Beschadigd vertrouwen
Einde inhoudsopgave
Beschadigd vertrouwen 2021/10.2:10.2 Discussie: beperkingen en aanbevelingen voor toekomstig onderzoek
Beschadigd vertrouwen 2021/10.2
10.2 Discussie: beperkingen en aanbevelingen voor toekomstig onderzoek
Documentgegevens:
G.M. Kuipers MSc, datum 01-09-2021
- Datum
01-09-2021
- Auteur
G.M. Kuipers MSc
- JCDI
JCDI:ADS480810:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Met deze vorm van onderzoek wordt veel in publieke gezondheidsonderzoek geëxperimenteerd, hoewel daar ook wel wordt gesproken over collaborative research omdat deze onderzoekers veelal tussentijdse resultaten en suggesties bespreken met hun onderzoeksomgeving, zodat organisaties sneller, en niet alleen achteraf, kunnen veranderen en verbeteren op basis van dit onderzoek. Lewis & Russell 2011; Vindrola-Padros e.a. 2017.
George & Bennett 2005, p. 13, 105-106; Gerring 2017, p. 40, 98-116, 208-212.
Gerring 2017, p. 228-239, 245.
Zie bijvoorbeeld Van de Bunt, NJB 2021/1322.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Alvorens over te gaan naar de praktische aanbevelingen, sta ik stil bij de wetenschappelijke begrenzingen van het onderzoek. Dit onderzoek is gericht op een vergelijking van drie cases op basis van process tracing en analyse via een interdisciplinair kader, en kent daarmee enkele inherente beperkingen en begrenzingen. In deze paragraaf bediscussieer ik deze beperkingen en doe ik aanbevelingen voor toekomstig onderzoek.
In dit onderzoek heb ik van de cases een zo compleet mogelijk feitenoverzicht samengesteld, waarmee ik probeer om een objectief beeld te geven van het verloop van de casus. Tegelijkertijd betekent de samenstelling van een dergelijk overzicht ook altijd dat ik als onderzoeker keuzes heb moeten maken over welke onderwerpen en ontwikkelingen ik meer of minder belicht. In de redactie van de tekst, de selectie van fragmenten en in de compositie van het verhaal dat zodoende ontstaat heb ik als onderzoeker keuzes gemaakt. Dat is inherent aan kwalitatief onderzoek, maar het is belangrijk dat toch te vermelden. Wel heb ik geprobeerd om keuzes te expliciteren en zo veel mogelijk van het ruwe materiaal te laten zien, zodat lezers kunnen volgen en nagaan welke keuzes ik op welk moment maak. Om het probleem van de selectie en bias te ondervangen heb ik de meer feitelijke gedeelten van de casushoofdstukken en de interpretatie via de analyse bewust gescheiden gehouden. Dat biedt lezers de mogelijkheid om als het ware hun eigen analyse te maken op basis van de feiten. Tevens worden toekomstige auteurs zo in de gelegenheid gesteld ook andere onderzoeksvragen te beantwoorden aan de hand van deze casusbeschrijvingen, zoals bijvoorbeeld de precieze toepassing van voordeelverrekening voor ondernemers bij de aanleg van de Noord/Zuidlijn, de netwerkstructuur waarlangs de actoren in het Schipholdossier overleggen, of de gecompliceerde opzet van de Groningse versterkingsopgave.
Ik heb in de cases geprobeerd ‘compleet’ en uitputtend te zijn, maar uiteindelijk is elk onderzoek beperkt door de beschikbaarheid van bronnen. Ik heb gebruikt wat ik kon vinden, maar sluit niet uit dat er andere aanvullende documenten bestaan. Dit onderzoek is primair gebaseerd op officiële documenten zoals wet- en regelgeving en kamerstukken, of voortgangsverslagen vanuit de schade-instanties. Wanneer deze beschikbaar zijn, refereer ik aan resultaten van officiële evaluaties van de schademaatregelen. Deze informatie was echter niet bij iedere casus of voor iedere schademaatregel beschikbaar. Daarom baseer ik mij ook op mediaberichten, uitingen of documenten van belangenbehartigers of bestuurders, en (in beperkte mate) bevindingen uit mijn interviews. Ik realiseer mij dat dergelijke bronnen vaak minder objectief zijn en houd daar in het gebruik en de gevolgtrekking van deze bronnen rekening mee. Tevens heb ik daartoe zo veel mogelijk in de lopende tekst, en uiteraard in de voetnoten, geëxpliciteerd waar bevindingen en conclusies op zijn gebaseerd.
Een belangrijke beperking doet zich voor bij het inzicht krijgen in de gedachtegang achter besluitvorming en beleid. Het reproduceren van besluiten en acties kan op basis van formele documenten, maar het verplaatsen in en begrijpen van de achterliggende gedachten is vaak lastiger langs die weg te realiseren. Een belangrijk onderdeel van mijn analyse is het verkrijgen van inzicht over, en de bedoeling achter, de inzet van bepaalde instrumenten die kunnen worden aangewend met het doel om vertrouwen te herwinnen. De motivering kan worden opgetekend uit bronnen zoals memories van toezicht, uitingen van bestuurders in de politiek of media, of via interviews; maar echt ‘in het hoofd kijken’ van de beleidsmakers en betrokkenen is niet mogelijk. In toekomstig onderzoek zou een onderzoeker gedúrende de beleidsvorming toegang kunnen worden gegeven tot de betrokkenen en interne documenten (zogenaamd embedded research1). Op deze wijze kan meer inzicht worden verstrekt in interne ideeën over schadebeleid en hoe dit zich binnen overheidsorganisaties ontwikkelt. Dit zou des te interessanter zijn bij maatschappelijk relevante en (potentieel) grootschalige projecten waar sprake zal zijn van gefaciliteerde schade; Lelystad Airport of het vervolg van de aanleg van de Noord/Zuidlijn zouden bijvoorbeeld informatieve (vervolg-)cases vormen. Zulk gelijktijdig onderzoek zou bovendien tussentijdse aanbevelingen op kunnen leveren voor de praktijk, zodat gedupeerden nog tijdens het onderzoek daarvan de vruchten kunnen plukken. Ook als onderzoekers achteraf inzicht krijgen in interne stukken, zoals tijdens parlementaire enquêtes – de gaswinning in Groningen zal de komende jaren op deze wijze diepgravend worden geanalyseerd – kunnen wellicht aanvullende conclusies worden getrokken over de motivering van beleidskeuzes.
Ik heb ervoor gekozen om in dit onderzoek een breed theoretisch perspectief te kiezen, wat heeft geleid tot een theoretisch kader dat zes principes en zeventien onderliggende beleidsinstrumenten bestrijkt. Vanuit dat kader kan ik voorzichtige conclusies trekken over de werking van instrumenten en over hun onderlinge verhoudingen. Ik kom echter vooral tot een integraal beeld en kan slechts beperkte uitspraken doen over het gewicht van en de wisselwerking tussen instrumenten. Vervolgonderzoek zou zich specifiek op een bepaald principe kunnen richten om te analyseren in hoeverre bijvoorbeeld ‘begrijpelijkheid’ meeweegt in de beoordeling van burgers van vertrouwenwekkend schadebeleid, of het belang van dit principe kunnen afwegen tegen een ander. Via toekomstig enquêteonderzoek onder gedupeerden zou hiernaast (expliciet) kunnen worden uitgevraagd hoe belangrijk zij de principes en instrumenten achten of in hoeverre deze kenmerken in hun ogen hebben geleid tot bevredigend, vertrouwenwekkend, schadebeleid.
Tot slot is een begrenzing dat ik mij ‘slechts’ in drie cases heb verdiept. Hier spelen praktische overwegingen van tijd en capaciteit. Ik heb voor elke casus een grote hoeveelheid bronmateriaal onderzocht, om tot een zorgvuldige kwalitatieve beschrijving te komen. Dat resulteert in uitvoerige hoofdstukken voor de lezer. De interne validiteit van mijn werk is groot, maar door het beperkte aantal cases kan het zijn dat deze drie cases niet representatief zijn voor het meer generieke beeld.2 De externe validiteit kan daardoor beperkt blijken.3 Daarom zou het interessant zijn als toekomstige onderzoekers in meer cases schadebeleid integraal analyseren en hier aanvullende of wellicht conflicterende conclusies aan verbinden. Dat zou een waardevolle toevoeging zijn voor het bestuderen van (vertrouwenwekkend) schadebeleid in Nederland. De bovengenoemde vervolgcases Lelystad Airport en de verdere aanleg van de Noord/Zuidlijn zijn daarbij noemenswaardig, maar ook cases buiten het terrein van infrastructuur zouden de moeite waard zijn. Men zou de kwalificatie ‘door de overheid gefaciliteerde schade’ in ruimere zin ook van toepassing kunnen verklaren op de kinderopvangtoeslagenaffaire4, of andere (immateriële of indirectere) schade binnen het sociaal domein. Zo kan het theoretisch kader dat ik in dit onderzoek heb opgezet verder worden gevalideerd en kan schadebeleid meer vertrouwenwekkend worden vormgegeven.