De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.1:5.1 Inleiding
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.1
5.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949314:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Namelijk het schooladvies in het primair onderwijs, de school/instellings- en centrale examens in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs en de tentamens in het hoger onderwijs die gezamenlijk het examen vormen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De autonomie van de leraar kan onder meer beperkt of versterkt worden door andere actoren in het onderwijs, zoals het bevoegd gezag en de leerling. In dit hoofdstuk staat de verhouding tussen de leraar en de leerling centraal. Met de leerling wordt zowel de leerling in het primair en voortgezet onderwijs bedoeld als de student in het middelbaar beroeps- en hoger onderwijs en de leraar is diegene die in een van deze sectoren zelfstandig of in teamverband onderwijs geeft. In dit hoofdstuk wordt de volgende vraag beantwoord: in hoeverre kan de rechtspositie van de leerling de autonomie van de leraar, bij het geven van onderwijs en in het bijzonder bij het nemen van examenbeslissingen, beperken of versterken?
De relatie tussen de leraar en de leerling wordt getypeerd door de gezagsverhouding die tussen hen bestaat. De leraar bepaalt immers de structuur en inhoud van de lessen, bewaakt de orde in de klas, begeleidt de leerling in het leren en toetst of de leerling de onderwijsdoelen heeft bereikt. De leraar heeft dan ook het laatste woord in de klas. Op deze gezagsverhouding tussen de leraar en de leerling wordt ingegaan in § 5.2. Ongeacht deze gezagsverhouding komt aan de leerling een aantal rechten toe, die invloed kunnen hebben op de wijze waarop de leraar zijn onderwijs moet geven. Zo kan de leerling via de medezeggenschap invloed uitoefenen binnen de school. Hier wordt in dit hoofdstuk niet bij stilgestaan, de rol van medezeggenschap binnen de school is in § 4.9 reeds toegelicht.
In § 5.3 worden de rechten van de leerling in het kader van het examen beschreven. Het examen is een verzameling van beoordelingsbeslissingen waarmee het onderwijs in een bepaalde sector wordt afgesloten.1 In deze paragraaf staat het recht op onderwijs van de leerling centraal. Uit dit grondrecht wordt onder meer afgeleid dat de leerling recht heeft op deelname aan het examen en recht heeft op een diploma, mits hij dit examen met goed gevolg heeft afgelegd. Ook komt aan de leerling een recht toe op informatie, een ononderbroken ontwikkelingsproces, extra ondersteuning in het geval hij een beperking heeft, deelname aan het examen en uitreiking van het diploma. Daarnaast wordt in deze paragraaf ingegaan op aansprakelijkheid in het kader van de beoordeling van het examen en intrekking van het diploma.
De leerling die het oneens is met de wijze waarop de uitslag van het examen is vastgesteld, kan hiertegen in beroep. Hoe de rechtsbescherming van de leerling is vormgegeven is evenwel niet eenvoudig te doorgronden. Door het duale onderwijsbestel dat voortvloeit uit artikel 23 van de Grondwet bestaat er van overheidswege gegeven openbaar onderwijs en vanuit privaat initiatief gegeven bijzonder onderwijs. Naargelang het type onderwijs en de rechtspersoon waarop de school is gestoeld, kan het burgerlijk of bestuursrecht van toepassing zijn. Om te bepalen welk recht van toepassing is, wordt eerst uiteengezet of het bevoegd gezag een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb (§ 5.6). Vervolgens wordt ingegaan op de vraag of de vaststelling van de uitslag van een examen een besluit in de zin van de Awb is (§ 5.7).
In de Awb is bepaald dat geen bezwaar en beroep ingesteld kan worden tegen beslissingen inzake de beoordeling van het kennen en kunnen van de leerling, zoals beslissingen inzake de beoordeling van examens. Hiermee wordt voorkomen dat de bestuursrechter zich kan mengen in een beoordeling die is uitgevoerd door een vakdeskundige examinator. Dit beschermt dan ook de autonomie van de leraar. In § 5.8 wordt beschreven hoe deze bepaling in de Awb terecht is gekomen en welke gedachte hierachter schuil gaat. Hoewel uit de Awb voortvloeit dat geen beroep ingesteld kan worden tegen examenbeslissingen, is de leerling in bepaalde gevallen bij de bestuursrechter toch ontvankelijk. In § 5.9 wordt dit nader toegelicht, daarbij wordt ook ingegaan op het toetsingskader dat de bestuursrechter hanteert bij geschillen over deze beslissingen. In andere gevallen is de burgerlijke rechter bevoegd bij een geschil over de beoordeling van een examen. In § 5.10 wordt toegelicht wanneer dit het geval is en welk toetsingskader de burgerlijke rechter dan hanteert.
Vervolgens wordt voor de verschillende examenbeslissingen uit de verschillende onderwijssectoren uiteengezet hoe de rechter deze beslissingen toetst (§ 5.11). Daarbij wordt onder meer ingegaan op de vraag welke beoordelingsruimte de leraar nog toekomt in gevallen waar hij een van overheidswege vastgesteld correctievoorschrift dient te hanteren. Ten slotte wordt beschreven in hoeverre uit de literatuur en jurisprudentie algemene beginselen van behoorlijke examinering afgeleid kunnen worden (§ 5.12).