Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/3.3
3.3 Ontwikkelingen in het Nederlandse effectenrecht
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS577866:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. de publicaties genoemd in voetnoot 5.
De VOC was immers niet alleen de eerste in een vennootschapsrechtelijke (rechts)vorm gedreven handelscompagnie, maar deed voor zijn financiering bovendien een beroep op het publiek. De oprichting van de VOC kan daarmee worden gezien als het beginpunt van de effectenhandel.
In Hijink (2006a), p. 23-24 heb ik reeds beschreven dat ook een ruimere opvatting van 'het effectenrecht' mogelijk is en waarom naar mijn mening de voorkeur verdient het begrip 'effectenrecht' in de hierboven omschreven 'engere' betekenis te gebruiken. In art. 1:1 Wft wordt overigens, hetgeen nauw samenhangt met de reikwijdte van het effectenrecht, het begrip 'effect' in lijn met Europese regelgeving nauwer gedefinieerd dan in het verleden in art. 1, onderdeel a, Wte 1995 gebeurde. Daarover Hijink (2006a), p. 24-25. Zie over de definitie van het begrip 'effect' in de Wft: Grundmann-van de Krol (2007a), p. 29-38 en Raas (2007), p. 121-127. Over de aanpassing van de definitie van 'effect' in de Wte 1995 en daarop gebaseerde regelgeving in verband met de implementatie van de Prospectusrichtlijn: Hijink/Kuijpers/Lourens (2005), p. 224-227.
Op 27 februari 1610 besloten de Staten van Holland tot nadere regulering van de effectenmarkt door te verplichten dat verkochte aandelen binnen één maand dienden te worden geleverd. Dit zou de termijnhandel — en daarmee gepaard gaande koersfluctuaties — moeten tegengaan. Dit ingrijpen van de Staten van Holland in de handel in actiën van de VOC kan als de eerste effectenrechtelijke regelgeving worden gezien, ondanks dat de benaming 'effectenrecht' van recente datum is. Zie hierover, Frentrop (2002), p. 80-82. Zie verder Grundmann-van de Krol (2002) p. 1 en 2 en, uitgebreid, Grundmann-van de Krol (2007a), p. 4-7. Het blijkt dat problemen rondom 'short selling' van alle tijden zijn.
Zie voor een uitvoerige beschrijving van de ontwikkeling van de effectenhandel en het effectenrecht in Nederland Jap-a-Joe Blagrove (2003), p. 1-204. Zie verder Hijink (2006a), p. 25-29, met verdere verwijzingen en Vletter-van Dort (2009), p. 4-11.
Een voorbeeld daarvan is de Beschikking Beursverkeer 1946. Hierover Grundmann-van de Krol (2007a), p. 6 en uitgebreid Schukking (1947) p. 181-193.
Zie Grundmann-van de Krol (2007a), p. 7-9, die o.m. aandacht besteed aan de zelfregulering door de Vereniging voor de Effectenhandel.
De Weh gaf voorschriften op het gebied van de openbare aanbieding van effecten, de aanbieding van bemiddeling bij effectentransacties alsmede voorschriften ter zake van deelneming in beleggingsfondsen. Over de Weh: De Wind (1991), p. 91-98, Grundmannvan de Krol (2007a), p. 9-10 en Hijink (2006a), p. 26-27.
Doordat in de artikelen 4 en 7 Weh uitzonderingen werden gemaakt voor, kort gezegd, het aanbieden van beursgenoteerde effecten respectievelijk het aanbieden van bemiddeling in beursgenoteerde effecten.
Aldus de regering in de MvT bij de Weh (Kamerstukken II, 1984/1985, 18 750, nr. 3, p. 9).
In deze bewoordingen: Timmerman (2001a), p. 117-118.
Zie ook Grundmann-van de Krol (2002), p. 2 e.v. Zij beschrijft o.a. de uit deze groei voortvloeiende spanningen tussen het publiekrechtelijke gedeelte van het effectenrecht en het privaatrechtelijke gedeelte van het effectenrecht.
De belangrijkste reden hiervoor is dat het publiekrechtelijke deel van het effectenrecht, oorspronkelijk bestaande uit voorschriften die (slechts) zagen op marktordening, steeds meer voorschriften is gaan bevatten waarin regels worden gesteld aan contractuele effectenrechtelijke relaties. Vgl. Grundmann-van de Krol (2002), Hijink (2006a), p. 28-29 en Eisma (2007), p. 28-30. Een eerste voorbeeld hiervan zijn de 'zorgplichten' in het effectenrecht en de invulling daarvan door de in en bij de Wft gestelde voorschriften. Aan de opkomst van deze verplichtingen wordt in deze studie verder geen aandacht besteed; zie hierover Frielink (2002) en Van Baalen (2006), met verdere verwijzingen. Een ander voorbeeld van dergelijke 'vermenging' is het in art. 5:23, lid 6 en 7, Wft opgenomen recht voor een investeerder om naar aanleiding van algemeen verkrijgbaarstelling van een aanvullend prospectus zijn overeenkomst te ontbinden of te herroepen. Zie hierover Franx (2005b). Een derde voorbeeld kan worden gevonden in de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 25 januari 2005 (JOR 2005/68, m.nt. CMGvdK) en van 5 april 2005 (JOR 2005/126, m.nt. CMGvdK en Peters). Hierin wordt in twijfel getrokken of de AFM met het geven aan een aanwijzing privaatrechtelijke overeenkomsten kan ontbinden. In art. 1:75, lid 3 en in art. 5:25, lid 2, Wft is — in reactie op deze uitspraken — inmiddels bepaald dat een aanwijzing niet kan strekken tot aantasting van overeenkomsten. Hierover Grundmann-van de Krol (2006b), p. 394 en Grundmann-van de Krol (2007a), p. 483-486.
De STE werd op 25 juli 1988 opgericht, Stc. 25 juli 1988. Zie ook de MvT bij de Wte (Kamerstukken II, 1988/1989, 21 038, nr. 3, p. 12-14). Als gevolg van o.m. 'de hervorming van het toezicht' van sectoraal toezicht naar functioneel toezicht is het takenpakket van de vroegere STE uitgebreid van 'effectentoezichthouder' tot 'gedragstoezichthouder' en de naam van de STE per 1 maart 2002 gewijzigd in AFM. Hierover: de kabinetsnota 'Hervorming toezicht' van november 2001.
Ministeriële beschikking van 24 januari 1989, nr. 88/784, Stc. 1 februari 1989.
Andere uitbreidingen van de toezichttaken van de AFM, waaronder het toezicht op accountantsorganisaties, blijven in deze studie verder onbesproken.
Door inwerkingtreding van de Wet implementatie Prospectusrichtlijn. Deze wet leidde tot aanpassingen van de Wte 1995 en is thans geïncorporeerd in hoofdstuk 5.1 van de Wft. Op grond hiervan houdt de AFM toezicht op de voorschriften omtrent alle aanbiedingen van effecten aan het publiek in Nederland en toelatingen van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland.
Op grond van de Wet marktmisbruik. Ook de Wet marktmisbruik voorzag in eerste instantie in wijzigingen van de Wte 1995. De bepalingen zijn thans opgenomen in hoofdstuk 5.4 van de Wft.
Op basis van art. 178 van de Invoerings- en aanpassingswet Wft zijn de bepalingen in de Wte 1995 die verband hielden met openbare biedingen op effecten (hoofdstuk HA van de Wte 1995) alsmede het door de Wtfv ingevoegde art. 5a Wte 1995 overigens niet per 1 januari 2007 ingetrokken. Inmiddels is dit, door de inwerkingtreding van Ovemamewet, met hoofdstuk HA van de Wte 1995 wel gebeurd. Art. 5a van de Wte 1995 is ingetrokken per 1 januari 2010, als gevolg van de overgangsbepaling in het Inwerkingtredingsbesluit van de Wet tot implementatie van de Transparantierichtlijn, Enig artikel, lid 2. Over de Wft o.m. Vletter-van Dort (2006).
Zie in dit verband Grundmann-van de Krol (2007a), p. 1-2. Zij merkt op dat de Wft met haar nieuwe benamingen de vraag doet rijzen of handhaving van de benaming 'effectenrecht' juist is voor zover daaronder meer verstaan wordt dan het aanbieden van effecten alsmede het adviseren over en het bemiddelen in effectentransacties.
Zie daarover mijn opmerkingen in Hijink (2007c).
Slechts bij de bespreking van de doelstellingen van het Nederlandse effectenrecht, hierna in hoofdstuk 4, kom ik hierop kort terug. Daarnaast zal in deze studie de term 'effectenrecht' toepassing blijven vinden en dient dat, als gezegd, te worden opgevat in de hierboven reeds omschreven 'enge' betekenis.
Door de Overnamewet, welke in werking trad op 28 oktober 2007.
Wet implementatie MiFID, welke in werking trad op 1 november 2007.
Door de Wet tot implementatie van de Transparantierichtlijn.
Kamerstukken II, 2008/2009, 32 036; het voornemen om de Wft periodiek te wijzigen wordt genoemd op p. 1 van de MvT (Kamerstukken II, 2008/2009, 32 036, nr. 3).
Een voorbeeld daarvan zijn is het eerder genoemde Wetsvoorstel Frijns.
Door de Wet tijdelijke voorschriften ter bevordering van ordelijke en transparante financiële-marktprocessen en de stabiliteit van de financiële sector. Deze wet trad in werking trad op 11 oktober 2008, maar kent terugwerkende kracht tot en met 1 oktober 2008 (en op één onderdeel — de aanpassing van artikel 5:58 lid 3 Wft — zelfs tot en met 1 januari 2007).
Vgl. Hijink (2009c), p. 413-415. Zie over deze wijziging van de Wft ook de kritiek van Doorenbos (2008a), aan wiens bijdrage overigens de term 'crisiswet' is ontleend.
Kamerstukken II, 2008/2009, 31 724, nr. 3, p. 4.
Vgl. resp. p. 1 en 4 van de MvT (Kamerstukken II, 2008/2009, 31 724, nr. 3).
Zie in dit verband reeds mijn kanttekening over de omschrijving van hetgeen in de optiek van de wetgever 'het gedragstoezicht' behelst — hetgeen de basis vormt van de taakomschrijving van de AFM — in Hijink (2007c), op p. 153.
Vgl. Doorenbos (2008a), die — terecht — ook in twijfel trekt of toekenning van deze bevoegdheid niet strijdig is met de Richtlijn Marktmisbruik en het daaraan ten grondslag liggende principe van volledige harmonisatie. Zie verder kritisch over deze wetswijziging: Corten/Sinninghe Damsté (2008), in het bijzonder p. 288-290.
Als beginpunt van de ontwikkeling van het Nederlandse vennootschapsrecht wordt doorgaans gewezen op het ontstaan van de VOC.1 Ook het beginpunt van de ontwikkeling van het Nederlandse effectenrecht kan echter aan het ontstaan van de VOC worden verbonden.2 Zeker indien het (Nederlandse) effectenrecht — zoals ik in deze studie zal doen — wordt gezien als "het recht dat de verhouding regelt tussen instellingen die aandelen en/of obligaties uitgeven en degenen die, omdat zij deze effecten aan- en verkopen, in deze instellingen investeren."3 De effectenhandel heeft gedurende lange tijd op weinig aandacht van de overheid "mogen" rekenen. Weliswaar werd in 1610 regelgevend ingegrepen door de Staten van Holland.4 Daarna ontstond eerst in 1914 enige hernieuwde overheidsbemoeienis met het effectenwezen door de inwerkingtreding van de Beurswet van 1914.5 Deze wet was in eerste instantie bedoeld als noodwetgeving, maar is pas ingetrokken door de inwerkingtreding van de (eerste) Wte in 1992.6 Tot de jaren tachtig van de vorige eeuw bleef vervolgens het merendeel van de regelgeving op het terrein van het effectenrecht, op enkele uitzonderingen7 na, van privaatrechtelijke of zelfregulerende aard.8
Terwijl vanaf 1979 de eerste Europese richtlijnen op het terrein van het effectenrecht werden vastgesteld, trad in Nederland in 1986 met de Wet effectenhandel — de Weh — de eerste meer omvattende publiekrechtelijke regeling op het gebied van het effectenverkeer in werking.9 Primair was de Weh gericht op regeling van het effectenverkeer buiten de beurs.10 De Weh was zo ontworpen "dat zij later kan opgaan in de voor ogen staande meer omvattende regeling van het effectenwezen en herziening van de beurswetgeving."11 Deze meer omvattende regeling werd in 1992 ingevoerd in de vorm van de Wte.12 De (eerste) Wte is geen rustig bezit gebleken en is op 31 december 1995, met name als gevolg van de implementatie van een tweetal Europese richtlijnen, vervangen door de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995). Het Nederlandse effectenrecht heeft zich sindsdien ontwikkeld tot een zelfstandig rechtsgebied.13
Hoewel het Nederlandse effectenrecht van origine kon worden gekenschetst als bestaande uit een privaatrechtelijke en een publiekrechtelijke pijler, is met name de omvang van de laatstgenoemde pijler de afgelopen decennia stormachtig gegroeid.14 Daarbij zijn de scheidslijnen tussen beide "pijlers" vervaagd en heeft — zoals in de literatuur terecht is bekritiseerd — "vermenging van het publiekrechtelijke en het privaatrechtelijke gedeelte van het Nederlandse effectenrecht" plaatsgevonden.15 De ontwikkeling van de publiekrechtelijke pijler van het effectenrecht is gepaard gegaan met de ontwikkeling van een (publiekrechtelijke) toezichthouder die toezicht houdt op de naleving van de publiekrechtelijke voorschriften. Daartoe werd in 1988 de STE opgericht, sinds 1 maart 2002 de AFM geheten.16 Aan de (rechtsvoorganger van) de AFM werd vanaf 1 februari 1989 door de Minister van Financiën het dagelijks toezicht op effectenbeurzen uit hoofde van de Beurswet 1914 werd overgedragen.17
Het door de AFM uit te oefenen toezicht is sedert 1989 fors uitgebreid.18 Relevant in het kader van deze studie19 zijn de uitbreidingen van de toezichtstaak van de AFM tot het houden van toezicht op de naleving van de prospectusplicht sinds 1 juli 200520 en op de naleving van de verplichting om onverwijld voorwetenschap openbaar te maken sinds 1 oktober 2005.21 Verder heeft de AFM sinds 31 december 2006 een rol — doch niet een louter publiekrechtelijke vormgegeven rol — bij het toezicht op de naleving van de inrichtingsvoorschriften voor de financiële verslaggeving op grond van de Wtfv.22 Op 1 januari 2007 is de Wte 1995, nadat zij iets langer dan één decennium heeft bestaan, grotendeels ingetrokken en vervangen door de Wft.23 Het Nederlandse effectenrecht is daarmee — ook letterlijk — een onlosmakelijk onderdeel geworden van, en vervlochten met, de "toezichtswetgeving financiële markten".24 Of dat voor de regulering van activiteiten van beursvennootschappen, hetgeen naar mijn mening de kern van het "echte" effectenrecht is, in alle opzichten een wenselijke ontwikkeling is kan naar mijn mening overigens worden betwijfeld.25 In deze studie wordt hieraan verder nauwelijks aandacht geschonken.26
De Wft is sinds haar inwerkingtreding al weer enige malen gewijzigd. Genoemd kunnen worden de wijzigingen in 2007 van (vooral) hoofdstuk 5.5 van de Wft in verband met de implementatie van de Overnamerichtlijn27 en de ingrijpende wijzigingen in verschillende Wft delen die de implementatie van de MiFID met zich bracht.28 Verder trad op 1 januari 2009 het nieuwe hoofdstuk 5.1a Wft in werking, waarmee de resterende onderdelen van de Transparantie-richtlijn ook in de Nederlandse wet- en regelgeving zijn geïmplementeerd.290p 1 januari 2009 werd de Wft gewijzigd door de Reparatiewet Wft en per 1 augustus 2009 door de Wet wijziging boetestelsel financiële wetgeving. Hier zal het niet bij blijven. Door het ministerie van Financiën is het voornemen geuit de Wft periodiek te wijzigen. Zo is in het najaar van 2009 het voorstel voor de Wijzigingswet financiële markten 2010 in het parlement behandeld30 en werd op 6 november 2009 een volgend voorstel tot wijziging van de Wft onder de noemer van "Wijzigingswet financiële markten 2011 — ter consultatie gepubliceerd.31 Ook wordt de Wft door een aantal aanhangige wetsvoorstellen in meer of mindere mate gewijzigd.32 Aandacht verdient ten slotte dat de Wft in 2008, bijna letterlijk "op een achternamiddag", is gewijzigd in verband met de in de loop van 2008 in volle hevigheid losgebarsten kredietcrisis.33 Gegeven de wens om de financiële toezichthouders in verband met deze crisis meer bevoegdheden toe te kennen, voorziet deze "crisiswet" in een vergaande — en praktisch ongeclausuleerde bevoegdheid voor DNB en de AFM om "in geval van bijzondere omstandigheden" tijdelijke algemeen verbindende voorschriften vast te stellen.34 Deze aanpassing van de Wft heb ik eerder bekritiseerd. Die kritiek spitste zich toe op het ontbreken van elke vorm van preventieve (afgeleide) parlementaire controle op de uitoefening van deze bevoegdheid door de toezichthouder.35 Zo is in de toelichting op deze aanpassing opgemerkt dat het (slechts) "in de rede [ligt] dat waar mogelijk voorafgaand overleg met de minister [van Financiën] plaatsvindt."(cursv. J.B.S.H.).36 Een tweede element van het praktisch volledig ontbreken van clausulering van deze bevoegdheid is dat op geen enkele wijze een nadere invulling wordt gegeven van hetgeen moet worden verstaan onder "bijzondere omstandigheden". De beperkte toelichting die wordt gegeven bestaat uit de weinig richting gevende zinsneden dat dergelijke omstandigheden zich kunnen voordoen "ten tijde van grote volatiliteit van de koersen die het risico van onbeheerste druk op de financiële markten met zich brengt", "bij grote en onbeheerste marktbewegingen die tot ernstige onrust in de financiële sector leiden" of "bij andere ontwikkelingen die de stabiliteit van de financiële sector betreffen."37 De opmerking op p. 2 van de MvT dat "aanwending van deze speciale bevoegdheid te allen tijde binnen de taakomschrijving van de toezichthouders dient te blijven", biedt daarbij evenmin enige clausulering. De in de artikelen 1:24 en 1:25 Wft opgenomen taakomschrijvingen van de financiële toezichthouders zijn immers eveneens zeer ruim en nietszeggend.38 De Tijdelijke AFM-Regeling inzake Melding van Short Posities van 27 mei 2009 schept wat dit betreft weinig vertrouwen, nu blijkt dat ook de AFM geen aandacht besteed aan de vraag waarom sprake is van (aanhoudende) "bijzondere omstandigheden". Met de aanpassing van de Wft in 2008 in verband met de kredietcrisis is aan de AFM eveneens een vaststellingsbevoegdheid toegekend over de reikwijdte van het in art. 5:58 Wft opgenomen verbod van marktmanipulatie.39 Met recht is — ook — dit onderdeel van deze aanpassing van de Wft in de literatuur bekritiseerd.40