Beperkte rechten op eigen goederen
Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/10.8:10.8 Conclusie
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/10.8
10.8 Conclusie
Documentgegevens:
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491168:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
128. In beginsel kan een eigenaar alleen een beperkt recht op zijn eigen zaak hebben, als iemand daarbij belang heeft uit hoofde van een goederenrechtelijk recht. Verbintenisrechtelijke rechten zijn daarvoor onvoldoende, vanwege het onderscheid tussen goederenrechtelijke rechten en verbintenisrechtelijke rechten dat ten grondslag ligt aan het systeem van het recht. Een eigenaar kan bijvoorbeeld niet een beperkt recht op zijn eigen zaak hebben, omdat een derde een recht op levering van dat beperkte recht heeft.
Het zou ook geen meerwaarde hebben om beperkte rechten op een eigen zaak voort te laten bestaan in verband met verbintenisrechtelijke rechten. Behoudens uitzonderingsgevallen, kunnen de beperkte rechten opnieuw worden gevestigd. Rusten op een moederrecht van een beperkt recht op een eigen zaak, andere beperkte rechten met een lagere of gelijke rang, dan blijft het beperkte recht voortbestaan. De tweede volzin van art. 3:81 lid 3 BW zorgt daarvoor (zie §9.2.4).
Volgens art. 4:50 lid 3 BW gaat een beperkt recht niet door vermenging teniet, als een erflater dat beperkte recht of het bezwaarde moederrecht heeft gelegateerd, en door de erfopvolging beperkt recht en moederrecht in één hand komen. De betekenis van de bepaling is heel gering. In veel gevallen vormt de nalatenschap een afgescheiden vermogen, en gaat het beperkte recht om die reden niet door vermenging teniet. In vrijwel alle andere gevallen kan het beperkte recht opnieuw worden gevestigd, of blijft het voortbestaan op grond van art. 3:81 lid 3, tweede volzin BW. Art. 4:50 lid 3 BW geeft wel aanleiding tot complexe vragen als het legaat wordt verworpen of als een keuzelegaat is gemaakt. Om deze redenen zou overwogen kunnen worden de bepaling te schrappen.
Art. 5:83 BW is van toepassing als het heersende of het dienende erf van een erfdienstbaarheid bij een derde in gebruik is op grond van een persoonlijk gebruiksrecht, en heersend en dienend erf in één hand komen. De erfdienstbaarheid gaat ‘pas’ door vermenging teniet bij het einde van dit gebruiksrecht. Art. 5:83 BW geldt ook als de beide erven bij verschillende derden of dezelfde derde in gebruik zijn. De bepaling is vooral relevant als heersend en dienend erf weer verschillende eigenaars krijgen. De gebruiker van het dienende erf blijft aan de erfdienstbaarheid gebonden. De gebruiker van het heersende erf kan van het servituut blijven profiteren. Die bescherming geniet hij ook bij faillissement van de eigenaar van beide erven, of als een beslaglegger tot verkoop van het dienende erf overgaat. De curator en de beslaglegger mogen/kunnen het dienende erf slechts verkopen onder bezwaar van de erfdienstbaarheid.
Een levering bij voorbaat (art. 3:97 BW) kan meebrengen dat een eigenaar een beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben. Ik ben tot die conclusie gekomen, omdat degene die een goed bij voorbaat heeft geleverd, niet de vrijheid heeft zich te onttrekken aan de levering op het moment dat hij het goed verkrijgt (de zogeheten zakelijk gebonden wil). Iemand kan daardoor gedurende een ondeelbaar moment een beperkt recht op zijn eigen zaak hebben.
De inschrijving in de openbare registers van een verbintenisrechtelijke aanspraak met betrekking tot een registergoed (Vormerkung), kan daarentegen niet verhinderen dat een beperkt recht door vermenging tenietgaat. De opsomming in art. 7:3 lid 3 BW heeft een limitatief karakter. De praktische betekenis hiervan is echter gering. Als de rechtshandeling als gevolg waarvan beperkt recht en moederrecht in één hand komen, wel genoemd staat in de opsomming, voorkomt de blokkerende werking van de Vormerkung het optreden van vermenging (art. 7:3 lid 3 BW). In vrijwel alle andere gevallen biedt ofwel de tweede volzin van art. 3:81 lid 3 BW soelaas, ofwel kan het tenietgegane beperkte recht opnieuw worden gevestigd.
Bij overeenkomst of in de statuten van een rechtspersoon, kunnen bepaalde bevoegdheden worden toegekend aan een beperkt gerechtigde. Deze bevoegdheden behoren echter niet tot de inhoud van het beperkte recht. Daarom kunnen die bevoegdheden niet ertoe leiden dat een eigenaar een beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben.