Bij de stukken bevindt zich ook een mededeling uitspraak met als datum 2 juni 2022 zonder bijbehorende akte van uitreiking.
HR, 10-03-2026, nr. 24/00690
ECLI:NL:HR:2026:387
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-03-2026
- Zaaknummer
24/00690
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:387, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑03‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:104
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:1093
ECLI:NL:PHR:2026:104, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑02‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:387
- Vindplaatsen
Uitspraak 10‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Misbruik alarmnummer, art. 142.2 Sr. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408.2 Sv. Ontvankelijkheid hoger beroep en betwisting dat mededeling uitspraak Pr in persoon aan verdachte is uitgereikt. Kon hof oordelen dat mededeling uitspraak in persoon aan verdachte is uitgereikt, nu aan akte van uitreiking “andere stukken dan mededeling uitspraak zijn gehecht”? HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00690
Datum 10 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 februari 2024, nummer 22-001131-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026.
Conclusie 03‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Verdachte n-o verklaard in hoger beroep omdat op 13 april 2023 hoger beroep is ingesteld terwijl op 7 december 2022 de mededeling uitspraak aan de verdachte was uitgereikt, art. 408.2 Sv. Middel over het oordeel van het hof dat de mededeling uitspraak op 7 december 2022 in persoon aan de verdachte was uitgereikt omdat deze zich niet bevindt bij de akte van uitreiking. Strekt tot verwerping (art. 81 lid 1 RO).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00690
Zitting 3 februari 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 15 februari 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnummer 22-001131-23) niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 4 april 2022 (parketnummer 09-271402-21) waarbij hij bij verstek wegens "opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruik maken van een alarmnummer voor publieke diensten" is veroordeeld tot een taakstraf van zestig uur te vervangen door dertig dagen hechtenis.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de mededeling uitspraak op 7 december 2022 in persoon aan de verdachte is uitgereikt en dat hij daarom te laat was toen op 13 april 2023 hoger beroep werd ingesteld.
2. Het middel
2.1
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en daarover in zijn arrest het volgende overwogen:
“Het hof stelt voorop dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Deze termijnen zijn van openbare orde. Een overschrijding van de daarvoor gestelde termijn betekent in de regel dat de verdachte niet in het hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
Op 4 april 2022 is de verdachte bij verstek veroordeeld.
In het dossier bevindt zich een akte waaruit afgeleid kan worden dat dit vonnis op 7 december 2022 in persoon is betekend aan verdachte.
Eerst op 13 april 2023 is hoger beroep ingesteld.
De verdachte betwist dat hij de persoon is aan wie het vonnis op 7 december 2022 is betekend en heeft gesteld dat de ‘mededeling uitspraak’ is uitgereikt aan zijn vrouw en dat zij zijn handtekening heeft nagemaakt. Op de betreffende akte van uitreiking is echter niet aangetekend dat de betekening plaatsvond aan een huisgenoot, maar is aangetekend dat deze in persoon aan de verdachte is uitgereikt. Daar komt bij dat de handtekening voor ontvangst op deze akte sterke overeenkomsten vertoont met de handtekeningen die de verdachte onder zijn eerste politieverhoor heeft geplaatst (zie onder meer blz. 15 van het proces-verbaal van politie), en overigens ook met de op de akte van uitreiking behorende bij de appeldagvaarding geplaatste handtekening. Daarbij merkt het hof op dat de vier (op verschillende pagina’s) onder de politieverhoren geplaatste handtekeningen en die op de zojuist genoemde akte van uitreiking onderling steeds in meer of mindere mate verschillen, zodat enig verschil tussen de ene en de andere handtekening niet zonder moer kan worden beschouwd als een aanwijzing dat de handtekening niet door de verdachte is geplaatst.
Hoewel de verdachte ter zitting heeft aangevoerd dat het vonnis aan zijn (vrouwelijke) partner is betekend, is dit naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. De enkele stelling van de verdachte dat niet hij maar zijn vrouw heeft getekend voor ontvangst van de mededeling uitspraak volstaat daartoe niet, mede in het licht van hetgeen hiervoor is opgemerkt over de handtekening op de betreffende akte van uitreiking, terwijl het hof in het verhandelde ter terechtzitting geen andere aanknopingspunten heeft aangetroffen die steun bieden aan de stelling van de verdachte. In dat verband verdient opmerking dat de stelling dat de partner van de verdachte de mededeling uitspraak in ontvangst heeft genomen en daarvoor heeft getekend geen bevestiging vindt in de in de aanloop naar de zitting in hoger beroep door de verdediging ingebrachte e-mail van de partner van de verdachte (d.d. 13 februari 2024).
Het voorgaande brengt mee dat het hof uitgaat van een betekening van het bestreden vonnis in persoon aan verdachte op 7 december 2022. Gelet op de inhoud van de zich bij de stukken bevindende ‘mededeling uitspraak’ stelt het hof vast dat de verdachte op dat moment in kennis is gesteld van de relevante onderdelen van het vonnis, ook met het oog op het al dan niet instellen van een rechtsmiddel daartegen.
Ook is door en namens de verdachte aangevoerd dat sprake is geweest van een verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het instellen van hoger beroep. Deze stelling wordt verworpen. Het hof neemt zonder meer aan dat de verdachte in de bedoelde periode gezondheidsproblemen ondervond, maar dat sprake is geweest van een zodanig ernstige beperking in het geestelijk en/of lichamelijk functioneren dat als gevolg daarvan het rechtsmiddel pas maanden na betekening van het vonnis is ingesteld is evenmin aannemelijk geworden. Aldus komt het hof tot de slotsom dat de verdachte op 7 december 2022 bekend is geraakt met het vonnis van 4 april 2022, zodat binnen veertien dagen na 7 december 2022 hoger beroep had moeten worden ingesteld. Aangezien eerst op 13 april 2023 hoger beroep is ingesteld is de termijn voor het instellen van hoger beroep overschreden en dient de verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in dit beroep.”
2.2
Tegen het oordeel van het hof dat de mededeling uitspraak op 7 december 2022 in persoon aan de verdachte is uitgereikt wordt aangevoerd dat aan de akte uitreiking “andere stukken dan een ‘mededeling uitspraak’ zijn gehecht” waardoor het oordeel dat het bestreden vonnis in persoon aan de verdachte is uitgereikt onjuist althans onbegrijpelijk is. Daaraan wordt toegevoegd dat de enkele vermelding van het parketnummer en de persoonsgegevens van de verdachte op de akte van uitreiking onvoldoende is als niet blijkt welk stuk aan de verdachte is uitgereikt en evenmin een mededeling uitspraak aan die akte is gehecht. Daarmee wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de verdachte op 7 december 2022 bekend is geraakt met het vonnis van 4 april 2022 en hij daarom binnen veertien dagen na 7 december 2022 hoger beroep had moeten instellen (artikel 408 lid 2 Sv).
2.3
Voordat ik het middel inhoudelijk bespreek, constateer ik dat de stellers van het middel er ten onrechte van uitgaan dat de mededeling uitspraak zich niet bij de stukken bevindt. Ik kom hierop terug nadat ik de inhoud van de akte van uitreiking heb weergegeven en de daarbij behorende mededeling uitspraak. Hier merk ik alvast op dat de stellers van het middel zich waarschijnlijk baseren op stukken die hun door de griffie zijn verstrekt nadat zij op 5 september 2024 hadden verzocht om “de betekeningsstukken in deze zaak. Meer in het bijzonder pag. 15 van het p-v van de politie, de betekening van het vonnis van 7 december 2022 en de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep.” Bij deze stukken bevinden zich achter een ‘akte van uitreiking’ inderdaad andere stukken dan een mededeling uitspraak.
2.4
Voor de beoordeling van het middel is van belang dat zich bij de stukken een “Akte van uitreiking” bevindt met de volgende inhoud. Bij “Briefsoort’” vermeldt de akte “Mededeling Uitspraak” en bij “Parketnummer” vermeldt de akte “09271402-21”. Verder vermeldt de akte de personalia van de verdachte, het adres waarop hij toen in de Basisregistratie Persoonsgegevens stond ingeschreven. De akte vermeldt verder dat deze op 7 december 2022 is uitgereikt, door een bezorger waarvan de naam onleesbaar is, aan het met de hand geschreven adres van de verdachte. Op de akte is achter “Identiteitsbewijs soort + nummer” met de hand geschreven “[verdachte]” en achter “Handtekening ontvanger” een onleesbare handtekening geplaatst.
2.5
Bij de processtukken die ik in het papieren dossier heb aangetroffen, bevindt zich (niet gehecht aan maar wel achter deze akte) een brief met als datum “29 november 2022”, die als onderwerp vermeldt “Mededeling Uitspraak” en “Parketnummers 09-271402-21”. Verder houdt de brief met de mededeling uitspraak het volgende in:
“Hierbij deel ik u mede dat de politierechter zitting houdende te 's-Gravenhage op maandag 04 april 2022 onderstaand vonnis heeft gewezen:
KWALIFICATIE: opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruik maken van een alarmnummer voor publieke diensten
GEPLEEGD: 08 oktober 2021
BESLISSING: Een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis
Tevens verwijs ik u naar de mededeling(en) op de bijsluiter.
De officier van justitie”.
2.6
Voor de volledigheid wijs ik erop dat zich bij de stukken nóg een mededeling uitspraak bevindt met als datum 22 april 2022 onder vermelding van hetzelfde parketnummer en gegevens die ik heb weergegeven bij de brief van 29 november 2022, en een akte van uitreiking waaruit blijkt dat de brief met de mededeling uitspraak op achtereenvolgens 28 april 2022 en 2 mei 2022 niet kon worden uitgereikt aan het adres waarop de verdachte toen in de Basisregistratie Personen stond ingeschreven waarna deze op 27 mei 2022 als gewone brief aan dat adres is gezonden.1.Hieruit kan worden afgeleid dat eerder is geprobeerd de mededeling uitspraak aan de verdachte uit te reiken.
2.7
Ik keer terug naar de wél uitgereikte mededeling uitspraak. Uit de op 7 december 2022 ondertekende akte van uitreiking waarin wordt verwezen naar een mededeling uitspraak van 29 november 2022 die betrekking heeft op parketnummer 09271402-21 heeft het hof afgeleid dat op 7 december 2022 een mededeling uitspraak is uitgereikt. Uit de adressering en ondertekening van de akte heeft het hof afgeleid dat deze in persoon aan de verdachte is uitgereikt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk mede gelet op de vaststellingen door het hof met betrekking tot de daarop geplaatste handtekening (die in cassatie niet worden betwist).
2.8
In zoverre faalt het middel.
2.9
De klacht dat de enkele vermelding van het parketnummer en de persoonsgegevens van de verdachte op de akte van uitreiking onvoldoende is als niet blijkt welk stuk aan de verdachte is uitgereikt en evenmin een mededeling uitspraak aan die akte is gehecht, berust op de veronderstelling dat de verdachte op 7 december 2022 alleen bekend is geraakt met de gegevens zoals die zijn vermeld op de akte van uitreiking. Ik heb hierboven aangegeven dat het dossier bevestigt dat aan de verdachte toen ook de mededeling uitspraak is uitgereikt en ik heb de inhoud ervan weergegeven. Daaruit volgt dat deze klacht feitelijke grondslag mist omdat de verdachte toen op de hoogte is gesteld van de aard en zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf en daarmee van wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep.
2.10
Het middel faalt.
2.11
Dan is dit het moment om terug te keren naar mijn constatering dat de stellers van het middel er ten onrechte van uitgaan dat de mededeling uitspraak zich niet bij de processtukken bevindt. Ik begrijp dat omdat de stellers van het middel op 23 september 2024 aan de griffie hebben verzocht aanvullende stukken toe te voegen aan het webportaal, waaronder “een afschrift van de ‘mededeling uitspraak’ door het hof genoemd in het arrest (p. 2)”. Op 29 oktober 2024 is de schriftuur ingediend waarna op 3 november 2024 de in artikel 437 lid 2 Sv genoemde termijn voor indiening van de schriftuur is verstreken. Op 4 november 2024 is aan de stellers van het middel gemeld dat de gevraagde stukken zijn toegevoegd aan het webportaal, maar daarbij is alleen de akte van uitreiking verstrekt en niet de bijbehorende mededeling uitspraak. Dit is ongelukkig, omdat dit document zich dus wel bij de processtukken bevond en (tijdig) had kunnen worden verstrekt. Het Procesreglement van de Hoge Raad voorziet niet in het geval als dit, waarin een raadsman overeenkomstig artikel 4.3.6.3 om aanvulling van de stukken heeft verzocht terwijl die vervolgens niet voor het einde van de indieningstermijn zijn verstrekt. Het procesreglement geeft in artikel 4.3.7.1 wel de mogelijkheid om verlenging van een door de wet gestelde termijn te verzoeken.
3. Afronding
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑02‑2026