Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/1.1.1
1.1.1 Aristoteles’ inzicht
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS357110:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Aristoteles, Ethica Nicomachea, V, 14, 1137a30-1138a5, vertaling Pannier & Verhaeghe 1999, p. 169-171. Van de tekst is een vertaling opgenomen in hoofdstuk 2, par. 2.1.
Het begrip epieikeia wordt verschillend vertaald: billijkheid (Hartkamp 1995, Huys 2004 (vertaling Retorica), p. 89), ‘redelijkheid-en-billijkheid’, vereenvoudigd tot redelijkheid (Hupperts & Poortman 1997 (vertaling Ethica Nicomachea), p. 192, 362), equity (Beever 2004; Kennedy 1991 (vertaling Retorica), p. 110, voetnoot 250), fairness (en uitdrukkelijk niet equity, aangezien die term verwijst naar het burgerlijk recht en epieikeia ook van belang was voor het strafrecht: Kennedy 1991 (vertaling Retorica), p. 105), ‘what is appropriate, seeming or proper’ (Shanske 2008, p. 359), Milde, Mä β igung, Anständigkeit, Gebührlichkeit, Schicklichkeit (Barta 2011, p. 75). In dit onderzoek wordt de term ‘billijkheid’ gehanteerd, die niet uitsluitend in civielrechtelijke zin is bedoeld (hierover, en over de term ‘billijkheidsuitzondering’ ook par. 1.1.2).
Zoals Plato: Hamburger 1951, p. 91, 93, 96; Kisch 1960, p. 22; Barta 2011, p. 117, 123.
Aristoteles, Retorica I, II, 13, 1374a25-1374b5, vertaling Huys 2004, p. 86. Een vertaling van deze tekst is opgenomen in hoofdstuk 2, par. 2.1.
Aristoteles, Retorica I, II, 13, 1374b10-1374b15, vertaling Huys 2004, p. 87.
Aristoteles, Politica III,16, 1287a20-a30, vertaling Hartkamp 1995, p. 134. Zie ook Bremer & Kessels 2012, p. 149. Een vertaling van deze tekst is te vinden in hoofdstuk 2, par. 2.1.
Politica IV, 4, 1292a32-35, vertaling Bremer & Kessels 2012, p. 156; zie hierover Gordon 2007, p. 242, 243; Barta 2011, p. 120, 137. Een vertaling van deze tekst is opgenomen in hoofdstuk 2, par. 2.1.
Dit inzicht over de noodzakelijke algemeenheid van wetgeving en de billijkheidsuitzonderingen om die te corrigeren, is oud. Aristoteles spreekt in zijn Ethica Nicomachea over wetgeving die op bepaalde praktijkgevallen niet is toegesneden doordat zij in algemene termen is gesteld terwijl een algemene uitspraak niet voor ieder concreet geval juist kan zijn.1 De algemeenheid is noodzakelijk, omdat de praktijk van het menselijk handelen niet in al haar diversiteit kan worden omschreven. Doet zich een geval voor waarvoor een wettelijk voorschrift niet is opgesteld, dan dient het voorschrift niet te worden toegepast; beslist moet worden zoals de wetgever zou hebben gedaan of gewild als hij het geval had gekend. Dit volgt uit de billijkheid (in het oud-Grieks:έπιείκεια, epieikeia2). Aristoteles beschouwt de billijkheid als onderdeel van het recht, anders dan anderen in zijn tijd, die een tegenstelling zagen tussen recht en billijkheid.3
Wettelijke voorschriften gelden volgens de Retorica niet voor alle gevallen waarop zij op het eerste gezicht van toepassing lijken, omdat de wetgever sommige gevallen over het hoofd ziet en voorschriften op andere niet toespitst omdat dit ze te specifiek zou maken.4 In dergelijke gevallen is er ruimte voor beslissingen volgens de billijkheid. Aristoteles legt hier ook uit wat de billijkheid is: ‘zowel begrip te hebben voor wat menselijk is, als acht te slaan niet op de wet maar op de wetgever, niet op de woorden van de wetgever maar op de gedachte erachter (…)’.5
In de Politica wordt gesteld dat het de taak van de wetgever is om algemene regels op te stellen, terwijl het aan de toepasser daarvan is om rekening te houden met de omstandigheden van het geval. Omdat wetgeving niet is geschreven voor alle gevallen, mogen toepassers de wet ‘corrigeren’ wanneer dat in hun ogen nodig is.6 Dat mag echter slechts bij uitzondering; wetgeving staat centraal.7