1
In de uitspraken die op het Bremer Vulkan arrest volgden, werd het leerstuk van de existenzvernichtender Eingriff verder ontwikkeld. Uit het L-Kosmetik oordeel2 bleek dat medeaandeelhouders die het onttrokken vermogen niet ten goede was gekomen, desalniettemin aansprakelijk konden worden gesteld wanneer met hun medeweten en goedkeuring de vermogensonttrekking de continuïteit van de onderneming in gevaar had gebracht.
In de KBV-uitspraak3 werd besloten dat de aansprakelijkheid vanwege Existenzvernichtung gegrond was op misbruik van rechtspersoonlijkheid. De aandeelhouder die een existenzvernichtender Eingriff deed werd ontvankelijk voor Durchgriffshaftung. Dit is het geval wanneer de aandeelhouder de bescherming van de aansprakelijkheid tot zijn eigen inleg verliest en zich niet meer achter de rechtspersoon kan verschuilen. De aandeelhouder heeft immers met zijn vermogensonttrekking vermogen uit de vennootschap weggehaald dat voor de crediteuren was bestemd in het geval van een deconfiture. Derhalve is de aandeelhouder ook aan te spreken door de crediteuren.