Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/3.2.3
3.2.3 Over het verhaal op (giraal) geld
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS584082:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wolfert (2007) p. 38-39.
Wibier (2007) p. 22.
Wibier (2007) p. 4.
Wibier (2007), p. 49-67.
Zie echter Hoofdstuk 3, par. 4 voor enkele opmerkingen over de giro-overeenkomst.
Verder terug in de geschiedenis zijn overigens wel sporen te vinden van die samenhang. Langemeijer (1942a) p. 179 komt de eer toe de term `qualiteitsrekening' te hebben geïntroduceerd. Deze publicatie was een van zijn geschriften waarin geld en girale tegoeden centraal stonden. Als hiervoor geconstateerd, had Langemeijer zich eerder al uitgesproken voor de mogelijkheid van revindicatoire aanspraken op (giraal) geld; Langemeijer (1935) p. 541-554; zie ook Langemeijer (1942b) en Langemeijer (1942c).
De derde categorie bestaat uit publicaties die betrekking hebben op het verhaal op giraal geld. Hier vallen twee zaken op. In de eerste plaats kan er veel, heel veel literatuur onder deze noemer worden geschaard, maar blijkt in de praktijk dat publicaties worden gekoppeld aan een rechtsfiguur (zoals de kwaliteitsrekening), een leerstuk (zoals verrekening door de bank in het zicht van faillissement) of verschijnen naar aanleiding van jurisprudentie (bijvoorbeeld over de restitutie van giraal geld dat door een vergissing is bijgeschreven). Deze thema's komen in de volgende hoofdstukken afzonderlijk aan de orde. Ik zal daar verder verwijzen naar de relevante bronnen. In de tweede plaats valt op dat slechts weinig auteurs aanleiding zien stil te staan bij het rechtskarakter van giraal geld. Zij gaan er voetstoots van uit dat er sprake is van een vordering op de bank, terwijl er argumenten zijn om daar anders over te denken. Het zou bovendien een geheel ander licht werpen op het object van onderzoek.
Enkele recente uitzonderingen zijn de publicaties van Wolfert en Wibier. Wolfert aanvaardt in haar studie over de kwaliteitsrekening ook dat giraal geld een vordering is, maar expliciteert dat in de literatuur ook andere geluiden zijn te horen.1 In zijn dissertatie over zekerheid op bankrekeningen, betoogt Wibier dat een giraal saldo geen vordering tot betaling van een geldsom oplevert.2 Wibier kiest zo een uitgangspunt dat vergelijkbaar is met het uitgangspunt van deze studie, maar zijn uitwerking lijkt haaks te staan op hetgeen ik hier betoog. Wibier stelt dat voor wat betreft zekerheid op bankrekeningen, langs een obligatoire weg een resultaat kan worden bereikt dat vergelijkbaar is met een goederenrechtelijke benadering.3 Ik pleit juist voor een meer goederenrechtelijke benadering van het betalingsverkeer. Bij een nadere beschouwing vloeit deze tegenstelling (ten minste voor een deel) voort uit het voorwerp van onderzoek. Wibiers betoog richt zich op de mogelijkheid om langs contractuele weg de rekeningvoorwaarden zo vorm te geven dat de rekening de functie van een op maat gesneden zekerheidsinstrument vervult. Ook onderzoekt hij de grenzen die de wet stelt aan de contractsvrijheid.4 Mijn betoog richt zich primair op het rechtskarakter van het saldo.5 Hoe dan ook: het blijft opmerkelijk dat maar zo weinig schrijvers onderzoek hebben gedaan naar de samenhang van de hiervoor genoemde vermogensrechtelijke leerstukken en de rol die de begripsvorming over giraal geld daarbij speelt.6 Daarin ligt overigens voor mij, voor een belangrijk deel, de aanleiding besloten tot deze studie.