Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/4.5.2
4.5.2 Het doel van de norm
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS592169:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Brunner 1981a, p. 213, 216 en 234.
HR 9 juni 1972,NJ 1972/360 m.nt. G.J. Scholten (Neurotische depressie); HR 21 maart 1975,NJ 1975/372 m.nt. G.J. Scholten (Doodgeschrokken bromfietser); HR 2 november 1979,NJ 1980/77 m.nt. G.J. Scholten (Vader Versluis); HR 13 januari 1995,NJ 1997/175 m.nt. C.J.H. Brunner (De Heel/Korver); HR 6 oktober 1995,NJ 1998/190 m.nt. C.J.H. Brunner (Turnster).
Zie § 4.3.2.
Ook in HR 27 januari 1928,NJ 1928/417 m.nt. P. Scholten (Dubbele operatie) en HR 20 juni 1969,NJ 1969/374 m.nt. G.J. Scholten (Zitman) werd de schade, die was ontstaan bij de behandeling van het door een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis veroorzaakte letsel, al aan de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis toegerekend.
Zie hierover nr. 20.
HR 25 mei 1990, NJ 1990/577 (Boukes/Schuurmans), rov. 3.1.
Met dien verstande dat het stellen van dergelijke hogere eisen niet werkbaar is omdat men dan tegen het probleem aanloopt dat al deze eigenschappen afhangen van de wijze waarop de schade wordt beschreven, zie nader § 4.3.2.
Inleiding
220. Het doel van de geschonden norm is de relevante factor bij de eerste deelregel in het kader van de aard van de aansprakelijkheid:
Voor iedere beschermingsnorm kan en moet worden vastgesteld of het doel waarmee zij in het leven is geroepen toerekening van de in concreto gevorderde schade rechtvaardigt. Verkeers- en veiligheidsnormen die met het oog op de voorkoming van ongevallen zijn opgesteld, rechtvaardigen een ruime toerekening van overlijdens- en letselschade. Wanneer een norm strekt tot voorkoming van zaakschade, heeft dat neutrale betekenis voor toerekenbaarheid van schade. Strekt de norm ter voorkoming van zuivere vermogensschade of immateriële schade, dan leidt dat tot het deeloordeel dat beperkter dient te worden toegerekend.1
Verkeers- en veiligheidsnormen
221. Dat bij de schending van een verkeers- en veiligheidsnorm waarmee het voorkomen van ongevallen beoogd is, een ruime toerekening van overlijdens- en letselschade gerechtvaardigd is, volgt duidelijk uit de jurisprudentie van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie laat twee, dicht tegen elkaar aan liggende, benaderingen zien. Enerzijds heeft de Hoge Raad bij herhaling geoordeeld dat in het geval van de schending van een verkeers- of veiligheidsnorm waardoor letsel ontstaat, de mate van waarschijnlijkheid en voorzienbaarheid van de concrete wijze waarop dat letsel is ontstaan in beginsel niet relevant is voor de toerekenbaarheid van die schade.2 Anderzijds heeft de Hoge Raad herhaaldelijk geoordeeld dat bij de schending van een verkeers- of veiligheidsnorm ook schadegevolgen die buiten de lijn van de normale verwachtingen liggen, kunnen worden toegerekend.3
De eerste benadering is mogelijk enigszins soepeler. Bij de toepassing van de tweede benadering zou men namelijk nog steeds kunnen zeggen dat het enkele gegeven dat het schadegevolg buiten de lijn van normale verwachtingen ligt op zichzelf niet aan toerekening in de weg staat, maar niettemin het gevolg zoals zich dat in concreto heeft voorgedaan zó onwaarschijnlijk was dat het niet kan worden toegerekend. Bij de toepassing van de eerste benadering kan de toerekening van dat schadegevolg minder goed om deze reden worden uitgesloten.
Bij de toepassing van de tweede benadering doet zich het probleem voor dat het antwoord op de vraag of een schadegevolg buiten de lijn van de normale verwachtingen ligt, vrijwel geheel afhangt van de mate van detail waarmee het gevolg beschreven wordt.4 Illustratief is De Heel/Korver.5 In deze zaak viel patiënt Korver, die na een kaakoperatie zijn narcose uitsliep, uit bed en liep daarbij letsel aan zijn gezicht op. Vast kwam te staan dat het ziekenhuis maatregelen had moeten nemen om te voorkomen dat patiënten die een narcose uitslapen en daarbij soms onwillekeurige bewegingen maken, uit bed zouden vallen. Lag de schade van Korver nu buiten de lijn van de normale verwachtingen? Niet als men het schadegevolg tamelijk algemeen beschrijft als letsel (aan het gezicht) dat is ontstaan doordat een patiënt bij het uitslapen van zijn narcose uit bed viel. Wel als men kiest voor de preciezere beschrijving dat Korver aan zijn rechteroog blind is geworden omdat de hoofdslagader van dit oog door de val uit het bed is dichtgeslagen.
222. De Hoge Raad heeft bovendien geoordeeld dat aan de toerekening van de door de schending van een verkeers- of veiligheidsnorm veroorzaakte schade in beginsel niet in de weg staat dat deze schade mede is veroorzaakt of is vergroot door een predispositie van de gelaedeerde, door zijn persoonlijkheidsstructuur, door bijzondere privéomstandigheden en/of door gedragingen van derden in het herstelproces van de gelaedeerde.6
In Neurotische depressie7 oordeelde de Hoge Raad dat de laedens aan wie is te wijten dat een ander door een aanrijding lichamelijk of psychisch letsel oploopt “voor de daardoor veroorzaakte schade in de regel over de gehele met de genezing van dat letsel gemoeide tijd als een door zijn daad veroorzaakte schade aansprakelijk is”. De Hoge Raad oordeelde daarbij dat dit niet anders wordt indien de genezing van het letsel langer duurt dan in de normale lijn van de verwachtingen ligt. In Renteneurose8 oordeelde de Hoge Raad dat bij een onrechtmatige daad die bestaat uit het toebrengen van letsel “de gevolgen van een door de persoonlijke predispositie van het slachtoffer bepaalde reactie op die daad in het algemeen als een gevolg van de onrechtmatige daad aan de dader moeten worden toegerekend” (rov. 3.3). Ook dit is niet anders als die reactie van het slachtoffer mede verband houdt met de neurotische behoefte van het slachtoffer een vergoeding te verkrijgen waardoor de gevolgen ernstiger worden en langer duren dan in de normale lijn der verwachtingen ligt. In ABP/Van Stuyvenberg9 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ook het uitblijven van herstel als gevolg van een predispositie van het slachtoffer, als gevolg van diens persoonlijkheidsstructuur of als gevolg van moeilijkheden in het privéleven aan de laedens dient te worden toegerekend. In Joe/Chicago Bridge10 oordeelde de Hoge Raad dat “indien het in de normale lijn der verwachtingen liggende herstel van de arbeidsgeschiktheid uitblijft of vertraging ondervindt als gevolg van een tekortschieten door de betrokken artsen met betrekking tot het onderzoeken en/of het behandelen van het letsel, zal het uitblijven van of de vertraging in het herstel in het algemeen als een gevolg van het ongeval aan de werkgever moeten worden toegerekend. Ook indien dat medische tekortschieten slechts door en in samenhang met de – door diens persoonlijke predispositie bepaalde – psychische reactie daarop van de werknemer tot verstoring van het herstelproces heeft kunnen leiden.” Een en ander is slechts anders “indien de genezing van het letsel is of wordt belemmerd door bepaalde omstandigheden van zodanige aard, dat het uitblijven van de genezing niet meer als gevolg van de aanrijding aan de dader kan worden toegerekend”;11 in het bijzonder is dat laatste het geval indien het slachtoffer nalaat van zijn kant alles in het werk te stellen wat redelijkerwijs – mede in aanmerking genomen zijn persoonlijkheidsstructuur – van hem kan worden verlangd om tot het herstelproces bij te dragen (rov. 3.3).12
223. Naar ik meen, heeft de Hoge Raad met de hiervoor genoemde arresten houvast biedende regels gegeven voor het casustype waarin door de schending van een verkeers- of veiligheidsnorm letsel ontstaat. Dat zijn mijns inziens overigens geen deelregels in de door Brunner bedoelde zin; zij leiden niet tot een deeloordeel dat ‘meer’ of ‘minder’ dient te worden toegerekend en dat tegen andere deeloordelen dient te worden afgewogen. Met deze regels kan men in het algemeen de toerekeningsvraag in dit casustype zonder meer beantwoorden. De problematiek van de aan de omvang van de schade bijdragende predispositie van de gelaedeerde, waarop deze door de Hoge Raad geformuleerde regels ook zien, beschouw ik overigens niet als onderdeel van de schadetoerekening maar als vraagstuk van de eigen schuld van de gelaedeerde.13
224. In hoofdstuk 7 zal ik betogen dat deze door de Hoge Raad gegeven regels een toepassing zijn van de regel dat als met de geschonden norm beoogd is te beschermen tegen de door de normschending veroorzaakte schade, deze schade dient te worden toegerekend. Op die manier laat zich mijns inziens goed begrijpen waarom de mate van waarschijnlijkheid of de voorzienbaarheid van de schade zoals geleden voor de schadetoerekening niet ter zake doet en waarom ook schadegevolgen die buiten de lijn van de normale verwachtingen liggen, kunnen worden toegerekend. Omdat namelijk in ons recht, terecht, groot belang wordt gehecht aan het voorkomen van letsel, dient men zich in allerlei gevallen aan normen te houden die letsel beogen te voorkomen, ook als de kans dat bij de schending van die norm letsel ontstaat zeer gering is. Met deze normen wordt dan beoogd te beschermen tegen een nog vrij abstract gevaar dat zich op allerlei, vooraf veelal onwaarschijnlijke en onvoorzienbare, manieren kan verwezenlijken. Als dat inherent is aan de norm, dan kan de onwaarschijnlijkheid of onvoorzienbaarheid van de wijze waarop het letsel is ontstaan mijns inziens in beginsel geen reden vormen om de schade niet toe te rekenen.
Ook voor de Hoge Raad lijkt deze gedachte leidend te zijn. In Vader Versluis14 oordeelde hij dat “[b]ij overtreding van [verkeers- en veiligheidsnormen], die in de regel strekken ter voorkoming van verkeers- of arbeidsongevallen, (…) rekening [moet] worden gehouden met de mogelijkheid van ernstige gevolgen, hoe deze zich ook in het concrete geval mogen voordoen”. In Dorpshuis Kamerik15 oordeelde hij dat de in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm “naar haar aard mee[brengt], dat het er, voor aansprakelijkheid jegens degeen die door het in aanraking komen met de gevaarlijke vloeistof letsel oploopt, in beginsel niet toe doet, of de wijze waarop het letsel door aanraking met de stof in het gegeven geval precies is veroorzaakt, voorzienbaar was voor de partij die de betreffende zorgvuldigheidsnorm niet in acht heeft genomen” (rov. 5).
225. Niet in elke casus waarin een verkeers- of veiligheidsnorm is geschonden en ten gevolge daarvan letsel ontstaat, laat de toerekeningsvraag zich echter met de door de Hoge Raad gegeven regels oplossen. Ook hier gelden de in hoofdstuk 8 t/m 11 te behandelen grenzen aan toerekenbaarheid.
Overige normen
226. De rechtspraak van de Hoge Raad biedt steun voor de opvatting dat schade die het gevolg is van de schending van een andersoortige norm minder ruim kan worden toegerekend.
In Vader Versluis16 heeft de Hoge Raad in het kader van de schadetoerekening uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de schending van verkeers- en veiligheidsnormen en de in die zaak geschonden zorgvuldigheidsnorm waarmee, naar het mij toeschijnt, beoogd werd te beschermen tegen immaterieel ongemak. De Hoge Raad oordeelde: “In dit opzicht bestaat er verschil tussen deze aansprakelijkheidsgrond en bijv. die waarvan sprake is bij overtreding van verkeers- resp. veiligheidsnormen. Bij overtreding van laatstbedoelde normen, die in de regel strekken ter voorkoming van verkeers- of arbeidsongevallen, moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van ernstige gevolgen, hoe deze zich ook in het concrete geval mogen voordoen. Zulks kan niet worden aangenomen ten aanzien van de niet-naleving van de zorgvuldigheidsnormen, in strijd waarmee [de laedens] in ‘s Hofs veronderstelling jegens Versluis hebben gehandeld.” Laatstbedoelde zorgvuldigheidsnormen zagen op de bejegening van en wijze van communicatie met de vader van een patiënte door een behandelend arts. Ook in latere rechtspraak lijkt de Hoge Raad in het geval van andere normen dan verkeers- of veiligheidsnormen uit te gaan van minder ruime grenzen aan toerekenbaarheid van schade. In AGO/NCB17 sanctioneerde hij de niet-toerekening door de feitenrechter op de grond dat de schade geheel buiten de normale lijn van verwachtingen lag. In Boukes/Schuurmans18 oordeelde hij dat in de gegeven omstandigheden het voor aansprakelijkheid vereiste verband werd bepaald door de voorzienbaarheid van de schade. In Avi/Van Adrighem19 liet hij in stand de niet-toerekening door de feitenrechter van door wanprestatie veroorzaakte zuivere vermogensschade op grond van de onvoorzienbaarheid van die schade.
Naar ik meen, en in het navolgende verder zal toelichten, is grote voorzichtigheid geboden met het trekken van conclusies uit deze oordelen van de Hoge Raad en is het tevens niet zinvol om te werken met in de deelregelbenadering onderscheiden beschermingsdoelen van normen.
Overige normen: normen waarmee beoogd is te beschermen tegen zaakschade
227. Naar mijn mening is het niet zo, zoals de deelregel wil, dat het gegeven dat met een norm beoogd is te beschermen tegen zaakschade, dat een neutrale factor is bij de toerekening. Veelal laat zich geen zinvol onderscheid maken tussen normen waarmee beoogd is te beschermen tegen personenschade enerzijds en normen waarmee beoogd is te beschermen tegen zaakschade anderzijds. De normen waar het hier om gaat beogen in het algemeen te beschermen tegen fysieke gevaren, die zowel op personen als zaken kunnen inwerken.20
Overige normen: normen waarmee beoogd is te beschermen tegen zuivere vermogensschade
228. Ingeval met een norm beoogd is te beschermen tegen zuivere vermogensschade, is het mijns inziens niet zinvol te zeggen dat vanwege deze beoogde bescherming beperkter dient te worden toegerekend. Men zou wellicht kunnen menen dat het gegeven dat met de norm beoogd is te beschermen tegen zuivere vermogensschade, ertoe leidt dat hogere eisen aan de waarschijnlijkheid of voorzienbaarheid van de veroorzaakte schade dienen te worden gesteld. De hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad biedt voor een dergelijke opvatting enige steun. Normen waarmee beoogd wordt te beschermen tegen zuivere vermogensschade gelden, anders dan normen die tegen personenschade en zaakschade beogen te beschermen, in het algemeen niet reeds als er een geringe kans is op schade en die schade nog op allerlei manieren kan ontstaan. Doorgaans zal daarom de schade die het gevolg is van een norm waarmee beoogd is te beschermen tegen zuivere vermogensschade, waarschijnlijker en beter voorzienbaar zijn dan schade die het gevolg is van de schending van een verkeers- of veiligheidsnorm. Niettemin zijn er allerlei situaties waarin ten gevolge van de schending van een norm waarmee beoogd is te beschermen tegen zuivere vermogensschade dergelijke schade ontstaat en de kans daarop zeer gering was, terwijl die schade toch kan worden toegerekend.
Te denken valt aan het in § 4.2.3 gegeven voorbeeld van de verzekeringsmakelaar die een fout maakt bij het afsluiten van een brandverzekering voor een kantoorgebouw, met als gevolg dat na het afbranden van het kantoorgebouw geen verzekeringsuitkering wordt verkregen. Ook valt te denken aan de in § 7.2.2 behandelde zaak Dicky/Trading I21 waarin een notaris bij de verkoop van onroerend goed niet de verkoper waarschuwt voor het risico op niet-verhaalbaarheid van de koopprijs op de koper. Voorts valt te denken aan de in § 7.5.2 besproken situatie waarin een verkoper van een woning de verplichting tot levering toerekenbaar niet nakomt, de koper een vergelijkbare andere woning koopt maar daarvoor door een ongekende, niet te voorziene, prijsstijging aanmerkelijk meer betaalt. In elk van deze situaties is de schade zoals geleden onwaarschijnlijk en/of onvoorzienbaar en/of buiten de normale lijn van verwachtingen liggend, maar doet dat er bij de schadetoerekening niet toe omdat met de geschonden norm beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden.
Deze voorbeelden tonen naar mijn mening aan, dat het niet zinvol is om ingeval met een norm beoogd is te beschermen tegen zuivere vermogensschade met het deeloordeel te werken dat minder dient te worden toegerekend en/of om hogere eisen aan de waarschijnlijkheid of de voorzienbaarheid van de schade te stellen en/of te verlangen dat de schadegevolgen in de normale lijn van verwachtingen liggen.22
Ook tonen deze voorbeelden naar mijn mening aan dat, om te kunnen verklaren dat de schade in de gegeven situaties dient te worden toegerekend, de door de geschonden norm beoogde bescherming preciezer dan in de deelregelbenadering gebeurt, dient te worden vastgesteld. In deze voorbeeldsituaties kan namelijk niet alleen worden gezegd dat met de norm beoogd is tegen zuivere vermogensschade te beschermen. Ook laat zich in deze situaties vaststellen dat met de geschonden norm beoogd is de persoon van de gelaedeerde te beschermen tegen het soort schade zoals geleden en tegen de wijze waarop deze schade is ontstaan. Op die grond kan de schade worden toegerekend. Waar men slechts, zoals in de deelregel, minder nauwkeurig vaststelt dat met de geschonden norm beoogd is te beschermen tegen zuivere vermogensschade, laat zich naar ik meen in de deelregelbenadering niet verklaren waarom in de beschreven situaties de schade, waarvan het ontstaan onwaarschijnlijk en/of onvoorzienbaar was, kan worden toegerekend.
Overige normen: normen waarmee beoogd is te beschermen tegen immateriële schade
229. Om in het geval van immateriële schade met het deeloordeel te werken dat minder dient te worden toegerekend, is mijns inziens ook weinig behulpzaam. Indien met een norm slechts beoogd is te beschermen tegen immateriële schade, zal andersoortige schade in het algemeen niet aan het doel van de geschonden norm beantwoorden waardoor daarom geen aansprakelijkheid van deze schade bestaat. Ontstaat ten gevolge van schending van een norm met deze strekking immateriële schade, dan bestaat mijns inziens geen reden om deze schade, voor zover zij gelet op art. 6:106 BW voor vergoeding in aanmerking komt, beperkt toe te rekenen.
Naar een meer genuanceerde benadering van het doel van de geschonden norm
230. Naar ik meen, kan de met de geschonden norm beoogde bescherming bij de schadetoerekening een aanmerkelijk gelukkiger rol worden gegeven. Brunner benaderde het doel van normen tamelijk grofstoffelijk. Hij onderscheidde slechts vier mogelijke doelen van normen: het voorkomen van ongevallen, het voorkomen van zaakschade, het voorkomen van zuivere vermogensschade en het voorkomen van immateriële schade. Deze beperkte opvatting over het doel van normen verklaart wellicht ook waarom Brunner de deelregel in verband met de strekking van de geschonden norm pas als derde deelregel naar voren bracht.
In het algemeen kan de door de geschonden norm beoogde bescherming scherper in beeld worden gebracht, door te bepalen welke groep personen met deze norm beoogd is te beschermen en tegen welke soort schade en welke wijze van ontstaan. In hoofdstuk 7 zal deze benadering het startpunt vormen voor het oplossen van de toerekeningsproblematiek. Ik zal daar betogen dat ook de Hoge Raad deze benadering volgt. Op deze wijze laat de toerekeningsproblematiek zich aanmerkelijk eenvoudiger en begrijpelijker benaderen. Wanneer schade ontstaat waarvan zich laat vaststellen dat met de geschonden norm beoogd is daartegen te beschermen, kan de schade worden toegerekend. Niet meer nodig is dan om met allerlei andere factoren rekening te houden. Indien zich niet laat vaststellen dat met de geschonden norm beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, is beslissend of de schadesituatie zodanig overeenkomt met schadesituaties waartegen met de geschonden norm wel beoogd is te beschermen dat de redelijkheid vergt dat ook de veroorzaakte schade vergoed dient te worden.