Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/5.4.1
5.4.1 Het wetgevingsproces
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232363:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Van Veen 2012.
Van der Grinten 1943. Overigens is de houding van Van der Grinten ten opzichte van de ontwikkeling van de stichting aanzienlijk liberaler dan die van Scholten. Zo had Van der Grinten, in tegenstelling tot Scholten, geen moeite met de stichting die op een veel breder terrein werkzaam is dan de traditionele weldadige stichting.
Bregstein 1955, p. 589.
Kamerstukken II 1954-1955, 3463, nr. 4, p. 2. In de Memorie van Toelichting wordt dit, zij het minder bondig, ook al gezegd, Kamerstukken II 1953-1954, 3463, nr. 3, p. 6.
Handelingen II 1955-1956, p. 2101.
Bregstein 1955, p. 593.
Handelingen II 1955-1956, p. 2113.
En na de invoering daarvan in 1971, ook van de BV. In gelijke zin Van Veen 2012, p. 380.
Om het dupliceringsverbod goed te doorgronden, mag de discussie rond de commerciele stichting niet worden overgeslagen.1 Bij de parlementaire behandeling van de Wet op stichtingen is uitgebreid stilgestaan bij de commerciële stichting. Hierbij speelde een artikel van Van der Grinten uit 1943 een belangrijke rol, waarin hij schreef:
‘Een stichting, die niets anders beoogt dan inkomsten te verschaffen aan oprichters, bestuurders of anderen, die de stichting gebruiken, ter behartiging van hun stoffelijke belangen, lijkt mij absoluut te verwerpen.’2
Dit betekende niet dat Van der Grinten commerciële activiteiten van een stichting wilde verbieden. Integendeel, zolang het achterliggende doel van de stichting maar niet gericht is op de belangen van de oprichters, bestuurders of anderen. Deze gedachten sluiten naadloos aan op de zienswijze van Paul Scholten als hiervoor in 5.5.2 weergegeven.
Het oorspronkelijke ontwerp van artikel 1 Wos luidde:
‘Een stichting is een door een rechtshandeling in het leven geroepen rechtspersoon, welke beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een niet op winst gericht doel te verwezenlijken. Een stichting kent geen leden.’3
Tegen het uitgangspunt dat de stichting niet een op winst gericht doel mocht hebben, bestond veel oppositie. Vooral Bregstein mag hier niet ongenoemd blijven. In een tweetal artikelen uit 1955 in het WPNR, geeft hij een uitgebreide uiteenzetting over de stichting en het wetsontwerp voor de Wet op stichtingen.
Bregstein, geïnspireerd door het artikel van Van der Grinten uit 1943, schrijft:
‘De stichting mag niet beogen inkomen te verschaffen aan personen, die de stichting ter behartiging van hun belangen gebruiken.’4
Op zijn beurt geïnspireerd door Bregstein, komt minister Donker met zijn uitleg van ‘niet op winst gericht doel.’ Zo valt in het Verslag te lezen:
‘Waar het doel is het behalen van winst of samenwerking van personen, staan de rechtsvormen van de vennootschap, c.q. de vereniging als bruikbare vormen van rechtspersoonlijkheid ter beschikking.’5
Het Tweede Kamerlid Van Leeuwen merkt naar aanleiding van het Verslag op:
‘Ook ik ben van mening, dat, wanneer men in het leven wil roepen wat in het Duits kernachtig een ‘Erwerbsgesellschaft’ wordt genoemd, daarvoor de stichtingsvorm niet moet worden gekozen.
De stichtingsvorm blijft dan dus open, behalve voor stichtingen op het klassieke gebied van godsdienstige, liefdadige, culturele, sociale en wetenschappelijke doeleinden, voor stichtingen op commercieel terrein, die niet beogen winst voor zich zelf te maken. Onder de toegelaten stichtingen blijven dus zowel stichtingen, die met bedrijfsuitoefening winsten maken, doch deze aanwenden voor de doeleinden van de klassieke stichting, als de stichtingen, die haar taak vinden in de behartiging van handels- en nijverheidsbelangen, van commerciële belangen dus, zonder het behalen van winst voor zich in deze samenwerking te beogen. Uitgesloten van de stichtingsvorm zijn dan dezulke, die zouden beogen winst te maken voor zich zelf en deze uit te keren aan de kring van oprichters en/of machthebbers.’6
Naar aanleiding van het Verslag leidt Bregstein uit de woorden van minister Donker af, dat ook de minister uitgaat van het dupliceringsverbod.7
In de Tweede Kamer geeft de minister te kennen:
‘Ook voor de oprichter van een stichting behoort te gelden, dat hij niet van de stichtingsvorm gebruik moet kunnen maken om aan eigen vermogensrechtelijke aansprakelijkheid te ontkomen en inkomsten voor zichzelf te verkrijgen.’8
Het gevolg van de discussie in en buiten het parlement is, dat de Tweede nota van wijzigingen van het wetsontwerp Wettelijke regeling in zake stichtingen bij de Tweede Kamer wordt ingediend, waarbij artikel 1 lid 3 Wos wordt geïntroduceerd met de tekst die tot op de dag van vandaag geldt en thans is opgenomen in artikel 2:285 lid 3 BW.9
Uit de parlementaire behandeling van artikel 1 lid 3 Wos kan de conclusie worden getrokken, dat de bedoeling van het verbod dat het doel van de stichting niet mag zijn het doen van bepaalde uitkeringen, is gelegen in het dupliceringsverbod. Dit werd gedaan door afgrenzing van het doel van de stichting ten opzichte van dat van de NV.10