Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/2.2.2.5
2.2.2.5 De rol van het vermogen
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232260:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J. Eggens, ‘Samenval van momenten in rechtshandelingen’, Themis 1930, p. 409 e.v., VPO I, p. 168-194, ook opgenomen in: Eggensbundel. Een selectie uit het werk van Jannes Eggens, bezorgd door prof. mr. H.C.F. Schoordijk en mr. J.M. Smits, Bloemendaal: Uitgeverij Belvédère 1998.
Meijers 1958, p. 204.
Asser/Scholten 1-II 1940/p. 167.
Asser/Van der Grinten 1959 1-II/p. 290.
Ook door andere schrijvers is dit gezien, ik noem hier slechts Meijers 1958, p. 202 en De Jong 1951 (mede onder verwijzing naar Eggens).
Snijder-Kuipers 2010, p. 123.
De wettelijke omschrijving van een stichting uit artikel 2:285 lid 1 BW wekt de indruk dat het vermogen van de stichting een belangrijke rol speelt:
‘Een stichting is een door een rechtshandeling in het leven geroepen rechtspersoon, welke geen leden kent en beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel te verwezenlijken.’
De indruk die wordt gewekt is: zonder vermogen, geen stichting. Aan de zinsnede ‘met behulp van een daartoe strekkend vermogen’ moet echter niet te veel waarde worden gehecht. De reden hiervoor is dat het afzonderen van vermogen geen materieel vereiste vormt voor het ontstaan van de stichting. Vroeger was dit anders. Zo schrijft Eggens in 1930, onder verwijzing naar Scholten en Suyling nog:
‘In afwijking van de figuren die hiervóór behandeld werden, die ontstonden door den samenval van momenten welke evengoed uitéén konden liggen, vindt die samenval in de oprichting eener rechtspersoon noodzakelijkerwijze plaats – deze rechtshandeling is noodzakelijkerwijze eene samengestelde. Zoo is eene stichting er niet zonder vermogen, en eene vereniging niet zonder leden, (…).’ (curs. TR)1
Het belang van het vermogen werd daarna snel minder.
In 1948 merkt Meijers ten aanzien van de vermogenseis op:
‘de belangrijke stichtingen (…) zijn in het leven geroepen met een afzondering van niet meer dan van ƒ 100.- of van ƒ 50.-, bedragen voldoende om de dogmatici te tevreden te stellen, maar onvoldoende om het praktische bezwaar te ondervangen.’2
Eerder noemde Paul Scholten de afzondering van geringe bedragen al ‘een kinderachtige vertooning’.3
Van der Grinten is in 1959 nog scherper als hij schrijft:
‘De eis van vermogensafzondering werd tot een ritueel gebaar, of beter nog tot een vorm zonder inhoud.’4
Dat vermogensafzondering tot een ritueel gebaar werd, is te verklaren door de ontwikkeling van de stichting van doelvermogen naar doelorganisatie.5 Hierbij raakte de traditie van oprichting van stichting door schenking of making op de achtergrond. Zeker met de komst van de Wet op stichtingen in 1957 waarbij vermogensafzondering niet langer de wijze van het in leven roepen van een stichting was (besproken in 2.2.2.2).
Dit alles betekent niet dat het vermogen geen bijzondere rol meer speelt bij de Nederlandse stichting. Als de stichting vermogen heeft, kan de stichting nog steeds worden aangeduid als doelvermogen. Dit vermogen is doorgaans afkomstig van derden zonder formele institutionele positie binnen de stichting. Dat alleen al maakt dat het van groot belang is dit vermogen te beschermen.6