Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.2.2:12.2.2 Definitie EVRM
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.2.2
12.2.2 Definitie EVRM
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940476:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een verdere behandeling van dit laatste vereiste laat ik in deze paragraaf achterwege. In paragraaf 15.3.2 kom ik hierop kort terug.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 6 lid 3 onder a EVRM werkt de mededelingsplicht als volgt uit:
‘Everyone charged with a criminal offence has the following minimum rights:
(a) to be informed promptly, in a language which he understands and in detail, of the nature and cause of the accusation against him (…).’
In de Nederlandse vertaling houdt dit recht in, dat de boeteling onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte moet worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Uit de tekst van deze verdragsbepaling kunnen de volgende deelvereisten worden afgeleid:
De beschuldiging moet worden medegedeeld aan de verdachte;
De mededeling moet de aard en de reden van de beschuldiging omvatten;
De mededeling moet in bijzonderheden worden gedaan;
De mededeling moet onverwijld plaatsvinden;
De mededeling moet plaatsvinden in een taal die de verdachte verstaat.1
Het schenden van deze vereisten is ernstig en staat haaks op de norm van een ‘fair hearing’. Als een adequate verdediging door de schending wordt belemmerd, verloopt het proces niet eerlijk en een oneerlijk verlopen proces mag niet tot een straf leiden. Voor de fiscale bestuurlijke boete betekent het voorgaande dat deze moet komen te vervallen indien niet is voldaan aan het mededelingsvereiste. Onder welke omstandigheden de kritische grens in dit verband wordt overschreden, is niet geheel duidelijk. In het navolgende zal ik het beeld schetsen dat uit de jurisprudentie kan worden afgeleid, waarbij ik eerst in paragraaf 12.2.3 de tijdigheidseis (‘onverwijld’) en daarna in paragraaf 12.2.4 de inhoudelijke vereisten (‘aard’ en ‘reden’ en ‘in bijzonderheden’) behandel.