Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/3.2.6
3.2.6 Aansprakelijkheid van de Staat wegens schending van art. 6 EVRM
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652249:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van een overeenkomst van opdracht is echter geen sprake, zie par. 3.2.2.3.
De Jongh & Schild 2010, p. 69-70.
HR 3 december 1971, NJ 1972/137, m.nt. G.J. Scholten (X/Staat).
EHRM 19 maart 2002 (onder ‘The Law’, r.o. 1), JOR 2002/127, m.nt. H.J. de Kluiver (Text Lite). Zie ook reeds HR 10 januari 1990 (r.o. 6.1), NJ 1990/466, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2021/288, m.nt. P.D. Olden (Ogem).
Schild 2012, p. 251, onder verwijzing naar EHRM 5 juli 2007, NJ 2010/323, m.nt. E.A. Alkema (Sara Lind Eggertsdóttir t. IJsland).
Hermans 2003, p. 142; Schild 2012, p. 246 e.v.
EHRM 18 maart 1997 (r.o. 31-36), NJ 1998/278, m.nt. H.J. Snijders (Mantovanelli t. Frankrijk); EHRM 8 augustus 2006 (r.o. 31), 43803/98 (Eskelinen e.a. t. Finland).
De Jongh & Schild 2010, p. 70.
Schild 2012, p. 252.
Zie ook Hermans 2017, p. 344 e.v. Aansprakelijkstelling van de onderzoeker lijkt in dat geval geen effective remedy, waarover Schild 2012, p. 252-254.
EHRM 21 september 1994 (r.o. 78-79), NJ 1995/463 (Fayed t. Verenigd Koninkrijk).
HR 8 april 2005 (r.o. 3.9), NJ 2006/443, m.nt. G. van Solinge; JOR 2005/119, m.nt. M. Brink (Laurus). Kritisch hierover is Hermans 2017, p. 364, met verwijzingen.
Zo neem ik aan met Hermans 2017, p. 363, voetnoot 237.
Van Solinge (onder 5) in zijn annotatie bij HR 8 april 2005, NJ 2006/443 (Laurus).
Zie ook Van de Klift 2014, p. 102.
Willems 2013, p. 421-422.
Hermans 2017, p. 347.
Zie uitgebreid over wat het beginsel van hoor en wederhoor omvat en hoe hieraan betekenis kan worden gegeven in de onderzoeksfase Hermans 2017, p. 401-405; Leidraad, bepaling 5.9 e.v., waarover ook Broere 2019b, p. 693-694.
Onder omstandigheden kan de Staat aansprakelijk zijn voor het handelen van de onderzoeker in de enquêteprocedure. Hiertoe kan een parallel worden getrokken met de vordering wegens onrechtmatige rechtspraak, nu de onderzoeker in opdracht van de rechter handelt1 en een functie heeft in de voorbereiding van de rechterlijke beslissing.2 In X/Staat oordeelde de Hoge Raad ten aanzien van een vordering wegens onrechtmatige rechtspraak:
‘dat slechts, indien bij de voorbereiding van een rechterlijke beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken, en tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat en heeft opengestaan, de Staat ter zake van de schending van het in art. 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde recht voor de daaruit voortvloeiende schade aansprakelijk zou kunnen worden gesteld.’3
Op de onderzoeksfase is art. 6 EVRM niet van toepassing, zo oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Text Lite.4 Het onderzoek is er om het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon te onderzoeken, niet om de civielrechtelijke aansprakelijkheid van bestuurders of commissarissen vast te stellen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens eist wel dat de enquêteprocedure als geheel fair is. Dat vergt een beoordeling van alle omstandigheden van het geval.5 Als het beginsel van hoor en wederhoor in de onderzoeksfase niet is toegepast en het onderzoek een beslissende betekenis heeft op de procedure als geheel, dan kan de procedure als geheel niet langer als fair worden aangemerkt, ook al worden in de onderzoeksfase geen rechten of verplichtingen vastgesteld.6 Het beginsel van hoor en wederhoor brengt immers met zich dat procespartijen daadwerkelijk in de gelegenheid moeten worden gesteld de mening van de rechter te beïnvloeden.7
Uit art. 2:351 lid 4 BW volgt dat de onderzoeker degenen die in het onderzoeksverslag worden genoemd in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken ten aanzien van wezenlijke bevindingen die op henzelf betrekking hebben. De Jongh en Schild menen dat de grenzen van art. 6 EVRM niet spoedig worden overschreden als de onderzoeker zich houdt aan dit voorschrift. Zij merken op dat fouten van de onderzoeker in de tweede fase veelal kunnen worden hersteld.8 Volgens Schild kan niet worden gezegd dat conclusies uit het onderzoeksverslag nauwelijks meer zijn te weerleggen voor belanghebbenden als het onderzoeksverslag eenmaal is uitgebracht.9
Op een eerste fase procedure volgt echter niet steeds een tweede fase procedure en de onderzoeker heeft daarin geen inzicht bij de uitvoering van het onderzoek.10 Betrokkenen bij de enquêteprocedure kunnen in de onderzoeksfase reeds reputatieschade oplopen, door uitlatingen in de media, maar zeker ook als de Ondernemingskamer op de voet van art. 2:353 lid 2 BW bepaalt dat het onderzoeksverslag voor eenieder ter inzage ligt. Uit Fayed t. Verenigd Koninkrijk volgt dat in een dergelijk geval – een onderzoek waarin geen burgerlijke rechten en verplichtingen worden vastgesteld, maar waardoor wel de reputatie van de onderzochte (rechts)personen kan worden geschaad – het Europees Hof voor de Rechten van de Mens toetst of de rechtspositie van procespartijen voldoende is gewaarborgd en of zij in voldoende mate in de gelegenheid zijn gesteld hun visie op de zaak aan de onderzoeker te presenteren.11
Als een tweede fase procedure volgt, is de ruimte om onderzoeksbevindingen te weerleggen bovendien beperkt. Belanghebbenden hebben recht op tegenspraak, maar geen recht op tegenbewijs, zo volgt uit Laurus.12 Dat lijkt ook te gelden voor de geënquêteerde rechtspersoon.13 Als tegenbewijs niet is toegestaan, heeft het recht om de bevindingen uit het onderzoeksverslag te bestrijden weinig zin.14 Daar komt bij dat belanghebbenden niet steeds de beschikking zullen hebben over het (volledige) onderzoeksdossier dat ten grondslag ligt aan het onderzoeksverslag.15 Wel staat het de Ondernemingskamer vrij tegenbewijs toe te laten. Volgens Willems mag de Ondernemingskamer een deugdelijk gemotiveerd aanbod daartoe niet zonder meer passeren.16
De onderzoeker moet er dus rekening mee houden dat (rechts)personen die hij in zijn onderzoeksverslag kritisch bespreekt, mogelijk geen gelegenheid krijgen zich in een tweede fase procedure te verdedigen.17 Als een tweede fase volgt, is de mogelijkheid om onderzoeksbevindingen te weerleggen bovendien beperkt. Van belang is dan ook dat de onderzoeker het beginsel van hoor en wederhoor in acht neemt. Dat beginsel omvat meer dan het enkele voorschrift van art. 2:351 lid 4 BW, zo volgt ook uit de Leidraad.18 Ook als de onderzoeker zich aan dit voorschrift houdt, kan meen ik, anders dan De Jong en Schild schrijven, sprake zijn van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, kan de enquêteprocedure als geheel dan mogelijk niet langer als fair worden gekenschetst, en art. 6 EVRM zijn geschonden. In de lijn van X/Staat kan dan Staatsaansprakelijkheid passen. In de literatuur wordt overigens ook wel een verdergaande aansprakelijkheid van de Staat voor onrechtmatig handelen van de onderzoeker verdedigd, waarover par. 3.2.8.7.