Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/5.1
5.1 Inleiding
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Dit hoofdstuk richt zich op de algemene processen tijdens de totstandkoming van getuigenverklaring. Voor een meer gedetailleerde beschrijving van de Nederlandse situatie en de mate waarin de in dit hoofdstuk geschetste problemen zich voordoen, wordt verwezen naar hoofdstuk 11.
Van Koppen & Wagenaar 2010, p. 275.
Rechters en juryleden zijn eveneens aan processen van waarneming onderworpen. Aspecten gerelateerd aan de waarneming van rechters in relatie tot de waardering van bewijsmateriaal komen in het volgende hoofdstuk aan bod.
In de strafprocessuele context is het van belang dat getuigen in staat worden gesteld een waarheidsgetrouwe verklaring af te leggen en dat hun verklaringen zo min mogelijk worden beïnvloed door factoren van buitenaf. De wijze en het moment waarop getuigen worden verhoord, is mede bepalend voor de kwaliteit van de verklaring en het (gerechtvaardigd) geloof dat aan de verklaring kan worden gehecht. Dit hoofdstuk is gewijd aan de totstandkoming van getuigenverklaringen, dat wil zeggen de wijze waarop de getuigenverklaring tijdens het onderzoek naar de feiten wordt gevormd.1 Gemakshalve wordt daartoe ook het proces van waarnemen door de getuige gerekend, hoewel het recht daarop vanzelfsprekend geen invloed heeft.
Voor wat betreft de factoren die de kwaliteit van een getuigenverklaring beïnvloeden, wordt in de rechtspsychologische literatuur onderscheid gemaakt tussen de zogenaamde schattingsvariabelen (estimator variables) en systeemvariabelen (system variables).2 Schattingsvariabelen hebben betrekking op de waarneming zelf en de opslag in het geheugen. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de lichtomstandigheden of de stress die de getuige op het moment van waarnemen ervaart. Systeemvariabelen zien op de gevolgde procedure en de wijze waarop deze doorwerkt op het geheugen van de getuige en de verklaring die door hem wordt afgelegd. Voorbeelden zijn de duur van het verhoor en de gestelde vragen. Kennis van beide soorten variabelen is van belang voor een correcte inschatting van de waarheidsgetrouwheid van getuigenverklaringen, maar inzicht in systeemvariabelen is ook van belang voor de wijze waarop de procedure zou moeten worden ingericht.
Dit hoofdstuk is als volgt opgebouwd. Om te beginnen wordt in algemene zin aandacht besteed aan waarnemings- en geheugenprocessen bij de getuige (§ 5.2).3 De waarneming (en het daaraan gerelateerde geheugenproces) vormt immers het beginpunt van een af te leggen verklaring. Indien aan de gedane waarneming gebreken kleven is dit rechtstreeks van invloed op de kwaliteit. Enig inzicht in de cognitieve processen die zich voordoen bij de getuige, is voorts onontbeerlijk voor een goed begrip van de wijze waarop het verhoor doorwerkt op de kwaliteit van de verklaring. Nadat in § 5.2.1 is stilgestaan bij de waarneming en in § 5.2.2 bij het geheugen, komt in § 5.3 het afleggen van de verklaring aan bod. Allereerst wordt ingegaan op de getuigenverklaring als product van gezamenlijke constructie (§ 5.3.1), daarna wordt meer in detail ingegaan op verschillende verhoortechnieken (§ 5.3.2) en de inzet van tactische instrumenten bij het verhoor (§ 5.3.3). Tot slot wordt nog enige aandacht besteed aan de effecten van herhaald ondervragen (§ 5.3.4) en kenmerken van getuigen die relevant zijn voor het verhoor (§ 5.3.5). In § 5.4 volgen nog enkele bespiegelingen ten aanzien van de verslaglegging van getuigenverklaringen.