Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/7.3
7.3 Hoe ruim is de margin of appreciation in belastingzaken?
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197407:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 3.4.4.
EHRM 20 september 2011, nr. 14902/04 (OAO Nefyanaya Kompaniya Yukos), par. 566, EHRC 2011/160 m.nt. Wessels.
EHRM 14 mei 2013, nr. 66529/11 (N.K.M. v. Hungary), EHRC 2013/170 m.nt. Leijten, par. 49.
Zie bijvoorbeeld HR 23 december 2016, nr. 15/02137, BNB 2017/63, r.o. 2.4.6.
Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad over de crisisheffing HR 29 januari 2016, nr. 15/00340, BNB 2016/163 (m.nt. Happé), r.o. 2.3.4 en het daarop volgende arrest EHRM 7 december 2017, nr. 46184/16 (P. Plaisier B.V. and 2 other applicants v. The Netherlands), r.o. 71.
Het belangrijkste instrument om het staatsbelang te wegen bij de toetsing van de fair balance (en ook bij de toetsing van de legitimate aim) is de margin of appreciation die het EHRM toekent aan de lidstaten bij (i) het bepalen van de doelstellingen van het Staatbeleid en (ii) hoe de Staat die doelstellingen wil bereiken. Het EHRM stelt zich met name terughoudend op als het overheidsmaatregelen moet beoordelen die liggen op het terrein van de sociale of economische politiek, waaronder belasting- en sociale-zekerheidmaatregelen. Hij geeft de Staat op die vlakken in vaste rechtspraak een (particularly) wide margin of appreciation.1 Uit twee arresten van het EHRM zou afgeleid kunnen worden dat het EHRM op belastinggebied een nog grotere beoordelingsvrijheid aan de lidstaten geeft dan in het algemeen op sociaal-economisch terrein en dus nog marginaler toetst dan in bijvoorbeeld subsidie,- uitkerings- of staatpensioenzaken. In de belastingzaak Yukos2 maakte het EHRM namelijk melding van een “exceptionally wide margin of appreciation” en in N.K.M. Hungary3 van een “particularly broad margin of appreciation”. De Nederlandse Hoge Raad heeft kennelijk in navolging van deze arresten een paar keer overwogen dat aan de wetgever op belastinggebied een zeer ruime beoordelingsmarge toekomt.4
Het is echter de vraag of het EHRM met zijn afwijkende formuleringen in Yukos en N.K.M. over de margin of appreciation een wijziging heeft beoogd ten opzichte van zijn eerdere rechtspraak. Ik meen dat dat niet het geval is, omdat het EHRM en de Hoge Raad in latere rechtspraak steeds de term “wide margin of appreciation” weer zijn gaan gebruiken in belastingzaken.5 Hoe dan ook valt moeilijk in te zien wat het verschil in toetsing zou zijn als de beoordelingsvrijheid “exceptionally wide”, “particularly broad” of “wide” is. Ik kan mij slecht voorstellen dat het voor de beoordeling van de fair balance uitmaakt welke van deze maatstaven de rechter zegt aan te leggen. Het toetsen van de fair balance is geen mathematische exercitie, maar een rechterlijke waardering van feiten, omstandigheden, belangen en politieke doelstellingen. Opmerkelijk is dat het EHRM juist in twee belastingzaken waarin hij (wel) een schending van artikel 1 Eerste Protocol constateerde, de maatstaf van een exceptionally of particularly ruime beoordelingsvrijheid op belastinggebied aanlegde. Wellicht wilde hij daarmee de ernst van de in die zaken geconstateerde schendingen benadrukken of duidelijk maken dat hij echt niet verdacht kon worden van het opzoeken van grenzen in deze beide politiek en publicitair uiterst gevoelige zaken: zelfs als wij extreem terughoudend rechterlijk toetsen, zien wij nog steeds een duidelijke schending van art. 1 Eerste Protocol. Hoe dan ook denk ik dat er, gelet op het voorgaande, geen precedentwerking toekomt aan de afwijkende kadering van de margin of appreciation in Yukos en N.K.M., behalve wellicht voor vergelijkbare uiterst politieke en exposed zaken met vergelijkbare enorme financiële of bestuurlijke belangen.