Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/4.2
4.2 Historisch perspectief
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706193:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Eind 19e eeuw heeft er een regeringsontwerp bestaan tot vervanging van de art. 1197-1202 BW (oud), zie Kamerstukken II 1873/74, p. 1317 e.v. Het beoogde een regeling te geven voor vorderingen op naam en aandelen op naam. De Tweede Kamer was echter kritisch en meende dat het te moeilijk te bepalen zou zijn welke bevoegdheden de pandgever en de pandhouder hadden. Het voorstel heeft het uiteindelijk mede daarom niet gered.
Asser/Mijnssen & Van Velten 3-III 1986/147; Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 111; Suijling 1940/571; De Kat 1932, p. 282-283; Van der Heijden 1931/184 (en alle latere bewerkingen, waaronder Dortmond 2013); Meilink 1898, p. 73.
Men schreef dat de verpanding geen invloed had op de inhoud van het aandeel. Ondanks de scheiding van de inningsbevoegdheid en de gerechtigdheid bleef het aandeel ‘onaangetast’ of ‘ongeschonden’. Deze bewoording moet worden begrepen tegen de achtergrond van het beginsel dat eigendom na verpanding onaangetast bleef. Na verpanding kwam het beheer toe aan de pandhouder, terwijl de pandgever de beschikkingsbevoegdheid behield, zie Meilink 1898, p. 73.
Zie bijv. Meilink 1898, p. 73-74.
Vgl. Brahn 1976, p. 195; De Kat 1921, p. 262.
Vgl. HR 23 mei 1958, ECLI:NL:HR:1958:AG2031 (Pierlot/Kreemer) in navolging van het arrest van het Gerechtshof ‘s-Gravenhage dat eraan voorafging. De Hoge Raad wijst in deze zaak – die niet over pandrecht maar over vruchtgebruik op aandelen ging – op deze conceptuele gelijkenis en overweegt: ‘dat ‘s Hofs oordeel, dat de vruchten van een aandeel in een naamloze vennootschap, als met rente te vergelijken opbrengst van uitstaand kapitaal [curs. TH], (…) burgerlijke vruchten [zijn] in den zin van art. 558 B.W., juist moet worden geacht en in cassatie ook geen bestrijding heeft ondervonden’.
Zie o.a. Van der Heijden/Van der Grinten 1955/176.
Zie o.a. Suijling 1940/571; De Kat 1921, p. 282. Over de kwestie of de afgifte daarvan constitutief was voor de verpanding werd in de literatuur gediscussieerd.
Zie De Kat 1921, p. 255; Meilink 1898, p. 76-77.
Meilink 1898, p. 83-85.
De Kat 1921, p. 255. Waarom het vruchtcriterium bij pandrecht relevant zou zijn, lichtte hij niet toe.
Suijling 1940/571.
Van der Heijden/Van der Grinten 1955/184 en alle latere bewerkingen van dit handboek. Van der Grinten wijst voor dit standpunt op een volgens hem vergelijkbaar standpunt van Houwing (H.) in de rechtsvragenrubriek in WPNR 1954-4379, p. 600. Ik lees dat daarin niet terug.
Dortmond 2013/184.
Maeijer 1976, p. 76.
Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 111.
Asser/Mijnssen & Van Velten 3-III 1986/140, 146-147.
Vgl. Brahn 1976, p. 196.
Zie hierover Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020/212.
148. Al sinds jaar en dag wordt in de literatuur aangenomen dat na de openbare verpanding van aandelen de pandgever de bevoegdheid verliest om het dividend te innen dat het verpandde aandeel opbrengt. Dit belangrijke rechtsgevolg staat niet in de wet. Sterker nog, de wet heeft wat betreft de opbrengsten van aandelen na aandelenverpanding nog nooit een regeling gekend.1 Tot aan de invoering van Boek 3 BW – dus grofweg van 1898 tot 1992 – werd er onder verwijzing naar een regel bij het pandrecht op vorderingen geschreven dat na openbare aandelenverpanding de pandhouder het dividend mocht innen.2 De pandgever verloor de bevoegdheid tot inning, maar bleef wel gerechtigd tot het ontvangen van dividend.3 De analoge toepassing van de regel voor het verpande vorderingen leidde ‘geen twijfel’.4 Zij luidde:
“Indien eene inschuld in pand gegeven is, en deze inschuld interessen opbrengt, verrekent de schuldeischer die interessen met degene welke hem mogten verschuldigd zijn” (art. 1204 lid 1 BW (oud)).
149. Het was niet vreemd dat destijds een regeling voor verpande aandelen ontbrak. Ook vele andere aspecten van aandelenverpanding ontbeerden immers een regeling. In algemene zin was men daarom vaak genoodzaakt om terug te vallen op de algemene beginselen van het burgerlijk recht en aansluiting te zoeken bij de wel in de wet en rechtspraak geregelde gevallen.5
Aan de analoge toepassing van de regeling van rentedragende vorderingen werden doorgaans geen argumenten gewijd. Dat men haar toepaste op dividend is op allerlei manieren te verklaren. Zo werden tot 1976 aandelen op dezelfde manier verpand als vorderingen. Beide waren ‘onlichamelijke zaken’ en vielen onder dezelfde wettelijke regeling. Bovendien bestaat er een conceptuele gelijkenis tussen rente met betrekking tot een vordering, en dividend met betrekking tot een aandeel. Beide zijn namelijk een vergoeding. Rente is een vergoeding voor het verstrekken van vreemd vermogen, dividend een vergoeding voor het verstrekken van eigen vermogen.6 Ook zijn zowel rente als dividend te zien als opbrengsten. De tekst van het naar analogie toegepaste artikel herinnert daaraan en had het over een inschuld die interessen ‘opbrengt’. Het huidige artikel 3:259 BW, dat gaat over het certificaathouderspandrecht, doet dat ook tegenwoordig nog en heeft het over ‘de opbrengst van door hem op eigen naam verkregen aandelen of schuldvorderingen’. Een laatste reden waarom de analoge toepassing van artikel 1204 BW (oud) voor de hand lag, was dat de pandhouder bij aandelen destijds al in feite het dividend kon innen. Dividend werd namelijk in beginsel uitbetaald tegen de inlevering van een dividendbewijs, de coupon.7 Deze coupons maakten deel uit van het dividendblad en de pandhouder mocht daarvan afgifte vorderen.8
150. Net als nu was dividend in de periode onder het voormalige BW niet het enige financiële voordeel dat aandelen konden opbrengen. Daarom speelde ook toen al de kwestie wat er na de verpanding moest gebeuren met andere voordelen die het aandeel opbracht zoals bonusaandelen, reserve-uitkeringen, en het batig liquidatiesaldo bij ontbinding en vereffening van de vennootschap. Aandacht daarvoor is er echter maar weinig geweest. In de praktijk kwam aandelenverpanding lange tijd volgens auteurs maar weinig voor.9 Gepubliceerde rechtspraak met betrekking tot aandelenverpanding was mede daarom schaars, en in de literatuur vóór 1976 werd het doorgaans enkel op hoofdlijnen beschreven. Gaandeweg hebben steeds meer auteurs zich uitgelaten over de positie van de pandhouder tot andere financiële voordelen dan dividend. Echter, tot op de dag van vandaag is er van een heersende leer op dit punt mijns inziens geen sprake.
151. Chronologisch ontwikkelde de literatuur onder het voormalige BW zich als volgt. Meilink schreef in 1898 dat het geldend recht wat betreft de positie van een pandhouder tot andere financiële voordelen dan dividend onzeker was. Hij vond het wenselijk dat een pandhouder elk op geld waardeerbaar object dat de aandeelhouder toevalt, kon innen om het aan te wenden tot aflossing van de gesecureerde schuld.10 De Kat schreef in 1921 over claims en bonusaandelen dat zij niet op grond van analoge toepassing van artikel 1204 BW (oud) konden worden geïnd, omdat zij geen vruchten van het aandeel zijn.11 Suijling schreef in 1940 dat de analoge toepassing van artikel 1204 BW volgens hem niet tot rente over schuldvorderingen hoefde te worden beperkt.12 Van der Grinten schreef vanaf 1955 in zijn handboek dat een pandhouder inningsbevoegd is ter zake van het liquidatie-overschot.13 Op het aandeel beschikbaar gestelde claims konden volgens hem niet door de pandhouder worden uitgeoefend, maar mochten door hem wel bij verzuim of met toestemming van de pandgever te gelde worden gemaakt. In de latere bewerkingen – tegenwoordig door Dortmond – is dit standpunt gehandhaafd.14 Maeijer schreef in 1976 dat noch de pandgever noch de pandhouder een claim te gelde mocht maken als een afspraak daartoe ontbrak. Wel zou de pandhouder de pandgever in de gelegenheid moeten stellen om het claimrecht uit te oefenen en de opbrengst of de waarde daarvan onder het pandrecht te brengen.15 Van Oven schreef in 1978 in zijn Asser-deel dat in het algemeen bij gebreke van wettelijke bepalingen en van een eventuele regeling in de pandovereenkomst de bevoegdheden van de pandhouder uit de aard der verpanding zullen moeten worden afgeleid. Slechts over dividend vermeldde hij uitdrukkelijk dat de pandhouder gerechtigd is tot inning.16 Hij schreef dat van de aan het aandeel verbonden rechten die op de pandhouder zijn overgegaan melding moet worden gemaakt in het aandeelhoudersregister. In de latere bewerking van dit handboek door Mijnssen en Van Velten zijn deze standpunten gehandhaafd.17
152. In de literatuur is tot op heden niet uitgebreid onderbouwd of en waarom de bevoegdheden die samenhangen met financiële voordelen kunnen overgaan op de pandhouder. Ook de wetgever heeft er geen licht over laten schijnen. Toen in 1976 de eerste wettelijke regeling van pandrecht op aandelen werd ingevoerd, heeft de wetgever vrijwel geen aandacht besteed aan de positie van de pandhouder ten opzichte van financiële voordelen. Geheel onbegrijpelijk is dat overigens niet. De nieuwe regeling voor pandrecht op aandelen werd namelijk ingevoerd met het oog op de bescherming van de beslotenheid van de vennootschap.18 De inning van financiële voordelen speelde daarbij doorgaans geen rol van betekenis. Bovendien werd de inning van dividend, het meest voorkomende voordeel, ten tijde van de invoering nog gegrond op analoge toepassing van artikel 1204 BW (oud).
153. Sinds 1992 is artikel 1204 BW (oud) vervallen. Hoewel de pandhouder bij vorderingen waarschijnlijk nog steeds bevoegd is om de eventuele rente van een verpande vordering te innen, wordt dat in de literatuur tegenwoordig anders verklaard.19 Daarin verwijst men naar de in 1992 ingevoerde wettelijke regeling van nevenrechten (art. 6:142 BW). Zij bepaalt kort gezegd dat bij de overgang van een vordering de nieuwe schuldeiser ook de daarbij behorende nevenrechten verkrijgt. Bij de verpanding van een vordering zou de rente daarom in beginsel ook zijn verpand. Door het vervallen van artikel 1204 lid 1 BW (oud) is echter tegelijkertijd het wettelijke aanknopingspunt voor de inningsbevoegdheid bij dividend ontvallen. Voor dit gevolg is in de parlementaire geschiedenis bij het huidige BW geen aandacht geweest. Dat doet de vraag rijzen of het verdwijnen van artikel 1204 BW (oud) uitmaakt voor het rechtsgevolg van aandelenverpanding. Ik beargumenteer in de navolgende paragrafen dat dit niet het geval is.