Alcoholhoudende dranken die zowel gegiste als gedistilleerde alcohol bevatten zijn ook onderwerp van zaak 12/05326. Die zaak betreft een tweede cassatie in de procedure waarin de Hoge Raad eerder prejudiciële vragen aan het HvJ voorlegde en die heeft geleid tot het arrest Siebrand. Indelingsproblemen inzake alcoholhoudende dranken zonder gedistilleerde alcohol zijn aan de orde in zaken 12/05757 en 12/05758. In laatstgenoemde zaak neem ik heden eveneens conclusie.
HR, 25-11-2016, nr. 12/01620
ECLI:NL:HR:2016:2671, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-11-2016
- Zaaknummer
12/01620
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:2671, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑11‑2016; (Cassatie, Uitspraak na prejudiciële beslissing)
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑10‑2014
ECLI:NL:HR:2014:3013, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑10‑2014; (Cassatie, Prejudicieel verzoek)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:925, Contrair
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2012:BV6616
ECLI:NL:PHR:2013:925, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑09‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3013, Contrair
- Vindplaatsen
NLF 2016/0854
Douanerechtspraak 2017/20
NTFR 2016/2843 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
FutD 2016-2872
Viditax (FutD) 2016112506
Douanerechtspraak 2015/8
NTFR 2014/2720 met annotatie van mr. A.A. Feenstra
DouaneUpdate 2014-0510
FutD 2014-2470
Viditax (FutD) 2014102406
NTFR 2013/2341 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
DouaneUpdate 2013-0556
FutD 2013-2562
Viditax (FutD) 2013101803
Uitspraak 25‑11‑2016
Inhoudsindicatie
Douanerechten; posten 2206 en 2208 van de GN; bindende tariefinlichting voor een alcoholhoudende drank die is bereid op basis van gefermenteerde alcohol en waaraan gedistilleerde alcohol is toegevoegd, alsmede suiker, plantaardig vet en aroma’s; de alcoholhoudende drank heeft door de toevoegingen niet meer de smaak, de geur en het uiterlijk van de vrucht waaruit de gefermenteerde alcohol werd vervaardigd; indeling als likeur in postonderverdeling 2208 70 van de GN. Vervolg op HR BNB 2014/261 en HvJ BNB 2016/173.
Partij(en)
25 november 2016
nr. 12/01620bis
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van Toorank Productions B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 februari 2012, nr. 08/00110 DK, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij een arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.
1. Geding in cassatie
Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 24 oktober 2014, nr. 12/01620, ECLI:NL:HR:2014:3013, BNB 2014/261, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.
Bij arrest van 12 mei 2016, Toorank Productions B.V., gevoegde zaken C-532/14 en C-533/14, ECLI:EU:C:2016:337, BNB 2016/173, heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard:
“3) De gecombineerde nomenclatuur in bijlage I bij verordening nr. 2658/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1719/2005 en verordening nr. 1214/2007, moet aldus worden uitgelegd dat een drank met een alcoholvolumepercentage van 13,4 % die wordt bereid door aan Ferm Fruit suiker, aroma’s, kleur- en smaakstoffen, verdikkingsmiddelen, conserveermiddelen en gedistilleerde alcohol toe te voegen – in die zin dat deze alcohol zowel in volume als in percentage niet meer is dan 49 % van de in de drank voorkomende alcohol en de overige 51 % is ontstaan uit een gistingsproces – valt onder GN-post 2208.”
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op dit arrest.
2. Nadere beoordeling van de middelen
2.1.
In de bestreden uitspraak heeft het Hof geoordeeld dat het product ‘Petrikov Creamy Green’ (hierna: de drank) met toepassing van de algemene indelingsregels 1 en 6 als likeur moet worden ingedeeld in postonderverdeling 2208 70 10 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN). Op grond van de uitslag van het monsteronderzoek, hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en van de visuele waarneming van de overgelegde monsterflessen van het basisproduct en van het eindproduct, is het Hof tot het oordeel gekomen dat de drank door een hoog suikergehalte, door de toevoeging van gedistilleerde alcohol, van aroma’s en van roombase, en door de groene kleur, de objectieve kenmerken en eigenschappen van een likeur van postonderverdeling 2208 70 van de GN heeft.
In dit verband heeft het Hof in een overweging ten overvloede geoordeeld dat de bij de vervaardiging van de drank gebezigde basisdrank Ferm Fruit nimmer de smaak, de geur en/of het uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct door vergisting verkregen drank heeft gehad, en dus – mede gelet op de GS-toelichting op post 2206 - niet onder post 2206 van de GN kan worden gerangschikt, maar veeleer dient te worden ingedeeld onder post 2208 van de GN. De toevoeging van suiker, roombase en aroma’s waardoor de drank ontstaat, kan, aldus het Hof, bezwaarlijk ertoe leiden dat een dergelijke drank dan wel onder post 2206 van de GN kan worden gerangschikt.
2.2.
Voor zover middel 1 een – in de reactie van belanghebbende op het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest van het Hof van Justitie verder toegelichte - motiveringsklacht heeft aangevoerd tegen het hiervoor in 2.1, tweede alinea, omschreven oordeel van het Hof dat de gebezigde basisdrank Ferm Fruit nimmer de smaak, de geur en/of het uiterlijk heeft gehad van de vrucht die voor de vergisting is gebruikt, kan het middel niet tot cassatie leiden. Ook indien ervan moet worden uitgegaan dat – zoals het middel betoogt - de gebezigde basisdrank Ferm Fruit niet in die mate was gefiltreerd dat alle gistingskenmerken van de vrucht waaruit de basisdrank was verkregen, waren verdwenen en die basisdrank daarom als een drank in de zin van post 2206 van de GN moet worden beschouwd, volgt uit de punten 55 tot en met 57 van het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest van het Hof van Justitie dat de drank ook in dat geval – met toepassing van de algemene indelingsregels 2b en 3b - onder post 2208 van de GN moet worden ingedeeld. Dit vanwege het hiervoor in 2.1, tweede volzin, weergegeven oordeel van het Hof dat de drank door een hoog suikergehalte, door de toevoeging van gedistilleerde alcohol, van aroma’s en van roombase, en door de groene kleur de objectieve kenmerken en eigenschappen van een likeur van postonderverdeling 2208 70 van de GN heeft verkregen, hetgeen meebrengt dat de drank de eigenschappen van onder post 2206 van de GN vallende dranken heeft verloren. Dit oordeel geeft, mede gelet op hetgeen het Hof van Justitie in de punten 48 en 49 van het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest heeft overwogen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst.
Uit het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest van het Hof van Justitie alsmede uit het hiervoor overwogene volgt dat ook de middelen 1, 2 en 5 falen.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2016.
Beroepschrift 24‑10‑2014
AANTEKENEN
Hoge Raad der Nederlanden
Belastingkamer
Postbus 20303
2500 EH DEN HAAG
[…]
Betreft: Beroep in cassatie tegen uitspraak Gerechtshof Amsterdam d.d. 9 februari 2012/kenmerk Hof: BK/DK-08/00110
[12/01620]
Geacht College
Ondergetekende, [B], in zijn hoedanigheid van bevoegd bestuurder van [X] B.V., gevestigd [Z], hierna te noemen belanghebbende, stelt hierbij beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna Hof) d.d. 9 februari 2012, kenmerk BV/DK-08/00110 (bijlage 1).
Het Hof heeft de uitspraak 13 februari 2012 aan belanghebbende verzonden.
Belanghebbende draagt de volgende cassatiemiddelen voor.
Cassatiemiddel 1: Wettelijk kader
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder de Gecombineerde Nomenclatuur (GN) doordat het Hof de tariefposten 2206 en 2208 van de GN op onjuiste en/of onbegrijpelijke wijze heeft geïnterpreteerd.
Het beroepschrift in cassatie richt zich tegen het oordeel van de Douanekamer van het Hof om de drank Petrikov Creamy Green in te delen in post 22087010 (likeuren) van de GN.
Toelichting bij cassatiemiddel 1
Voor een goede beoordeling van het eerste middel dient men het wettelijk kader te beoordelen.
Het Hof heeft in r.o.6.4 partijen gevolgd in hun standpunt dat de basisdrank (FermFruit/Vinmix), die ten grondslag ligt aan de in geschil zijnde drank Petrikov Creamy Green, als een ‘drank’ moet worden gekwalificeerd en dat deze drank ook als zodanig aan de consument te koop wordt aangeboden (Europees Hof van Justitie (ECJ) 26/3/1981 C-114/80: Ritter).
De basisdrank is derhalve een voor menselijke consumptie geschikte en bestemde drank, die moet worden ingedeeld in tariefpost 2206, aangezien er sprake is van een drank die volledig bestaat uit gefermenteerde alcohol.
Het Hof is ten onrechte en ongemotiveerd voorbij gegaan aan het feit dat belanghebbende en de Belastingdienst/Douane geen geschil hadden omtrent de vraag of de basisdrank als een drank moest worden gekwalificeerd. Het Hof is daarmede buiten de rechtsstrijd getreden.
Niettegenstaande de constatering dat de basisdrank weinig eigen geur en smaak heeft en nagenoeg kleurloos is, betekent dit niet dat er sprake is van een ‘neutral alcoholic base’ in de zin van het zgn. ‘Maltbase arrest’ (HR 19/6/2009 nr. 44.029) en het Paderborner arrest (ECJ C-196/10).
Het Hof meldt in r.o.6.2 weliswaar dat de gegiste drank (basisdrank) ‘door haar productiewijze zo weinig mogelijk eigen geur en eigen smaak heeft en nagenoeg kleurloos is’, doch dit kan niet de conclusie dragen dat er sprake is van ethylalcohol in de zin van tariefpost 2208, omdat niet voldaan wordt aan de eis van de GN-toelichting bij 2208, dat het product ‘geen aromatische bestanddelen bevat’. Er is ook nimmer geconcludeerd noch gesteld dat de basisdrank geen aromatische bestanddelen bevat. Er is evenmin vastgesteld dat de productiewijze van de basisdrank heeft geleid tot het volledig verloren gaan van de objectieve eigenschappen/kenmerken van de vruchtenwijn. Naast [A] heeft ook het Douane Laboratorium vastgesteld en geconcludeerd dat de basisdrank voldoende vergistingskenmerken bezit!
Ten onrechte concludeert het Hof in r.o. 6.2 dat deskundigen een analytisch onderzoek zinloos achten. Uit zowel de gezamenlijke brief van het Douanelaboratorium van de Belastingdienst en [A] d.d. 21 december 2010 (bijlage 2) alsmede de brief van [A] d.d. 12 juli 2010 (bijlage 3)blijkt dat juist een analytisch onderzoek een beproefd middel kan zijn om op een objectieve wijze de vergistingskenmerken van de drank vast te stellen.
In r.o. 6.6 overweegt het Hof vervolgens dat de deskundigen zich op het standpunt stellen dat ‘… een oorspronkelijke karakteristieke geur, smaak en/of uiterlijk nagenoeg afwezig is.’ Deze overweging is niet juist en stemt niet overeen met hetgeen de deskundigen hebben verklaard in hun memorandum d.d. 12 juli 2010. Zij verklaren namelijk dat ‘… in het algemeen bij de bereiding van gearomatiseerde alcoholische dranken, basisproducten met een zwak geurprofiel worden gebruikt’.
Alleen dit laatste is door partijen niet bestreden. Er is nimmer gediscussieerd respectievelijk geschil van inzicht geweest over ‘oorspronkelijke’ karakteristieken. Iedere verwijzing van het Hof is derhalve onjuist.
De basisdrank die wordt gebruikt heeft een zwak geur-/smaakprofiel, dat is juist het typische kenmerk van deze 2206 drank.
Belanghebbende wijst erop dat de GN ten aanzien van wijn van vruchten overigens geen enkel onderscheid maakt tussen wijnen met een zwak of een sterk geur-/smaakprofiel. Iedere verwijzing van het Hof is in deze onbegrijpelijk en ongemotiveerd.
Belanghebbende concludeert dat ook deze overweging van het Hof (r.o. 6.6) haar beslissing niet kan dragen, respectievelijk dat hetgeen door de deskundigen wordt gesteld niet juist is weergegeven. Op deze gronden kan de beslissing van het Hof derhalve niet in stand blijven.
Volledigheidshalve wijst belanghebbende erop dat steeds, niet weersproken, is gesteld dat de productiewijze van de basisdrank ook geheel in overeenstemming is met de geldende Wijnverordening EG 1601/91 d.d. 10/6/1991 tot vaststelling van algemene voorschriften betreffende de definitie, de aanduiding en de aanbiedingsvorm van gearomatiseerde wijnen, gearomatiseerde dranken op basis van wijn en gearomatiseerde cocktails van wijnbouwproducten (laatste wijziging EG 2061/96 d.d. 8/10/1996).
De Raad van de Europese Gemeenschappen heeft in haar Richtlijn EG 92/83 (structuurrichtlijn) uniforme regels vastgesteld.
Indien de Raad alle producten waarin bepaalde hoeveelheid alcohol wordt aangetoond steeds als ethylalcohol in de zin van artikel 20 eerste streepje EG 92/83 had willen aanmerken, dan was een gecompliceerde regeling zoals vastgelegd in EG 92/83 en de GN (Verordening EG 2658/87) niet noodzakelijk geweest.
Voor het antwoord op de vraag of de basisdrank (in het jaar 2006) als ethylalcohol in de zin van tariefpost 2208 moet worden aangemerkt, constateert belanghebbende dat de Europese Commissie eerst op 14 december 2011 kenbaar heeft gemaakt dat uitsluitend zgn. ‘neutral alcoholic bases’ ingaande 1 januari 2012 moeten worden ingedeeld in tariefpost 2208 (zie EG 2011/C-364 d.d. 14 december 2011/bijlage 4).
De betekenis van deze recente indelingsverordening is tweeledig:
- 1.
Het betreft ‘neutral alcoholic bases’ die in het geheel geen kleur of aromatische bestanddelen meer bevatten. Hiervan is overigens bij de basisdrank geen sprake. De in geschil zijnde basisdrank betreft een drank in de zin van hoofdstuk 22 van de GN.
- 2.
De Europese Commissie is van mening dat er een indelingsverordening vereist is om deze ‘neutral alcoholic bases’ in te delen in tariefpost 2208.
Deze indelingsverordening betekent dat de Europese Commissie van mening is dat tot 1 januari 2012 zelfs ‘neutral alcoholic bases’, zoals genoemd in EG 2011/C-364, niet in tariefpost 2208 kunnen worden ingedeeld!
Waarom zou de Europese Commissie deze indelingsverordening maken als men deze ‘neutral alcoholic bases’ toch reeds op grond van de GN-toelichting onder tariefpost 2208 zou moeten indelen?
Het antwoord is, zoals reeds gesteld, duidelijk: zonder een (nieuwe) indelingsverordening is indeling in tariefpost 2208 niet mogelijk!
Belanghebbende wijst er ten overvloede op, dat deze indelingsverordening (EG 2011/C-364) formeel een daad van wetgeving is en als zodanig van algemene strekking. Zij heeft betrekking op alle producten van de beschreven soort en is in het belang van een uniforme toepassing van de GN.
Een indelingsverordening is in principe van constitutieve aard en kan dus niet met terugwerkende kracht worden toegepast en dus ook geen inbreuk maken op verkregen rechten, zoals bijvoorbeeld besluit van de Staatssecretaris d.d. 7/20/2005 (CCP 2005/1510 M) (zie E.N. Punt/D.G. van Vliet, Douanerechten F.M. nr. 90 blz. 148/149).
Ook het standpunt van ECJ in onder meer C-67/95 (Rank Xerox) r.o. 22 sluit hierbij eveneens naadloos aan.
ECJ overweegt …‘dat zelfs al kan niet worden uitgesloten dat de technische ontwikkelingen in de betrokken industriesector het opstellen van een nieuwe tariefindeling rechtvaardigen, het aan de bevoegde gemeenschapsinstelling staat daarmee rekening te houden door het gemeenschappelijk douanetarief te wijzigen. Zolang dit niet is geschied, mag het douanetarief dan ook niet verschillend worden uitgelegd al naar gelang van de technische ontwikkeling.’
Anders gezegd: technologische en innovatieve ontwikkelingen kunnen belanghebbende niet worden tegengeworpen, zolang de regelgeving niet is aangepast.
Nu men dient te concluderen dat de basisdrank valt onder de tariefpost 2206 mogen hieraan volgens GN-toelichting, mengsels van alcoholvrije dranken, zoals in casu bestaande uit water en (natuurlijke) geur-, kleur en smaakstoffen, worden toegevoegd.
Eveneens blijft volgens de toelichting dit mengsel in tariefpost 2206 ingedeeld wanneer (gedistilleerde) alcohol is toegevoegd.
Onderstaande overweging van Verordening EG 1601/91 is in de context van het onderhavige geschil lezenswaardig en interessant bij de beoordeling van (innovatieve) producten van vruchtenwijn, zoals Petrikov Creamy Green.
Overweging 3 van genoemde Verordening, luidt: ‘Overwegende dat een passend kader dient te worden geschapen voor gearomatiseerde dranken die hoofdzakelijk bestaan uit wijn of most, waarbij ontwikkeling en innovatie voor deze producten mogelijk wordt gemaakt’, …
Voorts wijst belanghebbende op art. 3 letter b en c van de Verordening, waarin wordt gemeld: ‘Toevoeging van deze stoffen (aroma's, kruiden, specerijen, smaakgevende voedingsmiddelen) verleent aan het eindproduct andere organoleptische eigenschappen dan die van wijn’.
Deze bepaling sluit vervolgens één op één met het standpunt van Harmonised System Committee (HSC) van de Wereld Douane Organisatie (WCO) omtrent tariefpost 2206. Belanghebbende verwijst hiervoor naar bijlage 6.1 en 6.4 bij beroepschrift Rechtbank Haarlem.
Voor bijlage 6.1 (HSC: NC 111 E.1.a) is van belang punt 33 (‘permeation technique’ wordt toegestaan). Voor bijlage 6.4 (HSC/NC 1171 E.1.a.) is van belang punt 28, luidende: ‘The Secretariat takes this conclusion to mean that the fact that it is not possible to identify an alcoholic solution as fermented product by organoleptic evaluation does not prevent it from being classified in heading 2206 as long as its nature of fermented product can be determined by a laboratory analysis. In other words: account should be taken of the chemical composition of the products and not only of organoleptic qualities for the purposes of classification in heading 2206’.
Onder verwijzing naar ECJ C-106/84 (Commissie van Denemarken) waarin ECJ besliste dat wijn van druiven en wijn van vruchten (fiscaal) gelijkwaardig moeten worden behandeld, betekent dit dat het hiervoor genoemde standpunten van de Europese Commissie omtrent de organoleptische eigenschappen en filtratie/permeation techniques (Verordening EG 1601/91) eveneens voor wijn van vruchten van toepassing zijn.
Overigens is in deze context ook zeer bepalend hetgeen tijdens de behandeling van Verordening EG 2802/95 door ‘Commission Legal Services’ is gemeld over Apfelroyale (appelwijn) met betrekking tot de indeling 2206/2208.
Legal Services adviseerde dat indeling onder tariefpost 2206 juist was, niettegenstaande het feit dat 82% van de alcohol gedistilleerde alcohol betrof.
Toentertijd was de Commissie van mening dat in het geval producten opnieuw moesten worden ingedeeld en wel van 2206 naar 2208, vervolgens ook soortgelijke wijnproducten (versterkt met gedistilleerde alcohol) moesten worden ingedeeld onder tariefpost 2208. En dit laatste wilde men niet, dus werd versterken met gedistilleerde alcohol ook bij 2206-producten toegestaan.
Conclusie cassatiemiddel 1
Het Hof gaat ten onrechte voorbij aan de inhoud en de strekking van genoemde Verordeningen en jurisprudentie. De uitspraak van het Hof is in strijd met, noch vindt enige steun bij de hiervoor genoemde (Europese) regelgeving en uitspraken van ECJ en kan reeds op die gronden niet in stand blijven. Ook de ovenwegingen van het Hof omtrent de deskundigenrapportage kunnen de beslissing van het Hof niet dragen. Op deze overweging kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven.
Cassatiemiddel 2: Likeur
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in bijzonder de regelgeving van likeuren.
Het Hof is blijkens r.o. 6.5 van mening dat de in geschil zijnde drank als een likeur in de zin van tariefpost 220870 moet worden aangemerkt. Deze conclusie is strijdig met het recht en ook overigens onvoldoende gemotiveerd noch begrijpelijk.
Toelichting
Voor een omschrijving van het begrip likeur wijst belanghebbende op Verordening EG 110/2008 d.d. 15/1/2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken (Gedistilleerd Verordening).
In bijlage 2 bij deze Verordening is gemeld dat een likeur een gedistilleerde drank is die o.m.:
- —
een suikergehalte van 100 gram per liter heeft;
- —
een alcoholvolume gehalte bezit van tenminste 15% vol.
In dit verband is het tevens van belang kennis te nemen van de ‘Gemeenschappelijke en Praktische Handleiding van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie’ bij de opstelling van wetteksten d.d. 16/3/2000. Deze handleiding is gebaseerd op het Besluit van de Europese Commissie Algemene Richtsnoeren voor het wetgevingsbeleid (SEC (1995) 2255/7 d.d. 18/1/1996).
Deze handleiding vereist volgens artikel 4.3 homogeniteit met andere communautaire wetgevingsbesluiten.
Ook de GS-toelichting op tariefpost 2208 biedt, in tegenstelling tot hetgeen het Hof stelt, geen enkele steun aan haar oordeel. De visuele waarneming, een hoog suikergehalte en de toevoeging van gedistilleerde alcohol, aroma's en de groene kleur zijn hierin niet leidend. Leidend is hierin de vergiste basisdrank hetgeen door partijen niet is bestreden.
Op basis van indelingsregel 1 en 6 van de Gecombineerde Nomenclatuur voldoet de drank aan de voorwaarden voor indeling onder tariefpost 2206, aan tariefpost 2208 komt men dan niet toe, immers juist een correcte toepassing van de Gecombineerde Nomenclatuur in het algemeen en hoofdstuk 22 in het bijzonder, maakt deze zogenaamde ‘jumping to conclusions’ niet mogelijk.
In het geval het Hof van mening is dat op grond van enige (Nederlandse) wet- of regelgeving (quod non) Petrikov Creamy Green als een likeur moet worden gekwalificeerd, dan is dit in ieder geval strijdig met de hiervoor genoemde Gedistilleerd Verordening.
Conclusie cassatie middel 2
Bovenstaande leidt tot de conclusie dat aan de kwalificatie van de onderhavige drank als likeur, zoals door het Hof gedaan, iedere rechtsgrond ontbreekt en derhalve niet in stand kan blijven.
Cassatiemiddel 3: Besluit staatssecretaris
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder het besluit van de Staatssecretaris d.d. 7/10/2005.
Toelichting bij cassatiemiddel 3
Heb besluit van de Staatssecretaris d.d. 7/10/2005 (CCP 2005/1510 M) bepaalt dat dranken die zowel gefermenteerde als gedistilleerde alcohol bevatten, het karakter van een gegiste drank hebben als kan worden vastgesteld dat meer dan 50 gewichtsprocenten van het totale alcoholvolume-percentage de gistingskenmerken heeft van ongezuiverde gegiste alcohol.
Dit criterium is vastgelegd bij de beantwoording van de vraag: hoe moeten mixdranken die bestaan uit onder andere gedistilleerde alcohol, wijnferment, kleur-, reuk- en smaakstoffen en suiker worden ingedeeld?
Deze wijnfermenten zijn volgens de vraagstelling verkregen door partijen suikeroplossing/vruchtensap te vergisten en vervolgens te zuiveren door middel van technieken als osmose en ultrafiltratie, waarbij het wijnferment een gedeelte van zijn gistingskenmerken verliest en grote gelijkenis heeft met gedistilleerde alcohol.
Belanghebbende is van mening, dat de in geschil zijnde drank Petrikov Creamy Green geheel past binnen de criteria van het besluit d.d. 7/10/2005. Nu dit besluit eerst ingaande 1/1/2010 is ingetrokken (CCP 2009/2274M) heeft het Hof op onjuiste gronden beslist, respectievelijk niet of onvoldoende gemotiveerd, dat het besluit d.d. 7/10/2005 niet ziet op de in geschil zijnde drank, Petrikov Creamy Green (zie r.o. 6.7).
In deze wil belanghebbende benadrukken dat de Belastingdienst/Douane Noord middels haar rapport van d.d. 7 juni 2007 (bijlage 5) zelfs specifiek heeft aangegeven dat op basis van het besluit in 2005 het onderhavige product Petrikov Creamy Green ingedeeld dient te worden onder tariefpost 2206 (pagina 43 van bijlage 5). Het oordeel van het Hof strookt hier niet met de handelswijze van de Belastingdienst/ Douane.
Conclusie cassatiemiddel 3
Het Hof is ten onrechte voorbij gegaan aan het besluit van de Staatssecretaris d.d. 7/10/2005 en de juiste toepassing hiervan. Reeds op deze grond vindt de beslissing van het Hof geen steun in de wet.
Cassatiemiddel 4: Toepassing beginselen van behoorlijk bestuur
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Toelichting bij cassatiemiddel 4
Belanghebbende is van mening zich te mogen beroepen op onder meer het besluit van de Staatssecretaris d.d. 7/10/2005 (CCP 2005/1510M), Verordening EG 600/2006 (PbL 106/blz. 5) en standpunt HSC, zoals verwoord in haar verslagen NC 111 E.1.a. en 1171 E.1.a (zie bijlage 6.1 en 6.4 beroepschrift Rechtbank Haarlem).
Belanghebbende meent hieraan het vertrouwen te mogen ontlenen dat de in geschil zijnde drank onder tariefpost 2206 moet worden ingedeeld.
Toepassing van de indelingsregels op basis van de uitleg die de Belastingdienst/Douane meent te mogen geven aan het GS en de GN alsmede de toelichtingen, leidt tot ongelijke behandeling, waarvoor geen enkele objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.
Belanghebbende is van mening dat het zgn. ‘stroomschema’ (zie bijlage 4 bij beroepschrift Rechtbank Haarlem en bijlage 5), welke volgens de Belastingdienst/Douane moet worden gehanteerd voor de indeling van onder meer de in geschil zijnde drank Petrikov Creamy Green, strijdig is met de (internationale) regelgeving. Dit ‘stroomschema’ kan derhalve geen grondslag vormen voor de indeling van Petrikov Creamy Green in tariefpost 2208. Toepassen van dit stroomschema door de Belastingdienst is strijdig met beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de beginselen van gelijke behandeling, zorgvuldigheid en rechtszekerheid. De Belastingdienst/Douane kan niet geheel eigenmachtig een uitleg geven aan internationale regelgeving, omdat de toepassing van deze internationale regelgeving haar, om niet nader geduide overwegingen, niet convenieert.
De Belastingdienst/Douane heeft in dit kader geen enkele beoordelingsmarge (marge of appreciation) omdat deze marge uitsluitend wordt bepaald door de (internationale) regelgeving.
Conclusie cassatiemiddel 4
Het Hof heeft niet, althans niet voldoende, gemotiveerd op welke gronden de Belastingdienst/Douane voorbij kan gaan aan de regelgeving en toepassing van beginselen van behoorlijk bestuur.
Cassatiemiddel 5: Siebrand arrest ecj c-150/08
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder de uitspraak van het Europees Hof van Justitie (ECJ C-150/08).
Toelichting cassatiemiddel 5
Blijkens r.o. 6.1 en 6.6 baseert het Hof haar beslissing omtrent de indeling van Petrikov Creamy Green ‘in het voetspoor’ van de uitspraak ECJ (C-150/08) en HR 13/9/2009 nr. 43038bis.
Het hof gaat hier ten onrechte volledig voorbij aan hetgeen door belanghebbende is gesteld met betrekking tot het Siebrand-arrest, namelijk:
- 1.
de Siebrand casus ziet op geheel andere producten, waarbij het aandeel gedistilleerde alcohol niet in overeenstemming is met het besluit van de Staatssecretaris d.d. 7/10/2005;
- 2.
uitleg van de strekking door Directoraat Generaal TAXUD van de Europese Commissie (zie bijlage 1 bij pleitnota d.d. 13/12/2011 Gerechtshof Amsterdam), waarbij DG TAXUD de strekking van het Siebrand arrest sterk beperkt.
Belanghebbende acht het onbegrijpelijk dat het Hof miskent en geheel voorbij gaat aan de interpretatie van het Siebrand arrest door DG TAXUD, omdat een van de doelstellingen van DG TAXUD is bijstand te verlenen aan de lidstaten voor een correcte toepassing van ‘EU tax and customs’ en het monitoren van een juiste implementatie en toepassing van ‘tax and customs legislation’.
Belanghebbende wijst erop dat DG TAXUD van mening is dat het Siebrand-arrest geen gevolgen heeft voor ‘traditional products of headings 2206’. Dit steunt de stelling dat het Siebrand-arrest alleen betekenis heeft voor eindproducten, waar geen sprake is van een basisdrank in de zin van tariefpost 2206.
Dit laatste sluit eveneens aan met het maltbase arrest van uw Raad (HR 19/6/2009 nr. 44029) en het Paderborner Brauerei arrest (ECJ C-196/10).
Conclusie cassatiemiddel 5
Belanghebbende is van mening dat het Hof de uitspraak van ECJ in C-150/08 onjuist interpreteert respectievelijk toepast, alsmede de toelichting en uitleg van DG TAXUD van het Siebrand arrest miskent en daarmede een uniforme toepassing van (internationale) regelgeving frustreert.
Aan deze toelichting, die moet leiden tot uniforme toepassing van regelgeving, gaat het Hof ten onrechte voorbij.
Cassatiemiddel 6: Vergoeding proceskosten
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van vormen die nietigheid met zich brengt, omdat het Hof geen vergoeding van proceskosten heeft toegekend.
Toelichting bij cassatiemiddel 6
De Belastingdienst/Douane heeft tegen beter weten in de gevraagde BTI geweigerd. Ter motivering verwijst belanghebbende naar de hiervoor genoemde cassatiemiddelen. Belanghebbende is van mening dat de Belastingdienst/Douane met voorbij gaan aan de bestaande (internationale) regelgeving lichtvaardig heeft gehandeld.
Conclusie cassatiemiddel 6
Belanghebbende is van mening dat het Hof ten onrechte niet heeft veroordeeld tot het vergoeden van proceskosten.
Eindconclusie
Belanghebbende verzoekt uw Raad, op grond van bovenstaande cassatiemiddelen, de uitspraak van het Hof te vernietigen, de uitspraak van Rechtbank Haarlem te bevestigen en te bevestigen dat de in geschil zijnde drank Petrikov Creamy Green moet worden ingedeeld in tariefpost 2206 met een dienovereenkomstig luidende BTI.
Tot slot verzoekt belanghebbende uw Raad de Belastingdienst/Douane te veroordelen tot het vergoeden van griffierechten en de kosten van dit cassatieberoep.
Hoogachtend,
Uitspraak 24‑10‑2014
Inhoudsindicatie
Douanerechten; posten 2206 en 2208 van de GN; bindende tariefinlichting voor een alcoholhoudende drank die is bereid op basis van gefermenteerde alcohol en waaraan voor minder dan 50 percent gedistilleerde alcohol is toegevoegd, alsmede suiker, magere melk, plantaardig vet en aroma’s; prejudiciële vragen.
Partij(en)
24 oktober 2014
nr. 12/01620
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 februari 2012, nr. 08/00110 DK, betreffende een bindende tariefinlichting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Op verzoek van belanghebbende is door de Inspecteur bij beschikking een bindende tariefinlichting gegeven. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de beschikking bij uitspraak gehandhaafd.
De Rechtbank (nr. AWB 07/4330) heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de bindende tariefinlichting vernietigd, en bepaald dat het product moet worden ingedeeld in postonderverdeling 2206 00 59 van de Gecombineerde Nomenclatuur.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 13 september 2013 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. De conclusie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Hoge Raad heeft partijen in kennis gesteld van zijn voornemen het Hof van Justitie van de Europese Unie te verzoeken een prejudiciële beslissing te geven. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, gereageerd op de aan partijen in concept voorgelegde vraagstelling.
3. Beoordeling van de middelen
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht voor het product ‘Petrikov Creamy Green’ (hierna: de drank) een bindende tariefinlichting te verstrekken en de drank in te delen in postonderverdeling 2206 00 59 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN).
De Inspecteur heeft bij beschikking de onderwerpelijke bindende tariefinlichting verstrekt maar daarbij de drank ingedeeld in postonderverdeling 2208 70 10 van de GN.
3.1.2.
De drank is vervaardigd door een gegiste drank, aangeduid als Ferm Fruit, te mengen met gedistilleerde alcohol, suiker(stroop), magere melk, plantaardig vet en aroma’s. Het alcoholvolumepercentage van de drank bedraagt 13,4. Van de alcohol is minstens 51 percent afkomstig van ‘vergisting’.
3.1.3.
De hiervoor in 3.1.2 bedoelde gegiste drank met de naam Ferm Fruit heeft een alcoholvolumepercentage van 16 en is bereid uit door gisting van fruit ontstane alcohol die vervolgens is gezuiverd door toepassing van verschillende filtratieprocessen (ultrafiltratie, Kiezelguhr-filtratie, microfiltratie en carbonfiltratie). Deze (basis)drank is wat geur, kleur en smaak betreft neutraal. Deze is als zodanig voor menselijke consumptie geschikt en niet uitsluitend bestemd voor de bereiding van eindproducten.
3.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de drank met toepassing van de algemene indelingsregels 1 en 6 als likeur moet worden ingedeeld in postonderverdeling 2208 70 10 van de GN. Naar het oordeel van het Hof heeft de drank door een hoog suikergehalte, door de toevoeging van gedistilleerde alcohol, van aroma’s en van roombase, en door de groene kleur, mede gelet op de GS-toelichting op post 2208 van de GN, de objectieve kenmerken en eigenschappen van een likeur van postonderverdeling 2208 70 van de GN.
3.3.
De middelen 3 en 4 betogen dat de Inspecteur op grond van algemene beginselen van behoorlijk bestuur was gehouden voor de drank een bindende tariefinlichting te verstrekken waarbij de drank wordt ingedeeld in postonderverdeling 2206 00 59 van de GN. Die middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.4.1.
De middelen 1, 2 en 5 richten zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het hiervoor in 3.2 vermelde oordeel van het Hof dat de drank als likeur moet worden ingedeeld onder post 2208 van de GN.
3.4.2.
Post 2206 van de GN (tekst 2006; Verordening (EG) nr. 1719/2005, Pb 2005, L 286) luidt:
“Andere gegiste dranken (bijvoorbeeld appelwijn, perenwijn, honingdrank); mengsels van gegiste dranken en mengsels van gegiste dranken met alcoholvrije dranken, elders genoemd noch elders onder begrepen”
De GS-toelichting op post 2206 van de GN bevat met betrekking tot de in de tekst van de post bedoelde dranken de volgende passage:
“They remain classified in the heading when fortified with added alcohol or when the alcoholcontent has been increased by further fermentation, provided that they retain the character of products falling in the heading.”
Post 2208 van de GN luidt:
“Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcohol-volumegehalte van minder dan 80% vol; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten”
Onderverdeling 2208 70 van de GN betreft “likeuren”, onderverdeling 2208 90 “andere” dranken en producten bedoeld in post 2208.
De GS-toelichting op post 2208 van de GN vermeldt onder (B):
“Liqueurs and cordials, being spirituous beverages to which sugar, honey or other natural sweeteners and extracts or essences have been added (e.g., spirituous beverages produced by distilling, or by mixing, ethyl alcohol or distilled spirits, with one or more of the following: fruits, flowers or other parts of plants, extracts, essences, essential oils or juices, whether or not concentrated). These products also include liqueurs and cordials containing sugar crystals, fruit juice liqueurs, egg liqueurs, herb liqueurs, berry liqueurs, spice liqueurs, tea liqueurs, chocolate liqueurs, milk liqueurs and honey liqueurs."
3.4.3.
Vooropgesteld wordt dat in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 mei 2009, Siebrand B.V., C-150/08, ECLI:EU:C:2009:204, BNB 2009/160 (hierna: het arrest Siebrand), aanwijzingen zijn gegeven als het gaat om de tariefindeling van dranken die zijn bereid door aan een gegiste (basis)drank gedistilleerde alcohol alsmede andere stoffen toe te voegen. Het Hof van Justitie overwoog in punt 26 dat volgens de GS-toelichting op post 2206 de toevoeging van alcohol aan de onder deze post vallende dranken zich niet ertegen verzet dat die dranken daaronder ingedeeld blijven, voor zover zij het karakter hebben behouden van de in deze post ingedeelde dranken. Aangezien de in het arrest Siebrand in geding zijnde producten de kleur, de smaak, de geur en het uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct vervaardigde drank hebben verloren, moet naar het oordeel van het Hof van Justitie (punt 27) ervan worden uitgegaan dat die producten niet zonder meer met toepassing van algemene indelingsregel 1 onder post 2206 van de GN kunnen worden ingedeeld.
3.4.4.
In het arrest Siebrand oordeelde het Hof van Justitie vervolgens, overwegende dat de verschillende stoffen waaruit die dranken bestonden onder verschillende tariefposten vallen, dat sprake is van mengsels, die met toepassing van algemene indelingsregel 3b van de GN moeten worden ingedeeld. Mengsels moeten volgens deze regel worden ingedeeld in de tariefpost waarin het bestanddeel wordt ingedeeld dat het wezenlijke karakter van het mengsel bepaalt. Bij het bepalen van het wezenlijke karakter van het mengsel heeft het Hof van Justitie gewicht toegekend aan de bijdrage van de gedistilleerde alcohol aan het totale volume van de producten alsmede aan de omstandigheid dat de gedistilleerde alcohol aan het alcoholgehalte meer bijdraagt dan de gegiste alcohol (punt 35), aan de bijzondere organoleptische eigenschappen wanneer die stroken met in post 2208 van de GN ingedeelde producten (punten 36 en 37), en aan de inherente bestemming wanneer die strookt met die van in post 2208 van de GN ingedeelde producten (punt 38).
3.5.1.
De vraag rijst hoe de hiervoor in 3.4.4 door het Hof van Justitie gegeven aanwijzingen in deze zaak moeten worden uitgelegd en toegepast om te bepalen of de drank het wezenlijke karakter van een onder post 2208 van de GN vallende drank heeft (verkregen).
3.5.2.
In de eerste plaats rijst de vraag of het gaat om een opsomming van criteria waaraan cumulatief moet zijn voldaan om een drank vanwege zijn wezenlijke karakter te beschouwen als een drank die valt onder post 2208. Met andere woorden, brengt het in punt 35 van het arrest Siebrand overwogene mee dat de hoeveelheid toegevoegde gedistilleerde alcohol zowel in volume als in gehalte hoger moet zijn dan de aanwezige gegiste alcohol opdat de drank het wezenlijke karakter kan verkrijgen van een drank van post 2208, ongeacht de eventuele andere (organoleptische) eigenschappen en kenmerken. Of dient, ook indien de hoeveelheid gegiste alcohol in de drank hoger is dan de hoeveelheid gedistilleerde alcohol, niettemin te worden nagegaan of de organoleptische eigenschappen alsmede de inherente bestemming van de drank stroken met die van producten die onder post 2208 van de GN worden ingedeeld?
Bij de hiervoor omschreven vragen wordt opgemerkt dat het volumepercentage alcohol van de drank (13,4) niet wezenlijk anders is dan het in het algemeen in gegiste vruchtendranken voorkomende alcoholvolumepercentage, terwijl in het algemeen voor gedistilleerde dranken, likeuren en andere (traditionele) dranken die gedistilleerde alcohol bevatten, geldt dat het alcoholgehalte hoger is dan 13,4. Voorts valt uit de GS-toelichting op post 2206 af te leiden dat toevoegingen aan gegiste dranken, andere dan gedistilleerde alcohol, niet meebrengen dat een drank niet meer onder post 2206 van de GN kan worden ingedeeld. Met andere woorden, ook indien een gegiste drank door toevoegingen – andere dan gedistilleerde alcohol - zijn oorspronkelijke smaak, geur en/of het uiterlijk uit een bepaalde vrucht of een bepaald natuurproduct heeft verloren en daardoor een andere geur en smaak (al dan niet van een andere vrucht) heeft verkregen, sluiten kennelijk die toevoegingen indeling in post 2206 van de GN niet uit.
Dit een en ander zou kunnen betekenen dat voor het bepalen van het onderscheid tussen producten die worden ingedeeld onder post 2206 of onder post 2208 van de GN vooral (‘in de eerste plaats’) meer betekenis moet worden gehecht aan de in punt 37 van het arrest Siebrand bedoelde verhoudingen tussen gegiste en gedistilleerde alcohol, dan aan de andere objectieve eigenschappen en kenmerken van de producten. Wanneer de gegiste alcohol de gedistilleerde alcohol in een drank zowel in volume als in gehalte overtreft, en daarenboven het alcoholvolumepercentage van een drank blijft stroken met die van een drank van post 2206, blijft de gegiste alcohol en daarmee de gegiste drank het wezenlijke karakter bepalen, ook indien door andere toevoegingen als suikers en aroma’s de smaak, de geur en/of het uiterlijk van de oorspronkelijke vrucht verloren is gegaan.
Wanneer het Hof van Justitie met de in punten 35 tot en met 39 van het arrest Siebrand heeft bedoeld te oordelen dat vooral betekenis gehecht moet worden aan de geur, de smaak en/of het uiterlijk alsmede de inherente bestemming van de producten en niet zozeer aan de verhouding gegiste en gedistilleerde alcohol, zou dat betekenen dat ook mengsels waaraan gedistilleerde alcohol slechts in (zeer) beperkte hoeveelheden is toegevoegd, maar die wel (organoleptische) eigenschappen en kenmerken hebben die stroken met die van producten van post 2208 van de GN, het wezenlijke karakter van producten van post 2208 hebben. Hierbij zou een rol kunnen spelen dat de hiervoor in 3.1.3 bedoelde (basis)drank Ferm Fruit is verkregen na diverse filtratieprocessen en wat smaak, geur en kleur betreft neutraal is.
3.5.3.
Het onderhavige geschil omtrent de indeling van de drank is ontstaan naar aanleiding van een op verzoek van belanghebbende verstrekte bindende tariefinlichting. Dit brengt mee dat wanneer de drank vanwege het wezenlijke karakter daarvan niet kan worden ingedeeld onder post 2206 van de GN, maar moet worden ingedeeld onder post 2208, moet worden beoordeeld in welke onderverdeling van post 2208 van de GN (tot op 8-cijferniveau) de drank moet worden ingedeeld.
In dit verband rijst de vraag of juist is het hiervoor in 3.2 omschreven oordeel van het Hof dat alsdan de drank met toepassing van algemene indelingsregels 1 en 6 als “likeuren” in postonderverdeling 2208 70 van de GN moet worden ingedeeld. Het Hof heeft op basis van het hoge suikergehalte, de toevoeging van gedistilleerde alcohol, aroma’s en roombase alsmede de groene kleur geoordeeld dat de drank als een likeur in de zin van de GN moet worden beschouwd. Noch de hiervoor in 3.4.2 aangehaalde GS-toelichting noch de GN of de toelichting daarop geven echter een voldoende nauwkeurige omschrijving van het begrip “likeuren” om te bepalen of de drank als een likeur bedoeld in postonderverdeling 2208 70 van de GN moet worden aangemerkt dan wel als “andere” drank die gedistilleerde alcohol bevat bedoeld in onderverdeling 2208 90 van de GN. De vraag is daarom welke criteria gelden om de drank als een likeur in te delen.
3.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de Hoge Raad op de voet van artikel 267 VWEU prejudiciële vragen voorleggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot de uitlegging van het recht van de Unie.
4. Beslissing
De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak te doen over de volgende vragen:
Dient post 2206 van de GN aldus te worden uitgelegd dat een drank met een alcoholvolumepercentage van 13,4, welke is verkregen door een als ‘Ferm fruit’ aangeduide, door gisting van appelconcentraat verkregen, gezuiverde alcoholhoudende (basis)drank te mengen met suiker, aroma’s, kleur- en smaakstoffen, verdikkingsmiddelen, conserveermiddelen en gedistilleerde alcohol – in die zin dat deze alcohol zowel in volume als in percentage niet meer is dan 49 percent van de in de drank voorkomende alcohol, terwijl 51 percent daarvan bestaat uit door gisting verkregen alcohol –, moet worden ingedeeld onder deze post? Zo nee, dient postonderverdeling 2208 70 van de GN zo te worden uitgelegd dat een drank als deze als likeur onder deze postonderverdeling moet worden ingedeeld?
De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van het vorenstaand verzoek uitspraak heeft gedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, E.N. Punt en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2014.
Conclusie 13‑09‑2013
Inhoudsindicatie
Belanghebbende heeft op 6 december 2005 een aanvraag ingediend voor een bindende tariefinlichting (hierna: bti) voor het product "Petrikov Creamy Green" (hierna: Petrikov) dat blijkens het aanvraagformulier een gearomatiseerde drank is op basis van gefermenteerde alcohol, versterkt met gedistilleerde alcohol tot 12,5% vol. De drank is een ondoorzichtige, groen gekleurde drank met een alcoholgehalte van 13,4% vol. (waarvan meer dan de helft van vergisting afkomstig). De Inspecteur heeft een bti afgegeven, maar heeft, anders dan belanghebbende voorstond, Petrikov in deze bti ingedeeld onder post 2208 70 10 van de GN ('likeuren in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 liter'). Belanghebbendes eerste vijf cassatiemiddelen richten zich met diverse argumenten tegen de indeling van Petrikov in post 2208 70 10 van de GN. Het zesde middel ziet op het door het Hof achterwege laten van een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten. A-G van Hilten gaat eerst in op hoofdstuk 22 van de GN en specifieker op de posten 2206 en 2208, de algemene indelingsregels en het arrest van het Hof van Justitie van de EU (hierna: HvJ) van 7 mei 2009, Siebrand , C-150/08, BNB 2009/160 (hierna: Siebrand) waarin het HvJ bij de beantwoording van de prejudiciële vragen als uitgangspunt nam dat de in te delen dranken de smaak, de geur en/of het uiterlijk van een uit een bepaald natuurproduct vervaardigde drank, dat wil zeggen, een gegiste drank hadden verloren. Uit de overwegingen van dit arrest leidt A-G van Hilten af dat bij de bepaling van het karakter van een (mix)drank aspecten een rol spelen als de verhouding waarin de gedistilleerde alcohol staat tot de gegiste alcohol, maar met name ook de smaak, de geur en het uiterlijk van het in te delen product. Samenvattend omvat post 2206 van de GN dranken(1) met gegiste alcohol ook indien daaraan (onder meer) gedistilleerde alcohol is toegevoegd, mits door deze toevoeging(en) het - aan de hand van met name organoleptische eigenschappen te bepalen - karakter van de drank als gegiste drank niet is veranderd. Vervolgens gaat AG Van Hilten in op de indeling van Petrikov. De basis van Petrikov - Ferm Fruit - is een drank waarvan de daarin aanwezige alcohol uitsluitend door (verhitting en) vergisting is verkregen. Ferm Fruit heeft een alcoholpercentage van 16% vol. Het sap in Ferm Fruit is niet afkomstig van druiven, krenten of rozijnen. Ferm Fruit is ontstaan door een proces waarbij filtratie is toegepast. Op basis van het vorenstaande en het gegeven dat Ferm Fruit, naar vaststaat, een drank is, meent A-G Van Hilten dat dit basisproduct valt in te delen onder (de bewoordingen van) post 2206 van de GN, zij verwijst naar onderdeel 7 van haar conclusie van heden in zaak nr. 12/05758. Het Hof heeft geoordeeld dat Petrikov moet worden ingedeeld in post 2208 van de GN, meer specifiek onder de daarin vermelde 'likeuren' van tariefpostonderverdeling 2208 70 van de GN. Het Hof kwam tot dit oordeel, zo leidt zij af uit punt 6.5 van de uitspraak, (mede) aan de hand van de objectieve eigenschappen van het product zelf - met name de samenstelling en de kleur. Nu de GS-toelichting aan de kwalificatie van een product als likeur geen eisen stelt aan het alcoholgehalte van de in te delen drank, meent A-G Van Hilten dat het Hof terecht geen relevantie heeft toegekend aan het alcoholgehalte van Petrikov. Zij komt tot de slotsom dat het oordeel van het Hof niet is gestoeld op een onjuiste rechtsopvatting en overigens een feitelijk oordeel is dat niet onbegrijpelijk en niet onvoldoende is gemotiveerd. A-G Van Hilten gaat vervolgens in op de overige cassatiemiddelen van belanghebbende. Zij bespreekt kort de definitie van 'likeur' en het gegeven dat geen eenheid van de betekenis van terminologie kan worden vereist tussen de mondiaal vastgestelde indeling van goederen en E(E)G of EU-verordeningen die voor andere doeleinden geschreven zijn. Ten slotte concludeert Van Hilten dat de middelen die zien op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en verkeerde uitleg van het arrest Sierbrand geen doel treffen. Ook ziet de A-G geen reden tot toekenning van proceskosten aan belanghebbende. De conclusie strekt tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie. 1 Andere dan die welke onder de posten 2203 tot en met 2205 vallen.
Partij(en)
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
mr. M.E. van Hilten
Advocaat-Generaal
Conclusie van 13 september 2013 inzake:
HR nr. 12/01620 | [X] B.V. |
Hof nr. 08/00110 DK Rb nr. AWB 07/4330 | |
Derde Kamer A | tegen |
Douanerechten 2006 | staatssecretaris van Financiën |
1. Inleiding
1.1.
Hoewel het Hof van Justitie van de EU (hierna: HvJ) zich over de indeling van gegiste dranken waaraan gedistilleerde alcohol is toegevoegd al heeft uitgelaten in zijn arrest van 7 mei 2009, Siebrand, C-150/08, BNB 2009/160 (hierna: arrest Siebrand), zijn de indelingsproblemen rond dergelijke dranken de wereld nog niet uit. Getuige onder meer1.deze zaak, waarin een gegiste drank met diverse toevoegingen, waaronder gedistilleerde alcohol, moet worden ingedeeld.
1.2.
De drank in kwestie is Petrikov Creamy Green (hierna: Petrikov), een ondoorzichtige, groen gekleurde drank met een alcoholgehalte van 13,4% vol.2.(waarvan meer dan de helft van vergisting afkomstig). Rechtbank Haarlem (hierna: de Rechtbank) was van oordeel dat Petrikov als gegiste drank moet worden ingedeeld onder post 2206 van de Gecombineerde Nomenclatuur (verder: GN), hof Amsterdam (hierna het Hof) oordeelde dat Petrikov een likeur (c.q. een drank met gedistilleerde alcohol) van post 2208 van de GN is.
1.3.
Het oordeel van het Hof dat sprake is van een likeur acht ik feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft het oordeel dat er sprake is van een likeur, behalve op “hetgeen partijen over en weer hebben gesteld” gebaseerd op objectieve eigenschappen van het product, zoals suikergehalte en kleur.
1.4.
Het ten overvloede gegeven oordeel van het Hof dat Petrikov - gezien de GS-toelichting op post 2206 en de uitlegging van die post door het HvJ in het arrest Siebrand - niet onder post 2206 van de GN kan worden ingedeeld, acht ik juist, zij het dat ik de daartoe gebezigde argumenten van het Hof niet volg.
1.5.
De door belanghebbende aangevoerde (zes) middelen treffen geen van alle doel. Ik concludeer tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie.
2. Feiten en procesverloop
2.1.
Belanghebbende heeft op 6 december 2005 een aanvraag ingediend voor een bindende tariefinlichting (hierna: bti) voor het product “Petrikov Creamy Green”, blijkens het aanvraagformulier een:
“gearomatiseerde drank op basis van gefermenteerde alcohol versterkt met gedistilleerde alcohol tot 12,5% vol.”
2.2.
Petrikov is in de aanvraag als volgt omschreven:
“Ingrediënten: gefermenteerde alcohol, suiker, magere melk, alcohol, plantaardig vet, aroma. Een groen gekleurde vloeistof op basis van minimaal 50% in gisting gebracht sap/most niet afkomstig uit druiven, krenten of rozijnen. De drank is verpakt in een glazen fles met een inhoud van minder dan 2,0 liter.”
Blijkens de aanvraag staat belanghebbende indeling van het product onder post 2206 00 59 van de GN voor. Deze tariefpost betreft ‘andere gegiste dranken, mengsels van gegiste dranken en mengsels van gegiste dranken met alcoholvrije dranken’.
2.3.
Het Douane Laboratorium heeft een monster van Petrikov onderzocht. De uitslag van dit monsteronderzoek vermeldt dat het alcoholgehalte van het genomen monster 13,4% vol. bedroeg en dat het op basis van de chemische samenstelling waarschijnlijk was dat 51% van de in het eindproduct aanwezige alcohol van vergisting afkomstig was. In de uitslag van het monsteronderzoek wordt geen indeling in een bepaalde goederencode geadviseerd.
2.4.
De inspecteur van de Belastingdienst/[Q], heeft met dagtekening 22 maart 2006 een bti afgegeven. Anders dan belanghebbende voorstond, is Petrikov in deze bti ingedeeld onder post 2208 70 10 van de GN (‘likeuren in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 liter’). In de bti is de volgende omschrijving opgenomen:
“Petrikov (…), zijnde een groene ondoorzichtige likeur, verpakt in een glazen fles met een inhoud van 1 liter. De likeur is vervaardigd van onder andere gefermenteerde alcohol, suiker, magere melk, gedistilleerde alcohol, plantaardig vet en verschillende aroma’s.”
2.5.
Belanghebbende heeft tijdig3.bezwaar gemaakt tegen de bti.
3. Geding voor de Rechtbank en het Hof
3.1.
De Rechtbank
3.1.1.
Bij brief van 27 juni 2007 heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar. De Inspecteur4.heeft bij uitspraak van 10 juli 2007 het bezwaar (alsnog) ongegrond verklaard. Bij de Rechtbank was de indeling van Petrikov in de GN in geschil.
3.1.2.
Naar het oordeel van de Rechtbank is Petrikov een gegiste drank als bedoeld in tariefpost 2206 van de GN omdat het product zijn wezenlijke karakter ontleent aan fruitwijn met de ingrediënten suiker, magere melk, plantaardig vet en verschillende aroma’s, en dit karakter behoudt, ook na de toevoeging van gedistilleerde alcohol.
3.1.3.
Bij uitspraak van 20 december 2007, nr. AWB 07/04330, ECLI:NL:RBHAA:2007:BC1022, NTFR 2008, 125, heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de bestreden uitspraak op bezwaar en de bti vernietigd, vastgesteld dat Petrikov moet worden ingedeeld onder post 2206 00 59 90 van de GN en bepaald dat de Inspecteur conform haar uitspraak een bti aan belanghebbende dient te verstrekken.
3.2.
Het Hof
3.2.1.
De Inspecteur heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft het geschil omschreven als het antwoord op de vraag of Petrikov in de afgegeven bti terecht onder post 2208 70 10 van de GN is ingedeeld.
3.2.2.
Ten behoeve van de beoordeling van het geschil heeft het Hof twee deskundigen benoemd, hen verzocht een derde deskundige aan te wijzen, en door middel van sensorisch onderzoek over te gaan tot beantwoording van de vraag of Petrikov een drank is op basis van gegiste alcohol, die door toevoeging van gedistilleerde alcohol, water, suikersiroop, aroma’s, en kleur- en smaakstoffen de smaak, geur en/of het uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct vervaardigde drank heeft verloren, waardoor deze niet onder post 2206 van de GN valt maar onder post 2208 daarvan.
3.2.3.
De twee deskundigen hebben hun benoeming aanvaard, doch hebben het Hof geadviseerd af te zien van onderzoek naar sensorische eigenschappen. In hun gezamenlijke brief van 31 december 2010, die tot de stukken van het geding behoort, hebben zij het Hof als volgt bericht5.:
“(…) dat er tussen beide deskundigen consensus bestaat over het feit dat het hierbij om een complex vraagstuk gaat. Deze complexiteit heeft onder meer te maken met de wijze waarop dranken zoals “Petrikov (…)” worden gemaakt. Als basis voor de bedoelde dranken wordt een gegiste drank gebruikt, die is geproduceerd op basis van een niet nader omschreven natuurlijke grondstof. Deze gegiste drank heeft door haar productiewijze juist zo weinig mogelijk eigen geur en eigen smaak en is nagenoeg kleurloos. Bij het a-priori nagenoeg afwezig zijn van een ‘oorspronkelijke karakteristieke geur, smaak en/of uiterlijk’ van het basisproduct, zal het dus zeer moeilijk zijn om deze ‘karakteristieke geur, smaak en/of uiterlijk’ van het basisproduct in een daarvan gemaakt eindproduct op basis van sensorisch onderzoek vast te stellen.
(…)
De beide deskundigen (…) zouden het Gerechtshof willen adviseren om terzake van de tariefindeling van het product “Petrikov (…)”, af te zien van onderzoek op sensorische eigenschappen, aangezien het onwaarschijnlijk is dat het basisproduct (…) sensorisch is waar te nemen. Analytisch instrumenteel onderzoek van stoffen (vergistingsbijproducten) die duiden op een natuurlijke vormingswijze van het ferment dat als basis dient voor het eindproduct is uiteraard mogelijk, echter de aanwezigheid van deze vergistingsproducten geeft geen antwoord op de vraag of het product de oorspronkelijke geur/smaak behouden heeft.”
3.2.4.
Het Hof heeft daarop besloten af te zien van deskundigenonderzoek.
3.2.5.
Omtrent de indeling van Petrikov overwoog het Hof het volgende:
“6.4. (…) Het Hof zal partijen volgen in hun standpunt dat het basisproduct een “drank” is, nu het Hof uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht afleidt, dat de primaire bestemming van dit product niet uitsluitend de bereiding van het (eind)product Petrikov is (vgl. HvJ 14 juli 2011, Paderborner Brauerei Haus Cramer KG, zaak C-196/10).
6.5.
Op grond van de uitslag van het monsteronderzoek en hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en van visuele waarneming van de overgelegde monsterflessen van het basisproduct en het eindproduct Petrikov, is het Hof van oordeel dat dit product door een hoog suikergehalte, de toevoeging van gedistilleerde alcohol, van aroma’s en van roombase, en door de groene kleur de objectieve kenmerken en eigenschappen van een likeur van post 2208 70 van de GN heeft. De GS-toelichting op post 2208 van de GN biedt steun aan dit oordeel. Daaraan doet het vermelde in de door belanghebbende aangehaalde Verordeningen van de Raad (EEG nr. 1576/89 van 29 mei 1989 en EG nr. 110/2008 van 15 januari 2008) en van het productschap dranken niet af, nu deze verordeningen niet van invloed zijn op de indeling van goederen in de GN.”
3.2.6.
Ten overvloede voegde het Hof hieraan nog toe:
“6.6. (…) dat het Hof van Justitie in zijn sub 6.1. vermelde arrest6.voor recht heeft verklaard dat dranken op basis van gegiste alcohol, die aanvankelijk strookten met post 2206 van de GN en waaraan in enige mate gedistilleerde alcohol, water, suikersiroop, aroma’s, kleur- en smaakstoffen en – wat enkele daarvan betreft – een roombase zijn toegevoegd, waardoor zij de smaak, geur en/of het uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct vervaardigde drank hebben verloren, niet onder post 2206 van de GN vallen, maar onder post 2208 daarvan.
De deskundigen hebben aan het Hof te kennen gegeven dat het basisproduct ferment 5-9394 door zijn productiewijze zo weinig mogelijk eigen geur en smaak heeft en nagenoeg kleurloos is. Zij stellen zich op het standpunt dat een oorspronkelijke karakteristieke geur smaak, en/of uiterlijk nagenoeg afwezig is. Partijen hebben dit standpunt van de deskundigen niet bestreden.
Dit duidt erop dat het onderhavige ferment nimmer de smaak, geur en/of het uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct door vergisting verkregen drank heeft gehad, en dus - mede gelet op de GS-toelichting op post 2206 - ook niet onder post 2206 kon worden gerangschikt. Veeleer diende dit product onder post 2208 van de GN te worden ingedeeld. De toevoeging van suiker, roombase en aroma’s waardoor het (eind)product Petrikov ontstaat, kan er bezwaarlijk toe leiden dat dit (eind)product dan wel onder post 2206 kan worden gerangschikt.
3.2.7.
Tot slot heeft het Hof (punt 6.8 van de uitspraak) overwogen niet gebonden te zijn aan door het Directoraat-Generaal Taxation and Customs van de Europese Commissie gegeven interpretaties van arresten van het Hof van Justitie, en heeft het in punt 6.7 van zijn uitspraak belanghebbendes beroep op het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 7 oktober 2005, nr. CCP2005/1510M, verworpen:
“(…) reeds omdat dit besluit niet ziet op likeuren.”
3.2.8.
Het Hof heeft bij uitspraak van 9 februari 2012, nr. 08/00110 DK, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV6616, NTFR 2012, 572, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard.
4. Het geding in cassatie
4.1.
Belanghebbende heeft tijdig en op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Zij stelt zes middelen van cassatie voor. De eerste vijf middelen van het beroepschrift in cassatie richten zich met diverse argumenten tegen de indeling van Petrikov in post 2208 70 10 van de GN. Het zesde middel ziet op het door het Hof achterwege laten van een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten. In onderdeel 8 - waarin de cassatiemiddelen worden besproken - citeer ik elk van de middelen.
4.2.
De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.7.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.8.De Staatssecretaris heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid een conclusie van dupliek in te dienen.9.
5. ‘Hoofdstuk 22: Dranken, alcoholhoudende vloeistoffen en azijn’
5.1.
Naar uit het voorgaande duidelijk moge zijn, staan in de onderhavige procedure de tariefposten 2206 en 2208 van de GN centraal. Deze posten maken deel uit van hoofdstuk 22 van de GN, getiteld ‘Dranken, alcoholhoudende vloeistoffen en azijn’, en luiden (met inbegrip van de in casu relevante onderverdeling) als hierna vermeld.
5.2.
Post 2206 van de GN
5.2.1.
De tekst van post 2206 luidt, voor zover relevant:
“22 06 | Andere gegiste dranken (bijvoorbeeld appelwijn, perenwijn, honingdrank); mengsels van gegiste dranken en mengsels van gegiste dranken met alcoholvrije dranken, elders genoemd noch elders onder begrepen (…): |
(…) | (…) |
- andere | |
(…) | (…) |
- - niet mousserend, in verpakkingen inhoudende - - - niet meer dan 2 l: | |
(…) | (…) |
2206 00 59 | - - - - andere” |
5.2.2.
De GS-toelichting bij post 2206 vermeldt, voor zover relevant:
“Deze post omvat gegiste dranken van alle soorten, andere dan die bedoeld bij de posten 22.03 tot en met 22.05.10.
Onder deze post wordt onder meer ingedeeld:
(…)
5. vruchtenwijn, verkregen door gisting van most of van sap van andere vruchten dan verse druiven (…) met een alcoholvolumegehalte van meer dan 0,5% vol;
(…) Zij blijven ook onder deze post ingedeeld wanneer alcohol is toegevoegd of het alcoholvolumegehalte is verhoogd door een verdere gisting, voor zover zij het karakter hebben behouden van producten als bedoeld bij deze post.
Deze post omvat eveneens mengsels van alcoholvrije dranken en gegiste dranken en mengsels van gegiste dranken als bedoeld bij de voorgaande posten van dit hoofdstuk, bijvoorbeeld mengsels van limonade en bier of wijn, mengsels van bier en wijn, met een alcoholgehalte van meer dan 0,5% vol.”
5.3.
Post 2208 van de GN
5.3.1.
Onder post 2208 vallen, voor zover hier van belang:
“2208 | Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcohol-volumegehalte van minder dan 80% vol; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten: |
(…) | (…) |
2208 70 | - likeuren |
2208 70 10 | - - in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 l” |
5.3.2.
Post 2208 is in de GS als volgt toegelicht:
“Deze post omvat, ongeacht het volumegehalte alcohol:
(…)
B. likeuren, dat wil zeggen alcoholhoudende dranken waaraan suiker, honing of andere natuurlijke zoetstoffen en extracten of essences zijn toegevoegd (bijvoorbeeld alcoholhoudende dranken verkregen door distillatie of door het mengen van ethylalcohol of gedistilleerde dranken met een of meer van de navolgende producten: vruchten, bloemen of andere plantendelen, extracten, essences, etherische oliën of vruchtensappen, ook indien geconcentreerd). Van deze producten kunnen onder meer worden genoemd: likeuren die suikerkristallen bevatten, likeuren van vruchtensappen, eierlikeuren, likeuren op basis van kruiden, bessen of specerijen, likeuren van thee, chocolade, melk of honing;
C. alle andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten en die niet zijn genoemd of niet zijn begrepen onder andere posten van dit hoofdstuk.
(...)
Van de producten bij deze post kunnen behalve ethylalcohol met een alcoholvolumegehalte van minder dan 80% vol, worden genoemd:
(…)
7. likeuren, ook wel crèmes genoemd in verband met hun stroperigheid en hun kleur. Zij hebben in het algemeen een betrekkelijk laag alcoholgehalte, maar zijn zeer zoet (crème de cacao, crème de banane, crème de vanille, crème de café, crème de cassis, enz.). Hiertoe behoren eveneens zogenaamde emulsielikeuren, bestaande uit emulsies in alcohol van eieren (advocaat) of van room;”
5.3.3.
De GN-toelichting op post 2208 luidt (cursivering MvH):
“Gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten, in de zin van deze post, zijn in het algemeen voor menselijke consumptie bestemde alcoholhoudende vloeistoffen die verkregen worden:
- hetzij door rechtstreeks distilleren (al dan niet onder toevoeging van aromatische stoffen) uit gegiste natuurlijke vloeistoffen, zoals wijn en cider, of uit gegiste vruchten, gegiste draf, gegiste granen of andere gegiste producten van plantaardige oorsprong;
- hetzij door het enkel toevoegen van bepaalde aromatische stoffen en eventueel suiker aan door distillatie verkregen alcohol.
(…)
Door gisting verkregen alcoholhoudende dranken vallen niet onder deze post (posten 22.03 tot en met 22.06).”
5.4.
Bij de indeling van goederen vormen de zogenoemde algemene indelingsregels11.het uitgangspunt. Primair heeft te gelden (indelingsregel 1) dat voor de indeling wettelijk bepalend zijn de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofstukken. GS- en GN-toelichtingen12.dienen (slechts) als belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten.13.
5.5.
Uitgaande van de bewoordingen van de posten 2206 en 2208 van de GN, die - naar vaste jurisprudentie van het HvJ - bij de indeling van producten in beginsel beslissend zijn14., kan, heel kort door de bocht, worden gezegd dat post 2206 van de GN ziet op dranken met gegiste alcohol en dat post 2208 ziet op dranken die gedistilleerde alcohol bevatten.
5.6.
De GS-toelichting op post 2206 veroorzaakt echter enige vertroebeling, omdat daarin is vermeld dat ook (gegiste) dranken waaraan (gedistilleerde) alcohol wordt toegevoegd, onder post 2206 kunnen worden ingedeeld, mits zij het karakter van een ‘post 2206-drank’ hebben behouden15.(zie de geciteerde passage in punt 5.2.2). Gezien de algemene indelingsregels 2 en – met name – 3b vraag ik mij overigens af hoe groot de toegevoegde waarde is van deze passage uit de GS-toelichting. Deze algemene indelingsregels bepalen immers in wezen ook al wat de GS-toelichting voorschrijft. Voor zover hier relevant citeer ik de algemene indelingsregels 2 en 3 (cursivering MvH):
“2 (…)
b. Onder een in een post vermelde stof wordt niet alleen verstaan die stof in zuivere staat, doch ook vermengd of verbonden met andere stoffen (…). De vorenbedoelde mengsels (…) worden ingedeeld met inachtneming van de onder 3 vermelde beginselen.
3. a. De post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven de posten met een meer algemene strekking. Indien echter twee of meer posten elk afzonderlijk slechts betrekking hebben op een gedeelte van de stoffen of bestanddelen waaruit een mengsel of een goed is samengesteld (…) worden die posten, met betrekking tot bedoelde mengsels en goederen, aangemerkt als even specifiek, zelfs indien een van de andere posten daarvan een volledigere of nauwkeurigere omschrijving geeft;
b. Mengsels (…) waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder 3a, worden ingedeeld naar de stof of het goed waaraan de mengsels, (…) hun wezenlijk karakter ontlenen, indien die kan worden bepaald;
c. In de gevallen waarin de indeling aan de hand van het bepaalde onder 3a en 3b niet mogelijk is, wordt van de verschillende in aanmerking komende posten, de post toegepast die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst.”
Met name algemene indelingsregel 3b lijkt aardig overeen te komen met hetgeen in wezen ook in de GS-toelichting op post 2206 van de GN is vermeld: als een drank (na vermenging met andere stoffen) zijn wezenlijke karakter behoudt, blijft hij ingedeeld in de post waaronder hij viel.
5.7.
Hoe het ook zij, vastgesteld moet worden dat Petrikov – afgezien van alle andere ingrediënten – zowel gegiste als gedistilleerde alcohol bevat. Daarmee lijkt het product zowel onder de bewoordingen van post 2206 van de GN te kunnen worden gebracht als onder post 2208 van de GN. Dat betekent dat – of het nu is op basis van de algemene indelingsregels of op basis van de GS-toelichting – bepaald moet worden of Petrikov het wezenlijke karakter van een ‘2206-drank’ heeft behouden. Deze vaststelling roept de vraag op wat de criteria zijn voor de bepaling van het wezenlijke karakter van een (mix)drank.
5.8.
De zaak Siebrand
5.8.1.
De hiervoor gesignaleerde problematiek stond centraal in de zaak die – naar aanleiding van door de Hoge Raad voorgelegde prejudiciële vragen16.– heeft geleid tot het eerdervermelde arrest Siebrand. Het ging daar – althans zo herformuleerde het HvJ de door de Hoge Raad voorgelegde twee vragen – om de vraag of:
“23. (…) dranken op basis van gegiste alcohol, die aanvankelijk strookten met post 2206 van de GN en waaraan in enige mate gedistilleerde alcohol, water, suikersiroop, kleur- en smaakstoffen en (…) een roombase zijn toegevoegd, waardoor zij de smaak, de geur en/of het uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct vervaardigde drank hebben verloren, vallen onder post 2206 van de GN (…) dan wel onder post 2208 van de GN (…).”17.
5.8.2.
Naar volgt uit dit citaat, nam het HvJ bij de beantwoording van de prejudiciële vraag als uitgangspunt dat de in te delen dranken de smaak, de geur en/of het uiterlijk van een uit een bepaald natuurproduct vervaardigde drank, dat wil zeggen van een gegiste drank hadden verloren.18.Hieraan verbond het HvJ de conclusie dat de desbetreffende dranken niet onder post 2206 van de GN konden worden ingedeeld:
“27. (…) hebben de in het hoofdgeding aan de orde zijnde dranken echter de smaak, de geur en het uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct vervaardigde drank, dat wil zeggen van een gegiste drank verloren. Dergelijke producten kunnen niet in post 2206 van de GN worden ingedeeld.”
5.8.3.
Hieruit valt af te leiden dat kennelijk voor het wezenlijke karakter van een drank de geur en de smaak (de organoleptische eigenschappen) alsmede het uiterlijk belangrijke objectieve kenmerken zijn. Dat volgt ook wel uit de overwegingen die het HvJ wijdt aan de beantwoording van de vraag of de in het arrest Siebrand aan de orde zijnde dranken onder post 2208 van de GN konden worden ingedeeld. Uit die overwegingen komt naar voren dat bij de bepaling van het karakter van een (mix)drank aspecten een rol spelen als de verhouding waarin de gedistilleerde alcohol staat tot de gegiste alcohol, maar met name ook de smaak, de geur en het uiterlijk van het in te delen product. Ik leid dat af uit de overwegingen 33-37 van het arrest Siebrand, die ik hier citeer (en cursiveer):
“33 (…) De eindproducten hebben een alcohol-volumegehalte van 14,5 procent, waarvan 2,5 procent aan door gisting van appelwijn verkregen alcohol en 12 procent aan toegevoegd distillaat.
34 Volgens punt VIII van de GS-toelichting op algemene regel 3 b kan het voor het karakter van een goed bepalende kenmerk naargelang de soort van goederen bijvoorbeeld blijken uit de soort en aard van de stof of van de bestanddelen, uit hun omvang, hoeveelheid, gewicht, waarde of hun belang in verband met het gebruik ervan.
35 Wat producten als die van het hoofdgeding betreft, kunnen voor de bepaling van het wezenlijke karakter daarvan verschillende objectieve kenmerken en eigenschappen in aanmerking worden genomen. Zo moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat de gedistilleerde alcohol niet alleen aan het totale volume van die producten maar ook aan het alcoholgehalte ervan meer bijdraagt dan de gegiste alcohol.
36 In de tweede plaats lijkt het noodzakelijk na te gaan of de bijzondere organoleptische eigenschappen19.van voornoemde producten, stroken met die van de in post 2208 van de GN ingedeelde producten. Volgens vaste rechtspraak kan immers de smaak een objectief kenmerk en een objectieve eigenschap van het product vormen (…).
37 Zoals dienaangaande reeds is opgemerkt, hebben producten als die van het hoofdgeding door de toevoeging van water en andere stoffen de smaak, de geur en het uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of bepaald natuurproduct vervaardigde drank, dat wil zeggen van een gegiste drank, verloren. De bijzondere organoleptische eigenschappen van voornoemde producten, die hun wezenlijke karakter bepalen, stroken dus met die van de in post 2208 van de GN ingedeelde producten.
38 In de laatste plaats zij eraan herinnerd dat de bestemming van het product een objectief indelingscriterium kan zijn, wanneer die bestemming inherent is aan het product; de inherentie moet kunnen worden beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken en eigenschappen van het product (…). Vaststaat dat de objectieve kenmerken en eigenschappen van producten als die van het hoofdgeding, waaronder de vorm, de kleur en de handelsnaam, stroken met die van een gedistilleerde drank”20.
5.9.
Het voorgaande samenvattend: post 2206 van de GN omvat dranken21.met gegiste alcohol waaraan (onder meer) gedistilleerde alcohol is toegevoegd, mits door deze toevoeging(en) het - aan de hand van met name organoleptische eigenschappen te bepalen - karakter van de drank als gegiste drank niet is veranderd.
5.10.
Tot zover de theorie. Terug naar Petrikov.
6. De indeling van Petrikov
6.1.
In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat Petrikov een alcoholische drank is, samengesteld uit een (alcoholhoudende) basisdrank,22.Ferm Fruit, waaraan diverse ingrediënten zijn toegevoegd waaronder suiker, magere melk, plantaardig vet, aroma’s en alcohol. Het resultaat - Petrikov - is een groene, ondoorzichtige drank.
6.2.
De basis van Petrikov - Ferm Fruit - is een drank waarvan de daarin aanwezige alcohol uitsluitend door (verhitting en) vergisting is verkregen.23.Ferm Fruit heeft een alcoholpercentage van 16% vol.24.Het sap in Ferm Fruit is niet afkomstig van druiven, krenten of rozijnen.25.Ferm Fruit is ontstaan door een proces waarbij filtratie is toegepast.26.
6.3.
Op basis van het vorenstaande en het gegeven dat Ferm Fruit, naar vaststaat, een drank is, meen ik dat dit basisproduct valt in te delen onder (de bewoordingen van) post 2206 van de GN. Dat is ook wat het Hof ’s-Hertogenbosch27., in navolging van Rechtbank Breda28.heeft gedaan in de eerdervermelde bij de Hoge Raad aanhangige zaak nr. 12/05758. Dit lijkt mij terecht. Ik verwijs naar onderdeel 7 van mijn conclusie van heden in zaak nr. 12/05758.
6.4.
Uitgaande van de juistheid van mijn vaststelling dat Ferm Fruit een gegiste drank is, en het (basis)product Ferm Fruit (dus) in te delen is in post 2206 van de GN. Dat brengt met zich dat Ferm Fruit het karakter moet hebben van een drank van die post, ook al is dat karakter niet uitgesproken. Daaraan doet niet af dat de twee door het Hof benoemde deskundigen te kennen hebben gegeven dat het basisproduct door zijn productiewijze zo weinig mogelijk eigen geur en smaak heeft en nagenoeg kleurloos is.29.In zoverre deel ik ook niet de opvatting van het Hof in zijn (in punt 6.6 van zijn uitspraak) ten overvloede gegeven oordeel dat Ferm Fruit, vanwege het ontbreken van een karakteristieke geur, smaak en/of uiterlijk van een uit een bepaalde vrucht of uit een bepaald natuurproduct door vergisting verkregen drank, niet onder post 2206 van de GN kan worden gebracht.
6.5.
Daarmee is evenwel niet gezegd dat ook het eindproduct – Petrikov – onder die post valt. Het Hof heeft geoordeeld dat Petrikov moet worden ingedeeld in post 2208 van de GN, meer specifiek onder de daarin vermelde ‘likeuren’ van tariefpostonderverdeling 2208 70 van de GN. Het Hof kwam tot dit oordeel, zo leid ik af uit punt 6.5 van de uitspraak, (mede) aan de hand van de objectieve eigenschappen van het product. Gelet op hetgeen in punt 5.8.3 van deze conclusie is betoogd omtrent als objectieve eigenschappen (van een mixdrank) in aanmerking te nemen karakteristieken en de omschrijving van een likeur in de zin van post 2208 70 in met name de GS-toelichting (vgl. punt 5.3.2 van deze conclusie), alsmede gezien de vaststellingen inzake de samenstelling en het uiterlijk van Petrikov30.komt het mij voor dat dit oordeel niet is gestoeld op een onjuiste rechtsopvatting. Overigens is het oordeel feitelijk, niet onbegrijpelijk en niet onvoldoende gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat het Hof in zijn overweging 6.5 niet nader toelicht wat hetgeen is dat partijen ‘over en weer hebben gesteld’ en wat het Hof daaraan relevant acht, nu het Hof de facto indeelt op basis van objectieve eigenschappen van het product zelf - met name de samenstelling en de kleur. Nu de GS-toelichting aan de kwalificatie van een product als likeur geen eisen stelt aan het alcoholgehalte van de in te delen drank, meen ik dat het Hof terecht geen relevantie heeft toegekend aan het alcoholgehalte van Petrikov.
7. De deskundigen
7.1.
Ik bezondig mij aan een enkel woord over de gang van zaken met betrekking tot de door het Hof benoemde deskundigen. Ten overvloede: in cassatie wordt namelijk daar niet tegen opgekomen.
7.2.
Het Hof heeft twee deskundigen benoemd, met de bedoeling dat zij samen een derde deskundige zouden benoemen en dat zij gedrieën tot een sensorische beoordeling zouden komen.31.
7.3.
De twee deskundigen zijn evenwel met hun - aanvaarde - opdracht aan de haal gegaan en hebben een standpunt (geen sensorisch onderzoek instellen) ingenomen en gecommuniceerd alvorens een derde deskundige aan te wijzen.32.Het komt mij voor dat de twee deskundigen ofwel hun benoeming hadden moeten afwijzen, ofwel een derde deskundige hadden moeten aanwijzen alvorens een standpunt omtrent (de wenselijkheid van) het uit te voeren onderzoek in te nemen. Daarbij komt dat de beide deskundigen hun standpunt reeds hebben kenbaar gemaakt voordat het Hof een definitieve vraagstelling had geformuleerd. In de brieven van het Hof aan de twee voorgedragen deskundigen van 30 september 2010 schrijft de griffier van het Hof dat na aanvaarding van de benoeming door de deskundigen de definitieve vraagstelling aan de deskundigen zal worden geformuleerd. Voor het Hof was deze - misschien efficiënte, maar wel wat premature - stellingname van de twee deskundigen aanleiding om het deskundigenonderzoek verder af te blazen.
7.4.
Hoewel het enigszins merkwaardig is dat het Hof eerst besluit dat drie deskundigen moeten gaan adviseren en het Hof vervolgens van deskundigenonderzoek afziet op basis van een brief van twee benoemde deskundigen zonder dat een derde deskundige is benoemd, en zonder dat een concrete vraagstelling is geformuleerd, is belanghebbende hiertegen in cassatie niet opgekomen. Ik laat het punt dan ook verder rusten.
8. De cassatiemiddelen
8.1.
Middel 1: ‘Wettelijk kader’: verkeerde interpretatie posten 2206 en 2208 van de GN
8.1.1.
In haar eerste middel betoogt belanghebbende dat het Hof de tariefposten 2206 en 2208 van de GN onjuist heeft uitgelegd. Het middel luidt:
“Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder de Gecombineerde Nomenclatuur (GN) doordat het Hof de tariefposten 2206 en 2208 van de GN op onjuiste en/of onbegrijpelijke wijze heeft geïnterpreteerd.”
8.1.2.
Naar volgt uit hetgeen in de onderdelen 5 en 6 van deze conclusie is betoogd, faalt het middel c.q. kan het niet tot cassatie leiden.
8.1.3.
Daarbij zij volledigheidshalve nog het volgende opgemerkt. Ten overvloede overweegt het Hof in punt 6.6 van zijn uitspraak dat Petrikov reeds niet onder post 2206 kan worden ingedeeld omdat het basisproduct Ferm Fruit niet onder post 2206 van de GN kan worden gebracht. Naar volgt uit hetgeen ik in de punten 6.3 en 6.4 van deze conclusie betoogde, deel ik deze opvatting niet: mijns inziens dient Ferm Fruit wel degelijk onder post 2206 van de GN te worden ingedeeld. Het ten overvloede gegeven oordeel berust in mijn visie dan ook op een onjuiste rechtsopvatting inzake de uitlegging van post 2206 van de GN. Tot cassatie kan dat evenwel niet leiden, omdat het oordeel van het Hof dat Petrikov moet worden ingedeeld onder post 2208 van de GN - wat er zij van de motivering - per saldo juist is, en omdat het oordeel ten overvloede is gegeven en derhalve voor de uitspraak niet dragend is.
8.2.
Middel 2: Definitie likeur in E(E)G-verordeningen
8.2.1.
In middel 2 stelt belanghebbende:
“Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in bijzonder de regelgeving van likeuren.”
8.2.2.
Op grond van art. 1, lid 4, sub r, en art. 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1576/89 van 29 mei 1989 van de Raad tot vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de definitie, de aanduiding en de aanbiedingsvorm van gedistilleerde dranken, is een likeur- voor zover hier van belang - een drank met een alcoholvolumegehalte van ten minste 15% vol. Datzelfde geldt op basis van de opvolger van deze verordening, Verordening (EG) nr. 110/2008 van 15 januari 2008 van het Europees Parlement en de Raad (bijlage II bij deze verordening, punt 32).
8.2.3.
Petrikov bevat 13,4% vol. alcohol en voldoet daarmee niet aan de vereisten voor aanduiding als likeur in vorenvermelde verordeningen. Deze verordeningen zijn echter niet van toepassing op de indeling van goederen. Die indeling wordt mondiaal vastgesteld op het niveau van de Wereld Handelsorganisatie (WTO). De indelingsregels op tariefpostniveau zijn geen EU-regelgeving.33.Reeds hierom kan geen eenheid van betekenis van terminologie worden vereist met E(E)G of EU-verordeningen die andere doeleinden dan indeling dienen. Het is goed mogelijk dat een drank die geen likeur is in de zin van vorenmelde verordeningen wel als likeur moet worden ingedeeld in het kader van de indeling van goederen. Of omgekeerd, overigens.
8.2.4.
Daarbij komt nog dat post 2208 zich uitstrekt tot in beginsel alle dranken die gedistilleerde alcohol bevatten (en die niet het karakter van een gegiste drank in de zin van post 2206 van de GN hebben). Aan die omschrijving voldoet Petrikov, zelfs als het geen likeur zou zijn.
8.2.5.
Het tweede middel faalt.
8.3.
Middel 3: Besluit van de staatssecretaris van Financiën CPP2005/1510M
8.3.1.
In het derde cassatiemiddel voert belanghebbende aan:
“Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder het besluit van de Staatssecretaris d.d. 7/10/2005”34.
8.3.2.
Dit door belanghebbende ingeroepen besluit35.luidt, voor zover van belang (met mijn cursivering):
“(…) Indien deze dranken, niet zijnde gedistilleerde dranken en likeuren, het karakter van een gegiste drank hebben moeten zij onder post 2206 worden ingedeeld. Hiervan is sprake als wordt vastgesteld dat meer dan 50 gewichtspercenten van het totale alcoholvolumepercentage de gistingskenmerken heeft van ongezuiverde, gegiste alcohol.
(…)”
8.3.3.
Naar volgt uit de aangehaalde passage ziet het besluit op andere dranken dan likeuren. Nu het Hof mijns inziens feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat Petrikov als likeur in de zin van post 2208 70 van de GN moet worden aangemerkt, en ik derhalve in cassatie van de juistheid van dit oordeel uitga, heeft het Hof mijns inziens terecht geoordeeld (punt 6.7 van de uitspraak) dat belanghebbendes beroep op dit besluit faalt.
8.3.4.
De Belastingdienst heeft - aldus belanghebbende in de toelichting op het derde cassatiemiddel - in haar rapport van 7 juni 2007 aangegeven dat op basis van het voormelde besluit van 7 oktober 2005 Petrikov dient te worden ingedeeld onder tariefpost 2206. Uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt niet dat deze stelling, wat ook van de juistheid daarvan zij, reeds voor het Hof is aangevoerd. Het rapport is ook niet eerder in de procedure ingebracht. Ik meen dan ook dat de inbreng van het rapport in cassatie een novum betreft en derhalve niet in de cassatieprocedure aan de orde kan worden gesteld.
8.3.5.
De slotsom is dat ook het derde middel faalt.
8.4.
Middel 4: beginselen van behoorlijk bestuur
8.4.1.
Het vierde middel behelst de klacht:
“Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.”
8.4.2.
In de toelichting op het middel betoogt belanghebbende dat het door de belastingdienst gehanteerde en tot de gedingstukken behorende ‘stroomschema’36.voor indeling van dranken niet de grondslag kan vormen voor indeling van Petrikov in post 2208 van de GN.
8.4.3.
Wat hiervan zij, indeling van het product dient, zelfs als toepassing van het stroomschema niet tot indeling in post 2208 van de GN zou leiden, te geschieden aan de hand van de indelingsregels, opgenomen in de al eerder in deze conclusie vermelde algemene indelingsregels.37.Aan de toepassing daarvan kunnen nationale (uitvoerings)praktijken of nationale beleidsbesluiten geen afbreuk doen. Ik wijs in dit verband op het arrest van het HvJ van 7 april 2011, Sony Supply Chain Solutions, C-153/10, BNB 2012/203 m.nt. Van Casteren, waaruit volgt dat geen plaats voor beroep op vertrouwen, gewekt door een nationale uitvoeringsregelingen die tot een andere uitwerking leiden dan voorgeschreven in (rechtstreeks werkende) bepalingen uit een Europese verordening. Reeds hierom faalt mijns inziens belanghebbendes beroep op vertrouwen, gewekt door het ‘stroomschema’.
8.5.
Middel 5: Verkeerde uitlegging van het arrest Siebrand
8.5.1.
In middel 5 stelt belanghebbende zich op het standpunt dat het Hof het arrest Siebrand verkeerd heeft uitgelegd en daarmee het recht heeft geschonden dan wel verkeerd heeft toegepast:
“Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder de uitspraak van het Europees Hof van Justitie (ECJ C-150/08).”
8.5.2.
Het middel faalt voor zover belanghebbende stelt dat het Hof ten onrechte voorbij is gegaan aan de opvatting van DG Taxud38.van de Europese Commissie inzake het arrest Siebrand. Het Hof is niet gebonden aan deze interpretaties. Het middel slaagt in zoverre belanghebbende heeft bedoeld te betogen dat het Hof ten onrechte Ferm Fruit, het basisproduct van Petrikov, in zijn overweging ten overvloede onder post 2208 van de GN heeft ingedeeld (zie ook 8.1.3 hiervoor). Het gaat evenwel in casu niet om de indeling van Ferm Fruit, maar om die van Petrikov, van welk product het Hof mijns inziens terecht heeft geoordeeld dat het onder post 2208 van de GN valt.
8.5.3.
Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden. Ik verwijs naar de onderdelen 5 en 6 van deze conclusie.
8.6.
Middel 6: proceskostenvergoeding
8.6.1.
In middel 6 klaagt belanghebbende erover dat het Hof geen vergoeding van proceskosten heeft toegekend39.omdat de Inspecteur, aldus belanghebbende, tegen beter weten in de gevraagde bti heeft geweigerd.
8.6.2.
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Niet alleen neemt belanghebbende eerst in cassatie deze stelling in, maar het komt mij voor dat de Inspecteur terecht voor Petrikov een bti heeft afgegeven waarbij het product onder tariefpost 2208 is ingedeeld.
8.7.
Middelen leiden niet tot cassatie
Uit al het vorenstaande volgt dat geen van de middelen tot cassatie kan leiden. Het beroep in
cassatie dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
9. Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑09‑2013
Ik merk op dat in de aanvraag voor een bindende tariefinlichting een alcoholgehalte van 12,5% is vermeld (zie ook punt 2.1 van deze conclusie).
Namelijk bij brief van 31 maart 2006.
De inspecteur van de Belastingdienst/[P]. Deze Inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en de procedure bij de Rechtbank en het Hof gevoerd.
Zie ook punt 6.2 van de bestreden uitspraak, waarin het Hof de inhoud van de brief parafraseert.
MvH: gedoeld wordt op het arrest Siebrand.
Zie zijn brief van 11 juni 2012.
Zie haar brief van 6 juli 2012.
Zie zijn brief van 26 juli 2012.
MvH: post 2203 betreft bier van mout, post 2204 wijn van verse druiven (ook indien alcohol is toegevoegd) en in post 2205 worden ingedeeld vermout en andere wijn van verse druiven, bereid met aromatische planten of aromatische stoffen.
Gebaseerd op Verordening EEG nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, Pb L 256, blz. 1.
Overwegingen als hier geparafraseerd komen voor in vele arresten over de indeling van goederen. Ik verwijs - zonder volledigheid na te streven - naar de arresten van het HvJ van 4 maart 2004, Krings, C-130/02, punt 28, van 17 maart 2005, Ikegami, C-467/03, DR 2005/66 m.nt. Possen, punt 17, van 13 juli 2006, Anagram, C-14/05, DR 2007/21 m.nt. Hesselink, punt 20, van 5 juni 2008, JVC France SAS, C-312/07, DR 2008/59, punt 34, en van 18 juni 2009, Kloosterboer, C-173/08, DR 2009/56 m.nt. Hesselink, punt 25, HvJ 18 juli 2007, Olicom, C-142/06, punt 17, van 11 december 2008, Kip Europe e.a., gevoegde zaken C-362/07 en C-363/07, punt 27, en van 7 mei 2009, C-150/08, Siebrand, BNB 2009/160, punt 25.
Het HvJ heeft herhaaldelijk geoordeeld dat het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel moet worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de tekst van de posten van de gecombineerde nomenclatuur en in de aantekeningen bij de afdeling of het hoofdstuk zijn omschreven. Zie onder meer HvJ 18 juli 2007, Olicom, C-142/06, punt 16, HvJ 19 februari 2009, Kamino International Logistics, C-376/07, BNB 2010/29 m.nt. Van Slooten, punt 31, HvJ 7 mei 2009, C-150/08, Siebrand, BNB 2009/160, punt 24, HvJ 20 mei 2010, Data I/O, C-370/08, punt 29 en HvJ 14 juli 2011, Paderborner Brauerei Haus Cramer, C-196/10, punt 31.
Daarbij merk ik op dat de in de toelichting op post 2206 van de GN gehanteerde term ‘behouden’ impliceert dat een drank die van oorsprong al geen ‘2206-drank’ was, dat niet kan worden door toevoeging van alcohol.
De vragen van de Hoge Raad luidden: “(1) Kan een drank die in enige mate gedistilleerde alcohol bevat, doch overigens voldoet aan de omschrijving van post 2206 van de GN, in laatstgenoemde post worden ingedeeld indien het betreft een gegiste drank die door toevoeging van water en bepaalde stoffen de smaak, de geur en/of het uiterlijk van een drank uit een bepaalde vrucht of bepaald natuurproduct heeft verloren? (2) Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, aan de hand van welk criterium moet dan worden bepaald of de drank wegens het bevatten van gedistilleerde alcohol niettemin moet worden ingedeeld in post 2208 van de GN?”
Citaat ontleend aan punt 23 van het arrest Siebrand.
Of daaraan in de zaak Siebrand ook daadwerkelijk was voldaan stond niet vast en diende nader te worden vastgesteld (Hoge Raad 13 november 2009, nr. 43038bis, ECLI:NL:HR:2009:BK3086, BNB 2010/10, en NTFR 2010, 100, m.nt. Benning). De verwijzing door de Hoge Raad leidde tot de uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch van 2 november 2012, nr. 09/00620, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY3270, NTFR 2012, 2684, tegen welke uitspraak beroep in cassatie is ingesteld (thans aanhangig onder nummer 12/05326).
Zie ik het goed dan zien organoleptische eigenschappen op geur en smaak van het product, en valt het uiterlijk (hoewel dat ‘zien’ betreft) buiten die categorie. In dit verband valt te wijzen op de omschrijving van organoleptisch onderzoek in Van Dale’s Groot woordenboek der Nederlandse taal: ‘het beoordelen door middel van proeven en ruiken’. Het lijkt erop dat dit ook in het Europese recht zo wordt gezien, althans dat leid ik af uit punt 68 van de conclusie van A-G Léger van 22 april 1999 in zaak C-240/97 (Commissie/Spanje), waarin twee afzonderlijke soorten onderzoek worden genoemd: visueel en organoleptisch. In punt 37 van het arrest Siebrand lijkt het HvJ het uiterlijk, de geur en de smaak echter op één organoleptische hoop te gooien.
MvH: mij is niet duidelijk waarop het HvJ deze vaststelling baseert. Noch in de uitspraak van Hof Arnhem van 26 januari 2006, nr. 04/01084, ECLI:NL:GHARN:2006:AV2216, noch in het arrest van de Hoge Raad waarin prejudiciële vragen zijn gesteld (HR 21 maart 2008, nr. 43038, ECLI:NL:HR:2008:AZ4335, BNB 2008/152 m.nt. Van Slooten en NTFR 2008, 663 m.nt. Benning) zijn feiten vastgesteld die zien op vorm, kleur of handelsnaam. Overigens zijn wel de merknamen van de verschillende producten door Hof Arnhem en de Hoge Raad benoemd en is de Hoge Raad er in cassatie van uitgegaan dat de producten kleurstoffen bevatten.
Andere dan die welke onder de posten 2203 tot en met 2205 vallen.
Niet is in geschil dat het basisproduct Ferm Fruit een drank is, zie punt 6.4 van ’s Hofs uitspraak. Dit oordeel acht ik juist. Ik verwijs naar onderdeel 7 van mijn conclusie van heden in zaak 12/05758. In die zaak is naast een aantal andere dranken ook de indeling van Ferm Fruit in geschil.
De Inspecteur heeft in zijn brief van 11 maart 2011, blz. 2, onbetwist gesteld dat de alcohol ontstaat door “verhitting en vergisting”.
De Inspecteur heeft in zijn brief van 11 maart 2011, blz. 2, onbetwist gesteld dat het alcoholpercentage van het basisproduct 16% vol bedraagt. Zie ook de in de uitspraak van de Rechtbank onder de vastgestelde feiten opgenomen receptuur van Petrikov.
Zie de aanvraag voor een bti, geciteerd in punt 2.2 van deze conclusie.
Zie de verklaring van belanghebbende in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van het Hof van 1 juli 2008, blz. 2. Dit volgt ook uit de brief van leverancier Alko International B.V. van 8 januari 2009, bijlage 1 bij de brief van de Inspecteur aan het Hof van 5 augustus 2009, waarin wordt vermeld: “Na vergisting worden reststoffen middels verschillende schoningsmethoden verwijderd.” De Inspecteur heeft in zijn brief van 11 maart 2011, blz. 2, onbetwist gesteld dat “ter verwijdering van allerlei reststoffen ultracentrifugatie, Kiezelguhr-filtratie, microfiltratie en koolstoffiltratie” worden toegepast. Hof ’s-Hertogenbosch heeft in punt 2.4 van zijn uitspraak van 2 november 2012, nrs. 09/00673 en 09/00674, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY3306, NTFR 2012, 2685 (waartegen overigens beroep in cassatie is ingesteld, zaak 12/05758 ) inzake de bereiding van het basisproduct vastgesteld dat er wordt gezuiverd door “ultrafiltratie, Kiezelguhr-filtratie, microfiltratie en carbonfiltratie”. Die vaststelling is in die zaak niet in geschil.
Hof ’s Hertogenbosch 2 november 2012, nrs. 09/00673 en 09/00674, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY3306, NTFR 2012, 2685.
Rechtbank Breda 16 oktober 2009, nr. 09/2334, ECLI:NL:RBBRE:2009:BK1545, NTFR 2009/2654.
Het Douane Laboratorium heeft het basisproduct onderzocht en was van oordeel dat het een kleurloze heldere vloeistof is met een neutrale geur, bijlage 3 bij de brief van de Inspecteur aan het Hof van 5 augustus 2009.
Hieraan doet mijns inziens niet af het arrest van het HvJ van 17 oktober 1995, Société Pardo & Fils en Camicas, gevoegde zaken C-59/94 en C-64/94, waarin het HvJ, inzake gearomatiseerde wijn overwoog (punt 19) dat de toevoeging van water en suiker in redelijke hoeveelheden het wezenlijk karakter van de in die zaak in geding zijnde gearomatiseerde wijn kon veranderen.
Dit sluit aan bij de procedure zoals die door het Hof aan partijen is meegedeeld ter zitting van het Hof van 15 juni 2010 (zie het proces-verbaal van die zitting, blz. 3):“Na heropening heeft de voorzitter aan partijen meegedeeld dat beide partijen een proefpanel, bestaande uit drie deskundigen, moeten aanwijzen. Eén deskundige zal worden aangewezen door belanghebbende en één deskundige door de inspecteur. Beide deskundigen zullen op hun beurt een derde deskundige aanwijzen.”In de brieven van het Hof aan de twee voorgedragen deskundigen (brieven van 30 september 2010) schrijft de griffier van het Hof:“(…) Aan beide deskundigen zal - na aanvaarding van hun benoeming - worden verzocht om gezamenlijk een derde deskundige aan te wijzen en de naam daarvan aan de griffier van het Hof door te geven.”
Zie punt 3.2.3 van deze conclusie.
Het (mondiale) GS ziet op de eerste zes cijfers van de goederencode. Verwezen zij naar E.N. Punt en D.G. van Vliet, Douanerechten, Kluwer, Deventer, 2000, blz. 132.
MvH: bedoeld wordt het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 7 oktober 2005, nr. CPP2005/1510M.
Dit besluit is twee keer ingetrokken. Een keer bij besluit van 21 maart 2008, nr. CPP2007/3285M, Stcrt. nr. 70, en nadien nog een keer met ingang van 1 januari 2010 bij besluit van 7 december 2009, CPP2009/2274M. Hoe dit ook zij, het besluit bestond nog in 2006, toen de feiten van deze zaak zich voordeden.
Bij mijn weten is dit stroomschema niet gepubliceerd.
Zie, meer uitgebreid, E.N. Punt en D.G. van Vliet, Douanerechten, Kluwer, Deventer, 2000, blz. 133.
Directoraat-generaal Belastingen en douane-unie.
“Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van vormen die nietigheid met zich brengt, omdat het Hof geen vergoeding van proceskosten heeft toegekend.”