Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/14.2.2
14.2.2 Vereisten aan het hoofdrecht
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS305252:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Verstijlen 2013, p. 33.
Zie over het tenietgaan van deze afhankelijke zekerheidsrechten meer uitgebreid Booms 2017, p. 137 e.v. en de Conclusie van A.-G. Rank-Berenschot bij HR 23 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:55 onder 2.18. Vragen over het ontstaan van dergelijke zekerheidsrechten zijn al vroeg door de Hoge Raad beantwoord; zo volgt uit HR 25 februari 1955, NJ 1955/711 (Maatje B./Rotterdamsche Bank) en HR 16 juni 2000, NJ 2000/733 (Derksen/Rabobank) dat beperkte afhankelijke zekerheidsrechten ontstaan op hun moment van vestiging en niet pas op het moment dat de vordering waarvoor ze gevestigd worden ontstaat; zie ook Steneker 2012, para. 6, p. 13. Bij rechten uit borgtocht is het ontstaansmoment van de verplichting van de borg van minder belang, omdat in dat geval de prioriteitsregel niet geldt.
Verstijlen 2013, p. 34. Bij de afhankelijke beperkte zekerheidsrechten van pand en hypotheek geldt daarnaast de eis dat de gesecureerde vordering een geldvordering is; zie art. 3:227 BW. Dit vereiste staat echter los van het afhankelijke karakter van deze zekerheidsrechten.
Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 737.
Zie hierover het arrest HR 20 september 2002, NJ 2002/610 (ING/Muller q.q.).
Parlementaire Geschiedenis Boek 5, p. 250.
De wetgever merkt – bij monde van de Minister van Justitie – in Parlementaire Geschiedenis Boek 5, p. 251 zelfs op dat het best mogelijk is dat twee erven aan elkaar gekoppeld worden die kilometers van elkaar verwijderd liggen.
Zie bijvoorbeeld de opvattingen van Gräler 2003, p. 137 en Wibbens-de Jong 2006, p. 6.
Zie Booms 2015a, p. 762 naar aanleiding van Parlementaire Geschiedenis Boek 5, p. 356.
572. Aan het subjectieve recht dat als hoofdrecht voor een afhankelijk recht dient, worden nauwelijks vereisten gesteld. Voor afhankelijke zekerheidsrechten is het bijvoorbeeld niet nodig dat het hoofdrecht overdraagbaar is; ook voor een niet-overdraagbare vordering kunnen afhankelijke zekerheidsrechten worden gevestigd.1 Ook is het voor het in het leven roepen van afhankelijke zekerheidsrechten niet nodig dat de vordering waarvoor dat gebeurt, opeisbaar of onvoorwaardelijk is.2 Het is zelfs niet nodig dat de vordering afdwingbaar is. Aangenomen wordt namelijk dat het mogelijk is om afhankelijke zekerheidsrechten in het leven te roepen voor een natuurlijke verbintenis.3 Ten slotte is het voor de afhankelijke zekerheidsrechten niet nodig dat de vordering waarvoor deze in het leven worden geroepen reeds bestaat. Ook toekomstige vorderingen kunnen als hoofdrecht dienen (zie art. 3:231 lid 1 en 7:851 lid 2 BW). De mogelijkheid om afhankelijke zekerheidsrechten te verbinden aan meerdere, toekomstige, generiek omschreven vorderingen, heeft in de literatuur aanleiding gegeven tot nogal wat hoofdbrekens ten aanzien van het automatisch overgaan (zie paragraaf 14.3.7) en tenietgaan van deze afhankelijke rechten.4 De enige beperking die wordt gesteld aan de (toekomstige) vorderingen waarvoor afhankelijke zekerheidsrechten in het leven worden geroepen, is dat deze voldoende bepaalbaar zijn (art. 3:231 lid 2 en art. 7:851 lid 2 BW).5 Voldoende is daarvoor dat vastgesteld kan worden voor welke vordering(en) een afhankelijk zekerheidsrecht in het leven is geroepen zodra wordt overgegaan tot executie.6 In de jurisprudentie worden hier geen hoge eisen aan gesteld.7 De uitlegmaatstaven die daarbij gelden, bespreek ik in paragraaf 14.3.2.
573. Voor afhankelijke genotsrechten gelden geen andere restricties aan de hoofdrechten waarvan zij afhankelijk zijn dan die uit hun wettelijke bepalingen volgen. Deze bepalingen worden daarnaast doorgaans soepel ingevuld. Zo stelt art. 5:70 lid 1 BW dat een recht van erfdienstbaarheid ‘ten behoeve van een andere onroerende zaak’ wordt gevestigd. Anders dan onder het oude recht is daarvoor niet meer vereist dat het recht van erfdienstbaarheid van objectief nut voor het heersende erf moet zijn.8 Ook is de eis dat de erven dichtbij elkaar moeten liggen verlaten.9 Bij contractuele mandeligheid vereist art. 5:60 BW dat een zaak tot gemeenschappelijk nut van meerdere erven wordt bestempeld. Partijen zijn tot op zekere hoogte echter vrij om dit vereiste subjectief in te vullen.10 Ook naburigheid is bij contractuele mandeligheid niet vereist.11 Slechts bij het afhankelijke opstalrecht lijkt het erop dat naburigheid zit ‘ingebakken’, omdat art. 5:101 lid 2 BW ervan uitgaat dat het hoofdrecht waarvan het opstalrecht afhankelijk is, betrekking heeft op de zaak die in opstal wordt gegeven.12