Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.3.10
14.3.10 APV-regeling en jurisprudentie inzake toerekening van stichtingsvermogen
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232912:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 14.3.9 voor de kwalificatie van rechtsvormen als al dan niet transparant en het (vervolgens) alsnog als fiscaal transparant aanmerken van in beginsel als rechtssubject erkende rechtsvormen op grond van wet of jurisprudentie. Hoewel de term fiscale transparantie vanuit het perspectief van het kwalificatievraagstuk wellicht niet geheel zuiver is in de onderhavige context, zal ik eenvoudshalve wel spreken van fiscale transparantie.
Overigens niet zonder kritiek, vergelijk bijvoorbeeld de annotaties van Van Dijck bij de arresten HR BNB 1978/15. HR BNB 1982/42 en HR BNB 1986/16, waarin hij allereerst de vraag opwerpt waarom bij stichtingen een toets wordt aangelegd die men bij besloten vennootschappen volstrekt niet aan de orde zou achten en hij voorts het standpunt inneemt dat men niet tot toerekening zou moeten komen op grond van het enkele kunnen beschikken, maar pas op het moment dat iemand daadwerkelijk te eigen bate over het vermogen van een stichting beschikt. Zie voorts bijvoorbeeld C.P.M. van Houte, Is een stichting transparant?, WFR 1989/5872 of R. Moskowicz, Stichting en transparence: motivering; rechtsstrijd, WFR 1990/5954.
Een geval waarin beschikkingsmacht over (in casu) geschonken bedragen wel geacht werd te zijn behouden, betreft hof Amsterdam 11 maart 1991, Infobulletin 1991/104. Aan dit oordeel verbond het hof de conclusie dat (i) de geschonken bedragen niet aftrekbaar waren, (ii) het inkomen van de stichting belast was bij de belanghebbende en (iii) dóór de stichting geschonken bedragen wél voor aftrek in aanmerking kwamen.
In vergelijkbare zin HR 17 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AW7646, BNB 1987/247.
In zaken waarin sprake is van een vennootschapsbelastingplichtige stichting lijkt de Hoge Raad overigens niet tot toerekening van het vermogen en het inkomen van de stichting te komen, zie bijvoorbeeld HR 9 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:BH7121, BNB 1989/228, en HR 18 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4829, BNB 1992/142. In hoeverre dit het gevolg is van de omstandigheid dat de stichting vennootschapsbelastingplichtig is, of dat dit een toevallige omstandigheid is en men ook op grond van het ontbreken van voldoende beschikkingsmacht bij een ander tot deze uitkomst gekomen zou zijn, wordt evenwel niet duidelijk.
Zie hiervoor nader paragraaf 14.2.1.
Althans niet in inkomstenbelastingcontext, zie nader hierna.
Hof Amsterdam 23 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:915, V-N 2016/28.13.
Dit veronderstelt overigens dat de Ltd. niet (voldoende) onderworpen was aan winstbelasting, omdat anders de destijds geldende toerekeningsstop aan toerekening van de aandelen in de weg had gestaan. De feiten laten zich hier niet over uit. Indien toepassing van de AVP-regeling tot de conclusie leidt dat geen toerekening plaatsvindt, zou er zoals reeds opgemerkt naar mijn mening echter geen ruimte moeten doen om alsnog toe te rekenen op basis van beschikkingsmacht.
Vergelijk in dit verband ook De Wijkerslooth-Lhoëst, die – mijns inziens terecht – opmerkt dat zij het merkwaardig vindt dat het hof niet de APV-regeling toepast, maar belanghebbende als aandeelhouder aanmerkt omdat hij niet het vermoeden kan ontzenuwen dat hij hierover kon beschikken als ware het zijn eigen vermogen, aangezien het aldus kunnen beschikken met de invoering van de APV-regeling niet meer van belang is (S.A.M. de Wijkerslooth-Lhoëst, De rechter en het Afgezonderd Particulier Vermogen, Vakblad Estate Planning 2016/40, pagina 14).
Rechtbank Den Haag 23 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:4990, V-N 2018/35.2.1.
Hof Den Haag 18 december 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3680.
Zie rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 maart 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:1646, V-N 2018/39.2.1.
De reden voor de inspecteur om zich in deze zaak te beroepen op transparantie van de Stiftung is mogelijk gelegen in de omstandigheid dat de toerekening van APV-vermogen niet integraal doorwerkt naar de Wet DB. Indien de Stiftung als APV zou kwalificeren, zou een teruggave van dividendbelasting mijns inziens in beginsel mogelijk zijn geweest. Zie voor deze aspecten nader paragraaf 14.5.2.
Hof ’s-Hertogenbosch 31 januari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:382, rechtsoverweging 4.6.
Conclusie A-G Wattel 26 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:704, V-N 2019/38.11, zie met name punten 9.5 – 9.7.
Zie de in paragraaf 14.2.1 aangehaalde jurisprudentie.
Vergelijk bijvoorbeeld Kamerstukken II vergaderjaar 2008/09, 31 930, nr. 3, pagina 9 – 11.
Conclusie A-G Niessen 2 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:860, V-N 2019/46.3.
In dit geval doen zich in de samenloop tussen inkomstenbelasting en dividendbelasting complicaties voor, die overigens losstaan van de vraag of al dan niet toegerekend kan worden op grond van beschikkingsmacht. Voor een nadere beschrijving hiervan verwijs ik naar paragraaf 14.5.
Ook zou zich de situatie voor kunnen doen waarin de beheerder van het APV de facto ten gunste van zichzelf beschikt, zonder dat eventuele belanghebbenden die daartegen op zouden kunnen treden gebruik maken van de middelen die zij daartoe hebben. Deze situatie dient mijns inziens onderscheiden te worden van het kunnen beschikken als ware het iemands eigen vermogen, aangezien in dat geval de mogelijkheid tot afdwingen van het APV doorslaggevend is en niet het concrete gebruik dat van die mogelijkheden gemaakt dat. Dit laat uiteraard onverlet dat daadwerkelijk onttrokken bedragen in voorkomend geval in de belastingheffing betrokken kunnen worden.
Zoals in paragraaf 14.3.3.3 opgemerkt kan artikel 2.14a lid 5 Wet IB 2001 in die situatie niet leiden tot toerekening aan de begunstigden.
Bij toepassing van de toerekeningsstop vindt in voorkomend geval nog wel heffing van schenk- en erfbelasting plaats, zie artikel 16 lid 1 respectievelijk artikel 17 lid 1 SW.
Zie paragraaf 14.5.2.
Reeds lang voor invoering van de APV-regeling werden stichtingen onder omstandigheden aangemerkt als fiscaal transparant1, te weten als iemand over het vermogen van de desbetreffende stichting kon beschikken als ware het zijn eigen vermogen.2 In dit verband zij gewezen op (bijvoorbeeld) de volgende arresten:
HR 14 september 1977, ECLI:NL:HR:1977:AX3189, BNB 1978/15, met betrekking tot de vraag of de belanghebbende, die een stichting had opgericht en daarmee een lijfrenteovereenkomst had afgesloten, de lijfrentepremies kon aftrekken. De Hoge Raad overweegt allereerst dat de stelling, dat vermogen dat civielrechtelijk aan een stichting toebehoort onder omstandigheden voor de heffing van inkomstenbelasting als vermogen van een natuurlijke persoon beschouwd moet worden, niet in haar algemeenheid aanvaard kan worden. Wel is mogelijk dat de belanghebbende in feite over de betaalde premies dezelfde beschikkingsmacht behouden had, als hij zou hebben gehad indien deze deel van zijn eigen vermogen waren blijven uitmaken, maar deze mogelijkheid stuitte af op de vaststelling van de feiten door het hof.3
De Hoge Raad oordeelt in vergelijkbare zin over de toerekening van vermogen in HR 22 juli 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9380, BNB 1982/42. Deze zaak betrof de vraag of aan een stichting toebehorende bezittingen en schulden bij belanghebbende in aanmerking genomen dienden te worden.
In HR 30 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9086, BNB 1986/16, voegt de Hoge Raad toe dat, indien vaststaat dat belanghebbende kan beschikken over het vermogen van een stichting als ware het zijn eigen vermogen, niet aan nadere vereisten voldaan hoeft te worden om het vermogen van de stichting voor de heffing van inkomstenbelasting en vermogensbelasting te behandelen als het vermogen van de belanghebbende. Belanghebbende had aangevoerd dat tevens noodzakelijk zou zijn dat in feite geen onderscheid bestond tussen het vermogen van de stichtingen zijn eigen vermogen, alsmede dat hij zich in feite als rechthebbende op het vermogen van de stichting zou gedragen. Ook lijkt de Hoge Raad in dit arrest het uitkeringsverbod van artikel 2:285 lid 3 BW in principe niet te beschouwen als een belemmering voor de eventuele beschikkingsmacht.
Uit HR 8 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:BH5313, BNB 1986/87, volgt dat het niet noodzakelijk is om daadwerkelijk te beschikken over het vermogen van een stichting om dit vermogen (en het inkomen daaruit) toegerekend te krijgen. Het enkele daarover kunnen beschikken als ware het zijn eigen vermogen volstaat voor deze toerekening.4
Het op enig moment verkrijgen van de beschikkingsmacht over een stichting heeft ten slotte niet tot gevolg dat de persoon in kwestie geacht wordt het gehele vermogen aan de stichting te hebben onttrokken, zie HR 10 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1860, BNB 1996/94. Concrete transacties met de stichting hebben uiteraard wel hun fiscale gevolgen.
Samenvattend volgt uit deze en andere jurisprudentie dat het vermogen en de inkomsten van een stichting toegerekend kunnen worden en aldus belast kunnen worden bij degene die over het vermogen van de stichting kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen.5 Op basis van dit principe konden voor de invoering van de APV-regeling onder omstandigheden ook het vermogen en de inkomsten van een familiestichting, trust, etc. worden toegerekend en als zodanig alsnog worden belast.6
De vraag is dan hoe deze toerekening op grond van de jurisprudentie zich verhoudt tot de APV-regeling. In de parlementaire geschiedenis bij de APV-regeling is hierover het volgende opgemerkt:
De NOB neemt wat betreft APV’s verder terecht aan dat het systeem van toerekening op grond van artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 een gesloten systeem is, zodat indien aan de voorwaarden van het zesde lid wordt voldaan, er noch op basis van artikel 2.14a Wet inkomstenbelasting 2001 noch op basis van andere leerstukken of wettelijke bepalingen toerekening van vermogen of inkomsten van het APV plaatsvindt aan eventuele gerechtigden of aan degene die het vermogen heeft afgezonderd. Benadrukt wordt dat het gaat om het discretionaire deel van het afgezonderd particulier vermogen.7
en
De leden van de CDA-fractie vragen zich af hoe zij de gevolgen die het transparant worden heeft, moeten zien in verhouding tot bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad d.d. 10 januari 1996 (BNB 1996/94)? Uitgangspunt is dat een APV (bijvoorbeeld een stichting) een zelfstandige entiteit is. Alleen in de situatie dat iemand over het vermogen van het APV kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen is sprake van transparantie. Ten aanzien van een APV wordt een wettelijke transparantie voorgesteld aangezien het particuliere belang (veelal van de inbrenger en zijn verwanten) wordt beoogd. De regering kiest in het wetsvoorstel voor een andere benadering. De bezittingen en schulden van het APV worden toegerekend, ongeacht of beschikt kan worden als ware het eigen vermogen zoals in het arrest aan de orde was. Zolang geen particulier belang wordt beoogd blijft de entiteit zelfstandig en geldt in beginsel geen transparantie. [onderstrepingen AEdL]8
De eerste aangehaalde passage geeft naar mijn mening aan dat indien de APV-regeling van toepassing is, het vermogen niet op andere gronden kan worden toegerekend, ook niet indien de APV-regeling uiteindelijk niet tot toerekening zou leiden omdat het tegenbewijs van artikel 2.14a lid 6 Wet IB 2001 geleverd kan worden. Strikt genomen lijkt er overigens nog wel ruimte voor toerekening op andere gronden aan een ander dan de begunstigden of de inbrenger, maar ik veronderstel dat dit niet bedoeld zal zijn. In de tweede passage wordt aangegeven dat de APV-regeling voorziet in toerekening, ongeacht of sprake is van beschikkingsmacht of niet. Dat impliceert dat naast toepassing van de APV-regeling niet ook toerekening mogelijk is op grond van het kunnen beschikken over het vermogen van het APV als ware het iemands eigen vermogen, althans dat de beschikkingsmacht niet tot een andere uitkomst leidt, omdat toerekening op basis van die beschikkingsmacht vervolgens alsnog opzijgezet wordt door de APV-regeling. Ik ga er daarbij vanuit dat de beschikkingsmacht een voorvraag is die aan de orde komt voordat de APV-regeling wordt toegepast. Gezien de tweede hiervoor aangehaalde passage uit de parlementaire geschiedenis impliceert het eerst toepassing van de APV-regeling en daarna het beschikkingsmachtcriterium althans dat de uitkomst toerekening aan twee personen kan zijn, de inbrenger en degene met beschikkingsmacht. Het voordeel van deze benadering is bovendien dat de veelal moeilijk te beantwoorden vraag of sprake is van beschikkingsmacht niet beantwoord hoeft te worden.
Een redelijke wetstoepassing brengt naar mijn mening derhalve met zich dat met de invoering van de APV-regeling de mogelijkheid, om vermogen van een entiteit die als APV kwalificeert op grond van beschikkingsmacht toe te rekenen, niet langer bestaat.9 De wetgever heeft voorzien in een regeling voor die situatie en zelf ook op enig punt in de parlementaire geschiedenis aangegeven dat deze regeling uitputtend bedoeld is. Daarnaast leidt het naast elkaar toepassen van de APV-regeling en toerekening op grond van beschikkingsmacht potentieel tot een conflict, in het geval dat de uitkomst van beide niet gelijk is, hetgeen aanleiding geeft tot de vraag welk principe dan prevaleert. Zoals reeds aangegeven zou de APV-regeling in dat geval als nadien getroffen, expliciet voor een bepaalde situatie bedoelde, regeling dan voor moeten gaan. De facto zou dat doorgaans erop neerkomen dat de APV-regeling het beschikkingsmachtcriterium inderdaad opzij heeft gezet, met dien verstande dat er twee situaties denkbaar zijn waarin de APV-regeling niet tot toerekening leidt: (i) de inbrenger, zijn partner, noch zijn erfgenamen zijn te bepalen (artikel 2.14a lid 5 Wet IB 2001) of (ii) de toerekening van artikel 2.14a lid 6 Wet IB 2001 leidt niet tot toerekening, omdat alle erfgenamen het tegenbewijs kunnen leveren. Over de laatste situatie heeft de wetgever zich evenwel expliciet uitgelaten dat toerekening op andere gronden niet mogelijk is. Daarnaast impliceert het voorzien in een gedetailleerde regeling dat indien de uitkomst van de toepassing van die regeling is, dat geen toerekening plaatsvindt, deze uitkomst ook geaccepteerd dient te worden en men niet moet proberen om via een alternatieve route alsnog tot toerekening te komen.
Jurisprudentie met betrekking tot de samenloop tussen artikel 2.14a Wet IB 2001 en toerekening op grond van beschikkingsmacht is nog nauwelijks aanwezig; ik ben bekend met een drietal zaken:
Hof Amsterdam heeft op 23 februari 201610 uitspraak gedaan in een zaak met betrekking tot toepassing van de gebruikelijk-loonregeling in de jaren 2010 – 2013. Iemand had de activiteiten van zijn eenmanszaak ingebracht in een commanditaire vennootschap, met als commanditaire vennoot een stichting en als beherend vennoot een Engelse Ltd. waarvan de aandelen in trust waren gebracht. De Ltd. werd door de rechtbank aangemerkt als inhoudingsplichtige, aangezien (i) sprake was van inbreng van de eenmanszaak in de trust, zodat de inbrenger aanmerkelijkbelanghouder van de Ltd. was,11 (ii) de inbrenger als (enige) bestuurder een (fictieve) dienstbetrekking had bij de Ltd. en (iii) de Ltd. gezien de woonplaats van haar bestuurder feitelijk in Nederland gevestigd was. Het hof onderschrijft de conclusies van de rechtbank, maar opvallend is dat het de conclusie, dat sprake is van een aanmerkelijk belang, expliciet op een andere argumentatie baseert. In plaats van de trust als APV te kwalificeren, oordeelt het hof namelijk dat de inbrenger over het vermogen van de trust kon beschikken als ware het zijn eigen vermogen en dat hij daarom tevens als houder van de aandelen in de Ltd. moet worden aangemerkt. Het hof geeft helaas niet aan waarom het zich ondanks de APV-regeling op deze argumentatie beroept.12 Mogelijk is de reden hiervoor dat het hof een inbreng niet bewezen achtte, zodat de APV-regeling niet van toepassing kon zijn (het hof spreekt van het beëindigen van de activiteiten van de eenmanszaak en het ontwikkelen van activiteiten in een nieuwe structuur), maar bij gebrek aan concrete aanwijzingen in die richting is dit niet meer dan een mogelijkheid.
Rechtbank Den Haag oordeelde op 23 maart 201813 over de toerekening van het vermogen van een stichting aan een zoon van de instelster, betreffende het jaar 2012. De inspecteur had hiervoor twee gronden aangevoerd, te weten primair het door de zoon kunnen beschikken over het vermogen van de stichting als ware het zijn eigen vermogen en subsidiair de inbreng in de stichting als gevolg van het onzakelijk zijn van bepaalde transacties tussen beiden (de instelster was in het jaar waar de procedure betrekking op had nog in leven). De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een zodanige beschikkingsmacht dat toerekening van het stichtingsvermogen kan plaatsvinden, alsmede dat geen sprake is van een inbreng door de zoon, die leidt tot toerekening aan hem. Het valt op dat de rechtbank geen overweging besteedt aan de vraag of naar de APV-regeling nog wel ruimte is voor een toerekening op deze basis. Ook de belanghebbende lijkt voor deze vraag geen aandacht gevraagd te hebben. Hof Den Haag14 oordeelt in hoger beroep eveneens dat noch de aanwezigheid van beschikkingsmacht, noch toerekening op grond van de APV-regeling (althans aan de zoon) aan de orde zijn, maar besteedt ook geen aandacht aan de samenloop tussen toerekening op grond van beschikkingsmacht en de APV-regeling. De achtergrond hiervan kan echter zijn dat de inspecteur primair een beroep heeft gedaan op het beschikkingsmachtcriterium en subsidiair op de APV-regeling. Desalniettemin was gezien de feiten naar mijn mening sprake van een APV, met dien verstande dat de moeder de inbrenger was, zodat de vraag naar deze samenloop weldegelijk een rol speelt.
Ten slotte is er een zaak betreffende een Oostenrijkse Privatstiftung die een verzoek had ingediend tot teruggave van Nederlandse dividendbelasting voor de jaren 2011, 2012 en 2014. De rechtbank15 oordeelde dat de Privatstiftung fiscaal transparant is, omdat de rechtbank van mening was dat haar oprichter kon beschikken over haar vermogen als ware het zijn eigen vermogen, zodat geen aanspraak bestaat op teruggave van dividendbelasting. De vraag of naast toepassing van de APV-regeling nog ruimte bestaat voor toerekening op grond van beschikkingsmacht, werd in eerste aanleg voor zover ik kan nagaan niet gesteld.
In hoger beroep is deze vraag echter wel expliciet aan de orde gekomen, omdat de Privatstiftung betoogde dat de “transparantie-jurisprudentie” achterhaald was door de APV-regeling.16 Hof ’s-Hertogenbosch17 heeft dit betoog echter verworpen, met als motivering dat allereerst het APV-regime niet geldt voor de dividendbelasting (anders dan de regeling van artikel 4 lid 8 sub c Wet DB), zodat de bestaande jurisprudentie voor deze heffing niet ingeperkt kan worden door de APV-regeling. Daarnaast merkt het hof op dat voor een verzoek om teruggaaf van dividendbelasting van belang is wie de uiteindelijk gerechtigde is tot de dividenden, hetgeen een materiële toets vereist, zoals aan de orde is in de “transparantie-jurisprudentie”. Ten slotte oordeelt het hof uitdrukkelijk dat in geval iemand kan beschikken over het vermogen van de Privatstiftung als ware het zijn eigen vermogen niet gesproken kan worden van een afgescheiden vermogen als bedoeld in artikel 2.14a Wet IB 2001, zodat het APV-regime in een dergelijke situatie niet van toepassing kan zijn. Het hof is derhalve van mening dat eerst op grond van deze jurisprudentie getoetst dient te worden of sprake is van toerekening aan een ander en dat de APV-regeling pas eventueel van toepassing kan zijn indien daarvan geen sprake is.
A-G Wattel heeft recent een conclusie genomen in deze zaak.18 Hij is van mening dat de transparantie-jurisprudentie losstaat van de APV-regeling. De transparantie-jurisprudentie betreft zijns inziens de keuze bij de toerekening tussen twee hiervoor in aanmerking komende genieters. Fiscale toerekening aan een ander dan de civielrechtelijk gerechtigde kan aan de orde komen omdat het vermogen en de inkomsten van een entiteit civielrechtelijk en feitelijk onvoldoende zijn afgescheiden van het vermogen c.q. inkomsten van een ander om de entiteit als fiscaalrechtelijk zelfstandige entiteit te beschouwen. De APV-regeling betreft daarentegen de situatie van “zwevend vermogen”, dat niet toerekenbaar is aan een persoon, omdat degene die kan beschikken niet zal of mag genieten en de mogelijke toekomstige genieter niet kan beschikken.
Dit onderscheid is helder, maar miskent naar mijn mening dat zich weldegelijk situaties kunnen voordoen waarin zowel de APV-regeling als de jurisprudentie inzake de toerekening van stichtingsvermogen van toepassing kunnen zijn op een entiteit. Dit betreft gevallen waarin sprake is van een entiteit die als APV kwalificeert op grond van artikel 2.14a Wet IB 2001, maar er tegelijkertijd een persoon is, zoals de inbrenger, die over het vermogen van die entiteit kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen. Dat deze samenloop kan bestaan, wordt ook onderstreept door procedures met betrekking tot jaren van voor de invoering van de APV-regeling, waarin de belastingdienst het standpunt innam dat bijvoorbeeld de settlor kon beschikken over trustvermogen als ware het diens eigen vermogen, om dit vermogen en de inkomsten daaruit alsnog in de heffing te kunnen betrekken.19 De APV-regeling is uiteindelijk het antwoord op door de belastingdienst ervaren moeilijkheden om “zwevend vermogen” op basis van het concept van de jurisprudentie inzake de toerekening van stichtingsvermogen te belasten.20 Omdat de APV-regeling echter een ruimer bereik heeft dan puur de situatie van zwevend vermogen, maar ook de gevallen bestrijkt waarin het vermogen als gevolg van beschikkingsmacht wel bij een belastingsubject neerslaat, rijst de vraag of de APV-regeling in een dergelijk belang voorrang heeft.
Mogelijk is de redenering van de A-G dat de toerekening op grond van beschikkingsmacht een voorvraag is, die beantwoord dient te worden voorafgaand aan de toepassing van de APV-regeling en waarbij de APV-regeling slechts van toepassing kan zijn indien niet wordt toegerekend op grond van beschikkingsmacht. Dat is althans de strekking van de recente conclusie die A-G Niessen genomen heeft, mede onder verwijzing naar de conclusie van A-G Wattel.21 De hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis geeft echter aan dat wordt toegerekend op grond van de APV-regeling ongeacht of sprake is van beschikkingsmacht, hetgeen impliceert dat er voor een dergelijke voorvraag geen ruimte is.
In de casus waar de conclusie van A-G Wattel betrekking op heeft speelt als bijzonderheid dat de APV-regeling in beginsel niet doorwerkt naar de dividendbelasting, zodat voor de heffing waar het desbetreffende geschil op ziet de gesignaleerde samenloop zich inderdaad niet voordoet. Op het moment dat in samenhang gekeken wordt naar de inkomstenbelasting, dividendbelasting en vennootschapsbelasting, kan sprake zijn van een hybride uitkomst: voor de inkomstenbelasting voor toegerekend aan de inbrenger, maar voor de dividendbelasting en de vennootschapsbelasting wordt het APV als rechtssubject erkend, waarbij ofwel (i) de inkomsten en het vermogen ook worden toegerekend aan het APV,22 ofwel (ii) de inkomsten en het vermogen op grond van beschikkingsmacht worden toegerekend aan een ander. Die laatste persoon kan de inbrenger zijn, maar dit hoeft niet. Deze hybride uitkomst is echter met name het gevolg van de beperking van de algemene toepassing van de APV-regeling tot de inkomstenbelasting en niet zozeer van het al dan niet toerekenen op grond van beschikkingsmacht. Een oplossing hiervoor kan dan ook slechts gevonden worden in een consistentere behandeling van APV’s voor de verschillende heffingen.
Concluderend zou naar mijn mening met de invoering van de APV-regeling de toepassing van het beschikkingsmachtcriterium ten aanzien van APV’s achterhaald moeten zijn. De parlementaire geschiedenis biedt ook steun voor deze conclusie. Er is in zoverre echter geen zekerheid, dat in de lagere rechtspraak het beschikkingsmachtcriterium toch nog enkele malen is toegepast, ondanks het feit dat sprake was van een APV en hof ’s-Hertogenbosch laat er in zijn hiervoor aangehaalde uitspraak ook geen twijfel over bestaan dat het van mening is dat het beschikkingsmachtcriterium eerst toegepast dient te worden en pas vervolgens de APV-regeling. Mogelijk zal het arrest van de Hoge Raad in de zaak betreffende de Privatstiftung meer duidelijkheid zal verschaffen.
Overigens kan men zich afvragen in hoeverre toerekening op grond van beschikkingsmacht daadwerkelijk tot een andere uitkomst kan leiden. Er zijn in het algemeen drie situaties denkbaar:
Allereerst kan de insteller van het APV zodanige beschikkingsmacht behouden hebben, dat op die laatste grond aan hem toegerekend kan worden. In dat geval leiden beide criteria tot dezelfde uitkomst.
Daarnaast is denkbaar dat de toerekening op grond van beschikkingsmacht zou leiden tot toerekening aan een ander dan de insteller, zodat de uitkomsten verschillen. De vraag is echter in hoeverre deze situatie zich in de praktijk kan voordoen: logischerwijs heeft de insteller voorzien in bepaalde waarborgen, die de positie van de begunstigden moeten beschermen, los van de reeds bestaande wettelijke mogelijkheden die deze begunstigden hebben om uitvoering van het doel van het APV af te dwingen. Met andere woorden: een goed opgezet APV zou zodanige hindernissen moeten opwerpen tegen al te grote vrijpostigheid van de beheerder, dat deze niet in staat zou moeten zijn om te beschikken over het vermogen van het APV als ware het zijn eigen vermogen. In zoverre is de samenloop tussen het APV-regime en het beschikkingsmachtcriterium dus een wat theoretische discussie, met dien verstande dat natuurlijk mogelijk is dat dergelijke waarborgen ontbreken.23
Het is mogelijk dat de toepassing van de APV-regeling ertoe leidt dat geen toerekening voor de inkomstenbelasting plaatsvindt. Dit kan zich voordoen bij de toepassing van de toerekeningsstop van artikel 2.14a lid 7 Wet IB 2001. Voorts is denkbaar dat de inbrenger overleden is en dat er geen erfgenamen zijn die tevens begunstigde zijn of kunnen worden, zodat toerekening aan hen niet mogelijk is.24 Beide situaties zullen zich weliswaar vermoedelijk niet vaak voordoen, maar het is mogelijk dat de toepassing van artikel 2.14a Wet IB 2001 tot de conclusie leidt dat het APV-vermogen niet toegerekend kan worden en dus niet betrokken wordt in de heffing van inkomstenbelasting.25 Omdat in dat geval reeds een regeling is toegepast die tot toerekening van het vermogen kan leiden, is er mijns inziens geen ruimte meer om dan alsnog toe te rekenen op basis van een ander principe, het beschikkingsmachtcriterium.
Ten slotte is er een verschil in gevolg tussen transparantie van het APV op grond van het beschikkingsmachtcriterium en toerekening op grond van de APV-regeling voor de Wet DB. Transparantie geldt ook voor de Wet DB, maar de toerekening slechts in beperkte mate, zodat een APV opbrengstgerechtigde van een dividend kan zijn en onder omstandigheden mijns inziens ook een teruggave van dividendbelasting kan krijgen.26 Een transparante entiteit heeft die laatste mogelijkheid niet. Dit verschil is echter het gevolg van de keuze van de wetgever om de toerekening niet integraal te laten doorwerken naar de Wet DB. Eventuele onwelgevallige gevolgen daarvan moeten naar mijn mening echter worden opgelost door middel van een sluitende systematiek in de behandeling van APV’s en niet door APV’s via een omweg alsnog als transparant aan te merken.
Samenvattend is het aantal situaties waarin toerekening op grond van beschikkingsmacht tot een andere uitkomst zou leiden dan toerekening op grond van artikel 2.14a Wet IB 2001 vermoedelijk beperkt, maar kan dit zich wel voordoen. In aanmerking nemend dat de wetgever met de APV-regeling een keuze heeft gemaakt voor een bepaalde fiscale behandeling van APV’s en gezien hetgeen dienaangaande is opgemerkt in de parlementaire geschiedenis, zou de APV-regeling toerekening op grond van beschikkingsmacht naar mijn mening echter moeten uitsluiten.