Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/3.2.2:3.2.2 De korte verjaringstermijn is geen gestandaardiseerde vorm van rechtsverwerking
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/3.2.2
3.2.2 De korte verjaringstermijn is geen gestandaardiseerde vorm van rechtsverwerking
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973640:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Engelse term voor verjaring, limitation period,sluit daar in mijn ogen goed bij aan.
Zie Houwing 1968, p. 64.
Brunner 2001, p. 244.
Waarbij hij overigens niet motiveert wat in zijn ogen het verschil tussen deze begrippen is, vgl. Smeehuijzen 2008, p. 56.
Smeehuijzen 2008, p. 35.
Smeehuijzen 2008, p. 34-36; zie ook Brunner 2001 en Valk 1993.
Smeehuijzen 2008, p. 56.
Idem.
Idem.
Smeehuijzen 2008, par. 27.8.2.
HR 5 april 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB6996, NJ 1968/251 (Pekingeenden).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan het slot van de vorige paragraaf kwam de verhouding tussen rechtsverwerking en de korte verjaringstermijn al aan de orde. De rechtsfiguren vertonen verwantschap: beide zijn in ieder geval deels geënt op de redelijkheid en billijkheid en beide figuren stellen een sanctie op een vorm van inactief schuldeisersgedrag. Toch zijn rechtsverwerking en de korte verjaringstermijn niet hetzelfde.
De korte verjaringstermijnen laten zich kenmerken door het feit dat vanaf het moment van daadwerkelijke bekendheid met de vordering een termijn voor de schuldeiser gaat lopen waarbinnen hij zijn vordering geldend moet maken. Het is onverschillig wanneer hij binnen die termijn in actie komt. Ook is onverschillig of de schuldenaar wel of niet benadeeld wordt als gevolg van het verstrijken van de betreffende termijn. De wetgever heeft het voor het rechtsverkeer van belang geacht dat crediteuren binnen drie of vijf jaar nadat zij daartoe daadwerkelijk in staat zijn hun vordering geldend moeten maken. Dat is, zoals in par. 3.2.1 aangegeven, geen afweging van individuele billijkheid. Het betreft een afweging met het oog op stimulatie van een vlotte afwikkeling van vermogensrechtelijke rechtsbetrekkingen door middel van een voorspelbare regel. Die regel bestaat in een harde termijn, waardoor de rechtstoestand blijft aangesloten bij de feitelijke situatie van partijen in het rechtsverkeer. Deze regel grijpt weliswaar vrij vergaand in individuele rechtsverhoudingen in, maar dat doet niet af aan het algemene rechtszekerheidsbelang dat met de regel is beoogd.
Een dergelijke regeling van algemene strekking is conceptueel iets anders dan rechtsverwerking. Zoals ik in hoofdstuk 2 en met name in par. 2.4.1-2.4.4 hiervoor heb uitgewerkt, ligt aan het leerstuk rechtsverwerking een plicht van de schuldeiser strekkende tot consistent gedrag jegens de schuldenaar ten grondslag, gelet op het belang van laatstgenoemde. De schending daarvan leidt tot een beperking van schuldeisersrechten.
De regel dat een vorderingsrecht uitdooft wanneer dat na een subjectief aanvangsmoment niet binnen drie of vijf jaar geldend wordt gemaakt, is niet hetzelfde als een verplichting tot consistent gedrag aan schuldeiserszijde wanneer het belang van de schuldenaar daarom vraagt. Het verjaringsrecht behelst een wettelijke verplichting om binnen een bepaalde tijd in actie te komen.1 De vraag in hoeverre de schuldenaar daar belang bij heeft, wordt niet gesteld. Dat neemt niet weg dat de schuldeiser zich binnen de geldende verjaringstermijn dusdanig inconsistent jegens de schuldenaar kan gedragen, dat het ook binnen die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht dat hij zijn recht nog geldend maakt. Van een gestandaardiseerde vorm van rechtsverwerking kan in mijn ogen dus geen sprake zijn. Rechtsverwerking beoogt naar zijn aard uitsluitend individuele gerechtigheid en laat zich daarom niet standaardiseren. In zijn preadvies over rechtsverwerking stelt Houwing dat hij niet gelooft dat we ooit een erg bruikbare en rechtszekerheid verschaffende Wet op de rechtsverwerking zullen krijgen.2 Brunner heeft ten aanzien van de wetsgeschiedenis over de korte verjaringstermijnen om voornoemde redenen terecht gezegd dat met de korte verjaringstermijnen ‘het instituut van de rechtsverwerking’ wordt terggedrongen ten gunste van ‘het instituut van de verjaring’.3 In die opmerking ligt besloten dat het om twee conceptueel verschillende rechtsfiguren gaat.
In de literatuur is tot op heden anders over de verhouding tussen rechtsverwerking en de korte verjaringstermijnen gedacht. Volgens Smeehuijzen zijn de korte verjaringstermijnen wel rechtsverwerking ‘in conceptuele zin’.4 Hij stelt aan de hand van het Saelman-arrest van de Hoge Raad dat de korte verjaringstermijn vooral op de billijkheid leunt en niet op afwegingen van rechtszekerheid.5 Vervolgens betoogt Smeehuijzen, onder verwijzing naar gelijkluidende kritische opmerkingen over het gebrek aan concretisering van het algemene rechtszekerheidsbelang van onder meer Valk en Brunner, dat de korte verjaringstermijn een rechtsfiguur is die ingrijpt in specifieke partijverhoudingen.6
Smeehuijzen concludeert dat als de schuldeiser in de gegeven omstandigheden in actie had moeten komen door een vordering in te stellen, legitimering van het intreden van de korte verjaringstermijn geen probleem oplevert. Het belang van de schuldenaar om zo snel mogelijk te weten of zijn wederpartij nog actie tegen hem zal ondernemen weegt dan zwaarder dan het beperkte belang dat een schuldeiser heeft om lange tijd de mogelijkheid te houden om zijn vordering geldend te maken.7 Als de schuldeiser daadwerkelijk zijn vordering kon instellen, is verjaring volgens Smeehuijzen te karakteriseren als een gestandaardiseerde vorm van rechtsverwerking.8 De schuldeiser bezwaart de positie van de schuldenaar door zijn gedrag (stilzitten) zozeer dat hem die gedraging wordt tegengeworpen.
Smeehuijzen rechtvaardigt het bestaan van de korte verjaringstermijn dus vanuit een individueel gerechtigheidsperspectief, waarbij hij de aanname hanteert dat een drie- of vijfjarige termijn zoveel nadeel voor de schuldenaar oplevert dat het gevolg van verjaring te billijken is. Hij voegt daar nog een tweede aanname aan toe, namelijk dat de schuldeiser weet dat de debiteur door zijn dralen benadeeld wordt.9
Door hantering van deze aannames wordt bij de korte verjaringstermijn een plichtkarakter geconstrueerd dat er niet is. Dat is nu juist het fundamentele verschil tussen rechtsverwerking en de korte verjaringstermijn. Aan de korte verjaringstermijn ligt geen consistentieplicht ten grondslag, aan rechtsverwerking wel.
Smeehuijzen onderschrijft dit belangrijke onderscheid overigens wel waar hij komt te spreken over het verschil in toepassingsvereisten van rechtsverwerking enerzijds en de korte verjaringstermijnen anderzijds. Aan het slot van zijn proefschrift benadrukt hij dat verjaring en het leerstuk rechtsverwerking zich laten onderscheiden door het feit dat enkel tijdsverloop voldoende is voor het aannemen van verjaring, maar onvoldoende voor rechtsverwerking. Volgens Smeehuijzen is voor het aannemen van rechtsverwerking van belang dat de schuldeiser zijn ‘momentum’ om te klagen heeft gemist. De schuldeiser verwerkt zijn recht door kort na ontdekking van zijn vordering stil te blijven zitten terwijl dat specifieke moment juist van hem verlangde om in actie te komen.10 Het meest sprekende voorbeeld van een dergelijk geval is het Pekingeenden-arrest, waarover ik al schreef in de inleiding van dit boek. Meteen na ontvangst werden de pekingeenden door de koper verwerkt, waarbij de koper kortingen toepaste vanwege de kwaliteit van de geleverde eenden. De verkoper klaagde pas 5 maanden na de laatste levering tegen de door de koper toegepaste kortingen en vorderde vervolgens in rechte betaling van de volledige koopprijs. De koper beriep zich succesvol op rechtsverwerking. Volgens het hof bestond slechts korte tijd om een onderzoek naar de kwaliteit van het geleverde in te stellen of te doen instellen. Daarom diende de verkoper zo spoedig mogelijk nadat hij van de korting op de hoogte raakte daartegen zijn bezwaren kenbaar te maken. De Hoge Raad laat dat oordeel in stand.11 In deze casus is sprake van een duidelijk afgebakend moment waarbinnen moet worden geklaagd: zo snel mogelijk nadat de verkoper bekend raakte met de door de koper toegepaste kortingen. Die belangrijke omstandigheid kleurt het stilzitten van de verkoper in en rechtvaardigt het aannemen van rechtsverwerking.