Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/5.2.2:5.2.2 Kritiek op kapitaalbescherming
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/5.2.2
5.2.2 Kritiek op kapitaalbescherming
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS405748:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Manning & Hanks spreken veelzeggend van “a Swiss cheese made up mainly of holes” (Manning & Hanks 1992, p. 194). Hoewel het systeem inderdaad geen garantie bood dat het door de aandeelhouders bijeen gebrachte kapitaal in stand zou blijven, voorkwam dat wel dat uitkeringen plaatsvonden die zouden leiden tot een negatief eigen vermogen.
Manning & Hanks 1990, p. 44 e.v.
Manning & Hanks 1990, p. 66.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De kapitaalbescherming stond in de tweede helft van de twintigste eeuw dan ook aan de nodige kritiek bloot. Zo meenden veel juridische auteurs dat het systeem een schijnveiligheid bood: omdat het kapitaal kon worden omgezet in uitkeerbare reserves, ondergroef de regeling zijn eigen uitgangspunt.1 Daarnaast ontstond de gedachte dat de initiële investering van de aandeelhouders van weinig belang was voor de crediteuren. Zo voerden Manning en Hanks aan dat de nominale kapitaalbijdrage van aandeelhouders – oorspronkelijk bedoeld om de verhoudingen tussen de aandeelhouders onderling te regelen – de crediteuren niets vertelde over hun kansen om (op tijd) te worden voldaan.2 De mogelijkheid om tijdig crediteuren te betalen was volgens hen primair afhankelijk van de kasstromen van de vennootschap. Bovendien werd het bezwaarlijk gevonden dat de uitkeringsruimte moest worden vastgesteld op basis van de jaarrekening. Normering van uitkeringen op basis van de balans zou volgens Manning en Hanks uitsluitend zin hebben als de wet voorzag in een sluitend accountancysysteem. Dergelijke voorschriften zouden echter buitengewoon onpraktisch zijn. Manning en Hanks vermoedden dat dit de reden was waarom de wetgevers en rechters het systeem niet daadwerkelijk leken door te zetten.
Zo merkten zij op: “After bravely embarking upon the adventure of regulating shareholder distributions in the interest of creditors, both courts and legislatures recoiled from actively carrying through with that enterprise as they come to realize, more or less consciously, the enormity and complexity of law building that would be necessary to make the system really work. That second judgement was undoubtedly a wise one; perhaps too, it suggests that it was a mistake to embark upon the endeavor in the first place.”3