Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.6.1
IV.1.6.1. De verhouding tussen legaten en quasi-legaten en de quasi-legaten onderling
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS575582:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie F.W.J.M. Schols, Schenking en Gift, p. 33 e.v. Naar aanleiding van dit werk zijn vragen gesteld door de vaste commissie voor Justitie, Verslag, 17 213, nr. 5, p. 10.
Nota van Wijziging, 17 213, nr. 4, p. 16.
Nota naar aanleiding van het Verslag, 17 213, nr. 6, p. 19 e.v.
Vgl. art. 4:67 BW waar de gift wordt genoemd die voor inkorting vatbaar is verklaard.
Nota naar aanleiding van het Verslag, 17 213, nr. 6, p. 20.
Nota naar aanleiding van het Verslag, 17 213, nr. 6, p. 20.
Zie hiervoor reeds Handboek Nieuw Erfrecht (2002), F.W.J.M Schols, p. 153 e.v. Over de nuancering van de herroepelijkheid nader F.W.J.M. Schols, De nieuwe schenkingsregeling. Een gift voor estate planners?!, WPNR 6433 (2001).
Een eerste vraag die opkomt, is of het mogelijk is om bij het quasi-legaat overeen te komen dat dit ‘legaat’ pas na andere legaten zal worden verminderd. De quasi-legataris krijgt zo meer zekerheid dat hij zijn vorderingsrecht te gelde kan maken.1
Art. 4:129 BW en de toelichting daarop zou op het eerste gezicht kunnen leiden tot de conclusie dat het niet mogelijk is de quasi-legataris de zekerheid te geven dat hij pas in een later stadium verminderd wordt. In dit artikel is uitdrukkelijk geregeld dat bij uiterste wilsbeschikking een clausule als bedoeld in art. 4:82 BW (uitstel opeisbaarheid legitieme) kanworden verbonden aan een quasi-legaat. De parlementaire toelichting2 op dit artikel leert het volgende:
‘Deze bepaling maakt het mogelijk (curs. FS) dat degene die een quasi-legaat maakt, de daardoor begunstigde bij uiterste wilsbeschikking kan vrijwaren tegen opeisbare vorderingen van legitimarissen. Deze bescherming, door middel van het maken van een voorwaarde als in artikel 4.3.3.11b, geschiedt – anders dan het quasi-legaat als zodanig – door het maken van een daartoe strekkende uiterste wilsbeschikking.’3
Een bepaling als art. 4:129 BW ontbreekt voor wat betreft de vermindering, hetgeen tot de conclusie zou kunnen leiden dat het beïnvloeden van de verminderingsvolgorde bij quasi-legaten niet mogelijk is. Anderzijds zou men ook kunnen betogen, en dit is de juiste visie, dat het mogen wijzigen van de verminderingsvolgorde inherent is aan het feit dat sprake is van een (quasi-)legaat. De regeling van art. 4:129 BW is slechts vereist omdat art. 4:82 BW niet ziet op de inkorting doch op de opeisbaarheid van de legitieme. Ook hier blijkt het grote belang van de beantwoording van de vraag hoe ver de legaten-fictie strekt.
De minister4 haalt op het onderhavige punt (wijziging verminderingsvolgorde) de twijfel weg:
‘Vervolgens stelt de commissie naar aanleiding van in de literatuur door F.W.J.M. Schols en de commissie erfrecht van de KNB opgeworpen vragen aan de orde in hoeverre en op welke wijze wijziging kan worden aangebracht in de volgorde van inkorting en vermindering voor zover deze de quasi-legaten betreft. Uit de bepaling in artikel 4.4.2.7b lid 1 dat schenkingen bij dode (en de andere in lid 2 genoemde handelingen) voor de toepassing van de regels van inkorting en vermindering worden aangemerkt als legaat, ligt besloten dat net als voor legaten ook voor deze schenkingen de volgorde van inkorting en vermindering kan worden gewijzigd op de voet van artikel 4.3.3.12 lid 2 en art. 4.4.2.4 lid 3.’
De minister was van mening dat het mogen wijzigen van de inkortingsvolgorde inderdaad inherent was aan de kwalificatie ‘quasi-legaat’. Hij zag geen reden om de wet hiervoor aan te passen.
Dat de volgorde van vermindering te wijzigen is, zegt echter nog niets over de volgende vraagstukken:
hoe is eenwijziging mogelijk, en
hoe is de volgorde als er niets geregeld is?
Gelet op de aard van het quasi-legaat zou het zo moeten zijn dat alvorens aan de vermindering van quasi-legaten zou worden toegekomen, in eerste instantie vermindering van legaten plaats moet hebben. Iemand die aanspraken heeft uit een overeenkomst moet mijns inziens immers anders behandeld worden dan degene die aanspraken heeft uit hoofde van een eenzijdige herroepelijke rechtshandeling, die tijdens leven geen rechtsbanden schept (art. 4:42 BW).
Wat de volgorde van vermindering betreft, bracht de Tweede Nota van Wijziging een regeling in art. 4:126 lid 1 BW:
‘In afwijking van de artikelen 87 lid 2 en 120 lid 3 van Boek 4 komt de schenking of andere gift, indien daarbij niet anders is bepaald, als laatste voor inkorting en vermindering in aanmerking.(Curs. FS)’
Voor de verhouding tussen legaten en quasi-legaten geldt derhalve op grond van het aangepaste art. 4:126 lid 1 BW het volgende. Als niets geregeld is, zullen eerst legaten verminderd worden en vervolgens quasi-legaten. Dit is, gelet op het feit dat sprake is van een tijdens leven bestaande rechtsverhouding, een evenwichtig uitgangspunt.
Bij het quasi-legaat kan, zo leert art. 4:126 lid 1 BW, bepaald worden dat de quasi-legaten eerder verminderd worden dan de bij testament gemaakte of te maken legaten. Interessant is het te constateren dat de wetgever het hier mogelijk maakt om bij overeenkomst iets te regelen over de erfrechtelijke behandeling van het quasi-legaat. De wetgever ziet hierin geen belemmering van iemands erfrechtelijke bevoegdheid in de zin van art. 4:4 lid 1BW. Terecht, omdat hier sprake is van het uitbreiden van bevoegdheden. De erflater kan zich de erfrechtelijke vrijheid bedingen om de verminderingsvolgorde anders te laten verlopen dan art. 4:126 lid 1 BW als hoofdregel voorschrijft.5
Thans aandacht voor de verhouding tussen de quasi-legatarissen onderling.
Indien L aan P een schenking/quasi-legaat verricht op moment 1 (schenking I) en vervolgens een schenking/quasi-legaat verricht op moment 2 aan J (schenking II), geldt dan dat P het eerst maalt wat verhaal betreft? Denk hierbij aan het inkortingssysteem van schenkingen van art. 4:89 BW. Is het in overweging te nemen om dwingend het ‘jongste’ quasi-legaat als eerste voor vermindering in aanmerking te laten komen, enzovoorts? Voor wat betreft de inkorting – het dragen van de legitieme – zou mij dat in ieder geval wel aanspreken. Zie par. 1.7 van dit hoofdstuk. Voor wat betreft de vermindering echter vind ik de gedachte van de ‘paritas creditorum’ op mijn weg (art. 3:277 BW). De wettelijke regeling die uitgaat van een gelijktijdige vermindering, is dan ook de juiste.
Is het mogelijk dat L de schenking aan J (schenking II) achter stelt bij die van P (schenking I) bij de latere gift aan J? De hiervoor aangehaalde toegevoegde passage in art. 4:126 lid 1 BW zegt mijns inziens slechts iets over de verhouding tussen quasi-legaten en legaten. Gelet op de contractsvrijheid zal L mijns inziens ook kunnen bedingen bij de schenking aan J (schenking II), dat eerdere quasi-legaten, bijvoorbeeld die aan P (schenking I), later verminderd worden. Dit is de ‘achterstelling’ van art. 3:277 lid 2 BW. Andersom is niet mogelijk, zonder de medewerking van P. Nu de toevoeging in art. 4:126 lid 1 BW slechts iets zegt over de verhouding tussen quasi-legaten en legaten, zou dit tot de conclusie kunnen leiden dat voor de verhouding tussen de quasi-legatarissen onderling, teruggevallen moet worden op de regel van art. 4:120 lid 3 BW, waarin onder meer is bepaald dat de erflater zelf de verminderingsvolgorde kan vaststellen. Dit zou betekenen dat L in zijn testament zou kunnen bepalen dat wat de vermindering betreft het quasi-legaat aan P (schenking I) eerder voor vermindering in aanmerking komt dan het quasi-legaat aan J (schenking II)? Wanneer men dit zou toestaan, verliest men de partitas creditorum en het feit dat al tijdens leven een rechtsverhouding bestaat uit het oog.
De volgende passage uit het betoog van de minister geeft uitsluitsel:6
‘Dienaangaande valt te bedenken dat de vrijheid van de erflater tot wijziging van de volgorde van inkorting en vermindering van makingen rechtstreeks voortvloeit uit het beginsel van de testeervrijheid: waar de erflater de vrijheid heeft om erfstellingen en legaten te maken dan wel achterwege te laten, is het ook aan hem om desgewenst te bepalen dat bepaalde makingen eerst na andere makingen worden ingekort of verminderd. Het spreekt in het licht hiervan vanzelf dat makingen die de erflater niet in volledige vrijheid doet doch ingevolge een natuurlijke verbintenis, in beginsel eerst na alle andere makingen in aanmerking komt voor inkorting en vermindering. Dat de erflater ook hier wel de mogelijkheid heeft om anders te bepalen, is te begrijpen vanuit de gedachte dat de juridische gevolgen van een natuurlijke verbintenis slechts tegen de erflater kunnen worden ingeroepen voor zover deze zelf tot nakoming daarvan heeft besloten. De erflater heeft ook bij makingen ter nakoming van een natuurlijke verbintenis de vrijheid om deze te herroepen. Is er echter sprake van volledige juridische gebondenheid (curs. FS) voor de erflater, zoals bij een geldige schenking terzake des doods, dan mist de erflater de vrijheid om deze ongedaan te maken. Dit brengt naar mijn oordeel mee dat deze schenkingen ten laste van de nalatenschap behoren te worden gebracht vóór de, tot aan het overlijden herroepelijke, makingen. Voorts bestaat er ten aanzien van deze schenkingen geen grond voor enige bevoegdheid van erflater om door het wijzigen van de volgorde van inkorting en vermindering deze schenkingen alsnog ten achter te stellen bij gewone makingen.’
Bij uiterste wilsbeschikking kan, tenzij uitdrukkelijk bij de overeenkomst bedongen, de verminderingsvolgorde tussen de quasi-legatarissen niet gewijzigd worden, zo blijkt terecht ook uit de parlementaire stukken. Dit in verband met de ‘volledige juridische gebondenheid’. De vermindering geschiedt gelijktijdig naar evenredigheid.
Aan de regeling van de verminderingsvolgorde in art. 4:126 lid 1 BW is nog een belangrijke uitzondering toegevoegd. Deze uitzondering ziet op de verhouding tussen legaten en quasi-legaten.
‘Kan de schenking of andere gift tot aan het overlijden van de schenker of de gever worden herroepen, dan mist de tweede zin toepassing.’
Wat is de impact van het feit dat ‘de tweede zin toepassing mist’? Zijn art. 4:120 lid 3 BW en art. 4:87 lid 2 BW, de standaardregels, dan onverkort van toepassing? De minister geeft een toelichting op de toevoeging van de uitzondering:7
‘Het voorgaande voert tot de slotsom dat bij de tweede nota vanwijziging alsnog een voorziening zal worden voorgesteld in artikel 4.4.2.7b lid 1 om te bewerkstelligen dat quasi-legaten als laatste voor inkorting en vermindering in aanmerking komen. Daarbij zal, in lijn met de hiervoor uiteengezette gedachtengang, deze voorziening worden beperkt tot die schenkingen welke inderdaad onherroepelijk zijn[…].(curs. FS)’
Wil dit zeggen dat een herroepelijk quasi-legaat, wat de vermindering betreft, in beginsel altijd gelijk opgaat met legaten? Dit lijkt de bedoeling. Betekent dit vervolgens ook dat bij uiterste wilsbeschikking dit quasi-legaat achtergesteld kan worden bij (bepaalde) legaten? Gelet op het hiervoor aangehaalde betoog van de minister over de ‘volledige juridische gebondenheid’ zou men in de verleiding kunnen komen om dit inderdaad mogelijk te achten.
De minister ziet hier wellicht wel een grond, te weten de herroepelijkheid, voor een bevoegdheid van erflater om door het wijzigen van de volgorde van inkorting en vermindering bij uiterste wilsbeschikking deze schenkingen alsnog achter te stellen bij legaten. Steun voor deze gedachte vind ik in het feit dat het herroepelijke quasi-legaat de meeste gelijkenissen vertoont met een echt legaat.
Mocht dit inderdaad de bedoeling zijn dan wil ik hierbij toch een enkele kanttekening maken. De minister stapt in dit geval relatief snel heen over het verschil tussen een situatie waarin tijdens leven een rechtsverhouding ontstaat en die waarin géén rechtsbanden ontstaan, daar waar sprake is van een uiterste wilsbeschikking. Indien bijvoorbeeld een overeenkomst herroepelijk is (gemaakt onder ontbindende voorwaarde) doet dit toch niet af aan het feit dat het karakter van een dergelijke overeenkomst anders is dan een uiterste wilsbeschikking. Het zou mijns inziens meer voor de hand liggen deze overeenkomst hetzelfde lot te laten delen als het niet-herroepelijke quasi-legaat. Binnen de categorie quasi-legaten zou vervolgens, zo gewenst, door de wetgever bepaald kunnen worden dat de (te allen tijde) herroepelijke legaten als eerste voor inkorting/vermindering in aanmerking komen. Bij het ontwerpen van een bepaling in deze zin dient men de ‘paritas creditorum’ in het vizier te houden.
Belangrijk is ook dat de minister wellicht vergeet dat het ene herroepelijke quasi-legaat het andere niet is. Een rechtshandeling – ook een schenking – kan onder voorwaarde worden verricht (art. 3:38 BW, art. 7:175 BW). In het meest verregaande geval kan de schenker vrij zijn om de schenking te allen tijde te herroepen. Het quasi-legaat vertoont in een dergelijk geval de meeste trekken van een legaat. Maar men kan de herroepelijkheid in die zin nuanceren dat de herroeping slechts mogelijk is in een bepaald geval en/of op bepaalde wijze.8 Wordt dit over het hoofd gezien of bedoelt de wetgever met herroepelijk ‘te allen tijde herroepelijk’. De minister spreekt te ongenuanceerd over ‘onherroepelijk’. Dit is ongelukkig. Zou al een aparte regeling voor herroepelijke quasi-legaten wenselijk zijn, dan dient deze beperkt te worden tot die schenkingen die te allen tijde door de schenker te herroepen zijn. Een zuivere potestatieve voorwaarde derhalve.