Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/7.2.4:7.2.4 Legitimatie voor de wijze van kwalificeren van de boerka in de verschillendewetsvoorstellen
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/7.2.4
7.2.4 Legitimatie voor de wijze van kwalificeren van de boerka in de verschillendewetsvoorstellen
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS450429:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het deskundigenrapport verwijst voor zijn kwalificatie naar de nota ‘Grondrechten in een pluriforme samenleving’. Deze nota huldigt het kabinetsstandpunt van het kabinet-Balkenende II dat bestond uit CDA, VVD en D66. Uit de nota kunnen we opmaken dat het toenmalige kabinet het leerstuk van de interpretatieve terughoudendheid hoog in het vaandel had staan. Men stond ten aanzien van het dragen van een hoofddoek een subjectiverende kwalificatiewijze voor: de opvattingen van de justitiabele zouden leidend moeten zijn om te bepalen of het dragen van een hoofddoek een godsdienstige uiting is. De deskundigen stellen dat deze subjectiverende kwalificatiewijze ook gehanteerd moet worden bij boerkadraagsters. Zoals in de vorige paragraaf is opgemerkt vinden we deze zienswijze ook terug in de wetsvoorstellen van Balkenende IV en Rutte II. We kunnen deze zienswijze vanuit politiek-filosofisch perspectief duiden als accommodationistisch. De rechtsorde geeft ruimte aan de opvattingen van justitiabele over het motief waarom iemand een boerka draagt. Let wel, het gaat hier dan enkel om de wijze waarop bepaalde uitingen en gedragingen worden gekwalificeerd en niet of de rechtsorde vervolgens ook het dragen van de boerka toestaat. De kwalificatie van de boerka als religieuze uiting is voor de indieners van de voorstellen immers geen reden om af te zien van een verbod, omdat er in hun optiek andere redenen (die liggen vervat in de beperkingssystematiek van de godsdienstvrijheid) zijn die het noodzakelijk maken om de boerka te verbieden.
In de wetsvoorstellen van Wilders en Fritsma, van Kamp en van Rutte I gaat men ervan uit dat het dragen van de boerka een islamitische uiting is. In deze voorstellen wordt niet onderbouwd met objectieve maatstaven waaruit blijkt dat het dragen van een boerka een islamitische uiting is. Deze kwalificatie lijkt te zijn ingegeven door de veronderstelling dat iedereen het in de maatschappij erover eens is dat het dragen van een boerka een islamitische uiting is. Deze veronderstelling is moeilijk in verband te brengen met een juridische of politiek-filosofische legitimatie.