Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/1.3.2.1
1.3.2.1 Verantwoording keuze te onderzoeken rechtsstelsels in rechtsvergelijkend deel
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS449867:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Een niet onaanzienlijk deel van de huidige generatie rechtsvergelijkers meent dat het denken in termen van legal families inmiddels achterhaald is; zie Garoupa & Pargendler (2012), p. 6-9.
Kokkini-Iatridou (1988), p. 79, Husa (2006), p. 382-391.
Mattei (1997), p. 5-44. De hierna volgende samenvatting van Mattei’s opvattingen is noodzakelijkerwijze te kort om aan de nuanceringen en dynamiek van de door hem voorgestelde classificatie volledig recht te doen.
Mattei (1997), p. 23-27.
Mattei (1997), p. 27-35.
Mattei (1997), p. 35-40.
Overigens leidt de indeling van Mattei wat het onderwerp van deze studie betreft niet tot een uitkomst die heel wezenlijk verschilt van die van eerdere coryfeeën van de rechtsvergelijking zoals David uit 1962 of Zweigert & Kötz uit 1969; vergelijk Pintens (1998), p. 65-68. Zie voor een geactualiseerde weergave van hun opvattingen: David & Brierley (1985), p. 22-31 en Zweigert & Kötz (2011), p. 65-73.
Pistor c.s. (2002), p. 789-801.
Koziol (2012), p. 2, p. 6 en p. 26.
Shaikh (2012), p. 132.
Pistor c.s. (2002), p. 794, Siems (2011), p. 781.
Hoofdstuk 3 van deze studie omvat het rechtsvergelijkende deel. Wie rechtsvergelijkend onderzoek wil verrichten stuit op het probleem dat het niet mogelijk is alle denkbare jurisdicties in het onderzoek te betrekken. De wetenschap van de rechtsvergelijking komt de onderzoeker hier te hulp door de bestaande rechtsstelsels in te delen in groepen met gemeenschappelijke kenmerken (‘legal families’).1 Probleem daarbij is dat er verschillende van deze indelingen bestaan, die elk eigen indelingscriteria hanteren en daarmee tot onderling uiteenlopende uitkomsten leiden, terwijl er onder beoefenaren van de rechtsvergelijking geen consensus bestaat over het antwoord op de vraag welke indeling nu de beste is.2 Voor dit onderzoek heb ik gekozen voor de relatief innovatieve indeling die Mattei heeft ontworpen.3 Deze rechtsvergelijker classificeert de rechtsstelsels aan de hand van het criterium uit welke bron zij afkomstig zijn. Hij onderscheidt daarbij drie hoofdgroepen. De eerste bestaat uit rechtsstelsels waar het recht een democratische bron heeft en het beginsel van de rechtsstaat wordt erkend, zodat de staat onderworpen is aan de regels van het recht. Deze groep kan weer worden onderverdeeld in de civil law rechtstelsels en de common law rechtsstelsels.4 De tweede hoofdgroep wordt gevormd door de rechtsstelsels waar het recht uit politieke bron stamt en de staat niet aan het recht ondergeschikt is. Een aantal landen vooral in Afrika en Latijns Amerika behoort tot deze groep.5 De derde hoofdgroep omvat de rechtsstelsels waar de wet hoofdzakelijk uit filosofische of religieuze bron afkomstig is. Tot deze groep behoren landen met Islamitisch recht en landen als China, Japan en India.6 Voor het onderwerp van deze studie lijkt het kennisnemen van de opvattingen omtrent het bestuursverbod, zo die er al zijn, in landen die tot Mattei’s tweede en derde hoofdgroep behoren minder relevant, gelet op de sterk van ons rechtssysteem afwijkende politieke, culturele en religieuze opvattingen die ten grondslag liggen aan de rechtsstelsels die tot deze beide groepen behoren. Daarmee dienen de rechtsstelsels die in deze studie in de rechtsvergelijking worden betrokken te worden gekozen uit tot de eerste hoofdgroep van Mattei.7 Het leek mij evenwichtig om twee belangrijke representanten van de civil law subgroep te selecteren en twee uit de common law subgroep.Wat de civil law groep betreft heb ik gekozen voor de rechtsstelsels van Frankrijk en Duitsland. Beide zijn vooraanstaand en hebben als basis of althans als inspiratiebron gediend voor de privaatrechtelijke rechtsstelsels van tal van andere landen.8 De keuze voor Frankrijk ligt bovendien voor de hand nu ons burgerlijk- en handelsrecht van oudsher is geënt op het Franse recht en de Nederlandse regels omtrent de commanditaire vennootschap direct zijn te herleiden tot de vergelijkbare bepalingen in de Franse Code de Commerce van 1808. De keuze voor Duitsland is niet alleen ingegeven door de hierboven gereleveerde algemene, tot navolging nodende prominentie van dit land op privaat- en handelsrechtelijk terrein, maar vooral ook door de uiterst grondige en dogmatisch sterke wijze van rechtsbeoefening in Duitsland.9 Daarbij komt de levendige belangstelling van de kant van de Duitse wetenschap en praktijk voor de personenvennootschap, en daarmee de commanditaire vennootschap, die tot een dynamische ontwikkeling van het recht op dit terrein leidt. Wat de common law groep betreft heb ik gekozen voor Engeland en de Verenigde Staten. Engeland is de grondlegger van de common law traditie. Bovendien wordt in de vennootschapspraktijk ook in Nederland veel gebruik gemaakt van Engelse of Schotse limited partnerships, de evenknie van onze commanditaire vennootschap. Voor de Verenigde Staten spreekt, nog afgezien van het feit dat het nog altijd de grootse economie ter wereld is10 en Nederland intensieve handelsbetrekkingen met dit land onderhoudt, dat in het bijzonder de Delaware limited partnership in de Nederlandse vennootschapspraktijk geregeld voorkomt. Daarbij komt dat in de Verenigde Staten, evenals in Duitsland, de commanditaire vennootschap in de praktijk op grote schaal wordt toegepast en het gebruik en de mogelijkheden van deze rechtsvorm onderwerp zijn van een intensief debat in de academie en de juridische praktijk. Interessant is dat in twee recente rechtsvergelijkende studies op het terrein van het vennootschapsrecht dezelfde keuze voor Frankrijk, Duitsland, Engeland en de Verenigde Staten als onderzoeksobject is gedaan, overigens met als belangrijkste verantwoording dat dit de vier meest invloedrijke jurisdicties in de wereld zijn.11