Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/7.1:7.1 Inleiding
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/7.1
7.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS450428:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De termen gezichtsbedekkend en gelaatsbedekkend gebruik ik evenals de (mede-)wetgever door elkaar. Volgens het kabinet-Rutte-Samson is de betekenis van deze termen gelijk. Zie Kamerstukken II 2015/2016, 34 349, nr. 4, p. 6.
EHRM 1 juli 2014, nr. 43835/11 (S.A.S. v Frankrijk).
EHRM 11 juli 2017, nr. 37798/13 (Belcacemi en Oussar v België).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk behandel ik de kwalificatie van kleding en omgangsvormen als uiting van godsdienst. In paragraaf 7.2 bespreek ik de kwalificatie op het niveau van de wetgever. Daarbij beperk ik mij tot de kwalificatie van de boerka en de nikaab1 aangezien alleen daarover wetsvoorstellen zijn ingediend om ze te verbieden. Het voornemen om het dragen van een boerka, of meer in algemene zin, gelaatsbedekkende2 kleding bij wet te verbieden is tamelijk recent, maar heeft niettemin een flinke parlementaire geschiedenis. Er zijn sinds 2007 vijf wetsvoorstellen ingediend met het oogmerk om het dragen van een boerka, of meer in algemene zin, gelaatsbedekkende kleding te verbieden. Van vier van deze wetsvoorstellen is de parlementaire behandeling gestaakt, het laatste wetsvoorstel is sinds 2015 in behandeling. Vooralsnog is er dus nog geen strafrechtelijk verbod. In mijn bespreking besteed ik kort aandacht aan de geschiedenis van bovengenoemde wetsvoorstellen en vervolgens analyseer ik of, en zo ja, op welke wijze, de wetgever het dragen van een boerka kwalificeert als uiting van godsdienst en welke legitimatie de wetgever hiervoor geeft. In paragraaf 7.3 komt de kwalificatie op het rechterlijke niveau aan de orde. Hoewel het ‘boerkaverbod’ bij de wetgever hoog op de agenda staat, is er vooralsnog weinig jurisprudentie over. Er zijn twee uitspraken van het EHRM (S.A.S. v Frankrijk3 en Belcacemi en Oussar v België4) en er zijn enkele nationale rechterlijke en CGB-uitspraken.
In paragraaf 7.3 komt ook de kwalificatie van andere kleding dan de boerka en de kwalificatie van omgangsvormen aan bod. Hierover bestaan wel de nodige uitspraken. Er is een aantal relevante uitspraken gedaan door het EHRM, de nationale rechter en de CGB. Deze uitspraken gingen over het dragen van een hoofddoek of een ketting met een kruisje. Ook zijn er uitspraken gedaan met betrekking tot de omgangsvorm binnen bepaalde islamitische kringen om lichamelijk contact te vermijden tussen mannen en vrouwen die niet met elkaar gehuwd zijn. Hierom weigeren sommige moslims het schudden van handen van de andere sekse. In de laatste subparagraaf ga ik in op de legitimatie die rechters geven voor de kwalificatie van dergelijke kledij, symbolen en omgangsvormen als godsdienstige uiting. De analyses van bovenstaande onderwerpen geven een algemeen beeld van de wijze waarop binnen de rechtsorde herkenningstekens van een godsdienstige identiteit als godsdienst worden gekwalificeerd. Omdat ik in aparte hoofdstukken aandacht besteed aan het onderwijsrecht (hoofdstuk 17-19) laat ik in dit hoofdstuk het terrein van het onderwijs grotendeels links liggen. Het hoofdstuk sluit ik in paragraaf 7.4 af met een conclusie.