Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/21.4.3
21.4.3 Grenzen aan facilitering van aandeelhoudersrechten en de keerzijde: de toenemende roep om verantwoording door investeerders
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS582681:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook hetgeen daarover is opgemerkt in § 2 van hoofdstuk 3.
Vgl. de voorgestelde bepalingen in Art. I van het Wetsvoorstel Frijns.
Deze opmerkelijke verplichting volgt uit het voorgestelde art. 5:43a Wft (Art. I, onderdeel E van het Wetsvoorstel Frijns).
Hierover: Schouten (2010).
Zie voor een overzicht van argumenten LuyérNan den Broek (2009), die eveneens voorstander zijn van deze uitbreiding.
Vgl. ook mijn opmerking in § 1 van hoofdstuk 18, alwaar werd opgemerkt dat de (rechts) economische theorievorming over de onderbouwing van de publicatieverplichtingen in de Amerikaanse wet- en regelgeving enigszins het karakter van een pendule heeft.
Zie hierover Schouten (2009b) en Schouten/Siems (2009).
In art. 5:52, lid 2, onderdeel c, Wft. Op grond daarvan kan de beursvennootschap o.a. vorderen dat de rechter het stemrecht van een meldingsplichtige schorst, een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders schorst of vernietigt of een bevel oplegt tot onthouding van verwerving van aandelen of stemmen in de desbetreffende beursvennootschap (art. 5:52, lid 4, onderdelen b tot en met e, Wft).
Deze mogelijkheden zijn, tot op heden, niet alleen onderbelicht gebleven in (de parlementaire behandeling van) het wetsvoorstel Frijns. Ook in literatuur is hieraan relatief weinig aandacht besteed. Een tweetal uitzonderingen vormt Huizink (1998) en Hijmans van den Bergh (2002b). Beiden zijn overigens nogal, naar mijn smaak: te, sceptisch over de wenselijkheid van deze mogelijkheden.
Vgl. ook Leijten in onderdeel 1 van zijn annotatie onder Rechtbank Amsterdam 16 november 2006 inzake Stork/Centaurus e.a. (JOR 2007/18): 'Ik sluit niet uit dat ooit eerder een dagvaarding ex art. 9 Wmz 1996 is uitgebracht, maar tot een uitspraak heeft dat tot dusverre nog niet geleid.' Huizink (1998), p. 134, constateert — tot zijn genoegen — dat 'art. 9 WMZ 1996, evenals haar voorgangster, art. 13 WMZ 1992, vooralsnog een dode letter is gebleken.'
Hijmans van den Bergh (2002b), p. 144 is hierover kritisch, nu zijn inzien kan worden betwijfeld of de thans geldende civielrechtelijke sancties op overtreding van de meldingsplicht wel proportioneel en effectief zijn.
Anders: Huizink (1998), p. 133 e.v. en Hijmans van den Bergh (2002b), p. 144.
Hetgeen geldt voor de in Artikel II van het wetsvoorstel Frijns opgenomen wijzigingen van de WGE met het oog op de identificatie van de (uiteindelijke) investeerders. Vgl. bijvb. de kritiek in Van Ginneken/Winter (2009).
Daarmee is niet gezegd dat de huidige vormgeving van art. 5:52 Wft, vanuit het oogpunt van rechtszekerheid, optimaal is. Ik sluit anderzijds niet uit dat om civielrechtelijke handhaving van deze verplichtingen door beursvennootschappen effecten te doen zijn tevens andere (processuele) aanpassingen nodig zijn. Verder bespreking hiervan valt buiten het bestek van deze studie.
In het licht van het toegenomen "aandeelhoudersactivisme" is de afgelopen jaren de roep om uitbreiding van de meldings- en publicatieverplichtingen voor investeerders toegenomen. Een eerste voorbeeld daarvan vormt het — eerder in deze studie genoemde1 — wetvoorstel Frijns dat beoogt de transparantie over de identiteit en belangen van kapitaalverschaffers te vergroten, onder meer door verlaging van enkele Wft drempels voor melding van zeggenschap van 5% naar 3%.2 Onderdeel van dit voorstel is verder het opmerkelijke, en naar mijn mening niet erg doordachte, voorstel van de melding aan de AFM of bezwaar bestaat tegen de, op de website gepubliceerde, strategie van de beursvennootschap.3 Een tweede voorbeeld waaruit de toegenomen aandacht voor uitbreiding van de publicatieverplichtingen voor investeerders blijkt is de publicatie van een consultatiedocument waarin wordt voorgesteld de reikwijdte van de meldingsverplichtingen uit te breiden tot aandelenderivaten en andere fmanciële instrumenten.4 Voor deze laatste aanpassing is naar mijn mening veel te zeggen.5
De op dit moment zichtbare tendens tot uitbreiding van de publicatieverplichtingen, volgt op een periode waarin — met het oog het tegengaan van administratieve lasten — opleggen van meer verplichtingen die uitgingen boven het Europese minimum, de "nationale koppen", het uitgangspunt was. Er lijkt — ook6 — op dit punt sprake van een pendule.7
Opvallend hierbij is dat aan de mogelijkheden die de Wft beursvennootschappen biedt8 om zelf civielrechtelijk op te komen tegen het niet (tijdig) naleven van de meldingsverplichtingen door investeerders nauwelijks aandacht wordt besteed.9 Hoewel van die mogelijkheden in het verleden nauwelijks gebruik is gemaakt10, verdient het mijns inziens aanbeveling om die toepassingsmogelijkheden verder te verkennen. Niet alleen omdat de meldings- (en publicatie) verplichtingen omtrent (wijzigingen in) zeggenschaps- of kapitaalbelangen door investeerders (mede) tot doel hebben "agency-problemen" binnen beursvennootschappen tegen te gaan en handhaving van die verplichtingen door "vennootschapsrechtelijke sancties" daarvan een logisch gevolg vormt.11 Ik ben daarnaast minder sceptisch dan sommigen in de literatuur over de — in hun optiek: te — vergaande consequenties van civielrechtelijke handhaving van die verplichtingen.12 Gezien, zoals de afgelopen jaren is gebleken, de grote belangen die op de financiële markten gemoeid kunnen zijn met het niet tijdig melden van zeggenschapsbelangen, kan mijn inziens worden betwijfeld of mogelijke schorsing of vernietiging van stemrecht van investeerders per definitie als disproportioneel moet worden beschouwd.
Bezinning op de toepasbaarheid van de reeds in de Wft opgenomen civielrechtelijke handhavingsmogelijkheden, heeft mijns inziens de voorkeur boven introductie van nieuwe voorschriften die ofwel naar alle waarschijnlijkheid niet werkzaam zullen zijn13, danwel een ondoordachte publicatie van een "intentieverklaring" inhouden. Om de mogelijkheden voor beursvennootschappen om civielrechtelijk op te komen tegen schending van de meldingsverplichtingen effectief te doen zijn14, is echter wenselijk dat de beursvennootschap de eerst aangewezene is waaraan de melding van (wijzigingen in) zeggenschaps- of kapitaalbelangen moet worden gedaan. Ook dit pleit voor herstel van de (rechtstreekse) meldingsplicht aan beursvennootschappen.