Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/3.3.3.2
3.3.3.2 De materieelrechtelijke grenzen aan de totstandkoming van de Curaçaose trust
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717494:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de ‘perpetuity rules’ in het Anglo-Amerikaanse recht paragraaf 2.4.4 e.v.
MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 14.
Andere voorbeelden van vergelijkingen in de memorie van toelichting tussen trusts en rechtspersonen zie: MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 4, p. 12 en p. 14. Frielink maakt dezelfde naar mijn mening onjuiste vergelijking. Zie hiervoor: K. Frielink, ‘Rol en aansprakelijkheid van de trustee’, CJB 2012/4, p. 176.
Zie paragraaf 2.4.4.1 e.v.
Men vergelijke dit met voorwaardelijke rechten in het erfrecht.
De constructie van een recht onder ontbindende voorwaarde met een daarbij aansluitend recht onder opschortende voorwaarde dient mijns inziens – evenals in het erfrecht – zulks te worden uitgezonderd van de tijdslimietseis. Het voorgaande dient naar mijn mening tevens te gelden voor trusts die ter verwezenlijking van een bepaald doel in het leven zijn geroepen.
Men denke hierbij aan de intentie van insteller in het algemeen om een bepaald type trust in het leven te roepen.
Ook de memorie van toelichting is op dit punt onduidelijk. Zie hiervoor: MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 6-7.
Zie voor een suggestie ter verbetering van deze bepaling paragraaf 4.3.15.10.
In paragraaf 2.4.4 is aan bod gekomen dat het Anglo-Amerikaanse recht regels kent die de beschikking over en de verkrijging van goederen, de zogenoemde ‘perpetuity rules’, begrenzen. Het Curaçaose trustrecht heeft, in afwijking van het Anglo-Amerikaanse recht, ervoor gekozen om deze goederenrechtelijke beperkingen niet in de wet op te nemen.1 De gedachte van de Curaçaose wetgever hierbij was dat er geen goede reden is om te verbieden dat de Curaçaose trust niet voor onbepaalde tijd wordt ingesteld, aangezien stichtingen en naamloze vennootschappen doorgaans voor onbepaalde tijd worden opgericht.2 Hoewel ik de beslissing van de Curaçaose wetgever om af te zien van de implementatie van de ‘perpetuity rules’ in de trustwetgeving zoals die in het Anglo-Amerikaanse recht zijn vormgegeven, toejuich – de memorie van toelichting zegt dit echter niet met zoveel woorden – is de achterliggende reden mijns inziens op verkeerde gronden gebaseerd.
De Curaçaose wetgever lijkt allereerst de trust te benaderen vanuit een ondernemingsrechtelijk oogpunt. Deze benadering is naar mijn mening niet geheel juist. Het lijkt aan de Curaçaose wetgever te zijn voorbij gegaan dat de trust een verband op goederen behelst – de trust is immers geen rechtspersoon – dat geheel andere rechtsgevolgen kent en qua rechtsfiguur geheel verschilt van rechtspersonen die in het leven worden geroepen.3 Een ondernemingsrechtelijk motief gebruiken om de keuze voor de onbepaalde duur van de trust te rechtvaardigen, geeft derhalve een verkeerd beeld weer van de trustfiguur.
Voor wat betreft de ‘perpetuity rules’ in het Anglo-Amerikaanse recht, zijn deze nogal complex en betreft het een weerbarstige materie.4 Dergelijke voorschriften zouden het Curaçaose trustrecht onnodig gecompliceerd maken. Toch acht ik – in tegenstelling tot de visie van de wetgever – een tijdslimiet voor trusts in bepaalde gevallen noodzakelijk. Stel dat een trust is ingesteld waarbij voorwaardelijke rechten voor begunstigden in het leven zijn geroepen. Indien de aan het recht gekoppelde voorwaarde niet in vervulling gaat, blijft onder het huidige trustrecht de onzekere rechtstoestand die een voorwaardelijk recht met zich meebrengt oneindig voortduren.5 De Curaçaose trustwetgeving voorziet thans niet in dergelijke situaties.6/7 Voorts bestaat thans evenmin een regeling voor situaties waarin een ‘discretionary’ trust is ingesteld en de trust reeds geruime tijd bestaat zonder dat de trustee begunstigden heeft aangewezen. Een regeling ontbreekt eveneens indien nog niet bestaande natuurlijke personen of rechtspersonen als begunstigden zijn aangewezen of onderdeel zijn van de groep der potentiële begunstigden en het duidelijk is dat deze niet meer zullen ontstaan.8 Het is zonder meer wenselijk indien de Curaçaose wetgever een wettelijke tijdslimiet voor boven besproken gevallen vaststelt, teneinde de rechtszekerheid te kunnen waarborgen. In paragrafen 4.3.2 en 4.3.3 wordt voor het eerdergenoemde een oplossing aangedragen.
Ten slotte bepaalt art. 3:130 lid 5 BWC dat het doel niet in strijd mag zijn met dwingende wetsbepalingen, de goede zeden of de openbare orde. De formulering van deze wetsbepaling is echter ambigu en roept allerlei vragen op. Wat heeft de Curaçaose wetgever precies met het woord ‘doel’ bedoeld? Is dat de doelomschrijving – dat wil zeggen het beoogde werkterrein – van een ‘trust ter verwezenlijking van een bepaald doel’ oftewel een ‘purpose trust’ op zichzelf beschouwd, zoals bijvoorbeeld een trust die is ingesteld met het doel zich in te zetten voor straathonden in het Caribisch gebied? Of heeft het betrekking op de inhoud en strekking van een trust die – ongeacht of de trust is ingesteld ter verwezenlijking van een bepaald doel of ten behoeve van (potentiële) begunstigden – is ingesteld?9 Dat is thans niet geheel duidelijk.10 Ik meen dat de Curaçaose wetgever dat laatstgenoemde heeft bedoeld, gelet op het feit dat de strekking en inhoud van de trust in het algemeen, tevens de doelomschrijving van een ‘trust ter verwezenlijking van een bepaald doel’ omvat.11 Hier zij overigens opgemerkt dat artikel 3:130 lid 5 BWC overeenkomt met de Anglo-Amerikaanse regeling omtrent de strijdigheid van de intentie van de settlor tot instelling van de trust met dwingende wetsbepalingen, de goede zeden of de openbare orde.