Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.2.1.2
5.2.1.2 Autonomie en verwijtbaarheid
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715375:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: Ashworth & Horder 2013, p. 64.
Sorell 2017, p. 712; Brouwer 1999, p. 194. Anders dan de communitarist gelooft de liberaal niet dat voorzienbaarheid ook kan voortvloeien uit het rechtsgevoel van de samenleving.
Kristen 2011, p. 316; Nan 2011, p. 242; Roxin 1997, p. 104 en 125; Groenhuijsen & Van der Landen 1990, p. 14; De Roos 1987, p. 74; Heijder 1979, p. 141; Schünemann 1978, p. 15; Schreiber 1976, p. 209. Die stelling wordt ook wel met een beroep op de menselijke waardigheid onderbouwd (Schreiber 1976, p. 210). Die redenering leiden Groenhuijsen en Schreiber tot Cicero terug (Groenhuijsen 2002, p. 26; Schreiber 1979, p. 211). Cicero zou zelfs – vooruitlopend op het tweede lid van artikel 7 EVRM – een uitzondering hebben gemaakt voor intrinsiek boosaardige handelingen. Voor verwijtbaarheid is naar Duits recht echter, zoals Schünemann opmerkt, alleen duidelijkheid over de norm nodig en geen duidelijkheid over de straf (Schünemann 1978, p. 15). Dat lijkt ook naar Nederlands recht te gelden; rechtsdwaling ziet alleen op dwaling omtrent de wederrechtelijkheid, irrelevant is om welk feit het precies gaat (vgl. De Hullu 2021, p. 357 onder verwijzing naar HR 14 september 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC3695). Het lex certa-beginsel gaat wat dat betreft dus verder dan het schuldbeginsel vereist (vgl. ook: Schreiber 1976, p. 211).
De opmerking van Schreiber dat het legaliteitsbeginsel historisch niet op het schuldbeginsel werd gefundeerd, maar op het idee van machtenscheiding (Schreiber 1976, p. 210-211) neem ik in zoverre voor kennisgeving aan dat het mij er hier niet om gaat vast te stellen wat al dan niet historisch de gedachte achter het legaliteitsbeginsel was, maar welke principes het beginsel zouden kunnen dragen.
De Hullu 2021, p. 356; Brouwer 1999, p. 195.
Groenhuijsen & Kristen 2001, p. 345. “De wet stempele dus alleen als misdrijf opzettelijk gepleegde handelingen, van welke het ieder normaal ontwikkeld mensch duidelijk moet zijn dat zij in strijd zijn met de zedelijke en maatschappelijke orde” (Smidt 1891a, p. 77). De wetgever van 1886 wilde om vergelijkbare redenen niet van boos opzet weten: als strafbaarheid af zou hangen van de vraag of de dader wist dat hij strafwaardig handelde, zou het strafrecht haar objectiviteit verliezen (Groenhuijsen & Kristen 2001, p. 334; Smidt 1891a, p. 77).
Schaffmeister 1991a, p. 166; Strijards 1988, p. 18. Zie ook: Ashworth 1991, p. 427. In de woorden van Groenhuijsen en Kristen: duidelijkheid voor de rechter betekent nog niet kenbaarheid voor de burger (Groenhuijsen & Kristen 2001, p. 346). Zie ook: EHRM 25 november 1997, ECLI:CE:ECHR:1997:1125JUD002434894 (Grigoriades v. Griekenland), par. 38.
Altena 2016, p. 43; Brouwer 1999, p. 195.
Strijards 1988, p. 18; Dupont 1979, p. 51. Vanuit deze gedachte rijst wel de vraag of ook twijfel over de strafhoogte een reden voor rechtsdwaling kan zijn. Zie voetnoot 1660.
Altena 2016, p. 43; Schreiber 1976, p. 215-216.
Kristen 2011, p. 325; Groenhuijsen & Kristen 2001, p. 343. De Hoge Raad kijkt bijvoorbeeld ook vooral naar de tekst van de strafbepaling (Groenhuijsen & Kristen 2001, p. 342). Dat zou ook aansluiten bij het wetsbegrip van artikel 1 Sr, dat ervoor zorgt dat het lex certa-beginsel zowel voor de wet in formele zin als voor de wet in materiële zin geldt, zodat verduidelijking door middel van jurisprudentie onduidelijke strafbepalingen niet zou kunnen redden (Groenhuijsen & Kristen 2001, p. 345). Groenhuijsen en Kristen contrasteren dit met het EHRM, dat onder omstandigheden ook maatschappelijke opvattingen over de inhoud van de bepaling meeweegt. De benadering van de Hoge Raad past wat dat betreft beter bij een liberale invulling van het legaliteitsbeginsel, terwijl de benadering van EHRM meer aansluit op een communitaristische interpretatie (zie §5.3).
Zo ook: Borgers 2008, p. 193.
Altena 2016, p. 40-41 en 43; Ashworth & Zedner 2014, p. 114; Ashworth & Horder 2013, p. 64-65; Schreiber 1976, p. 214 en 216. Vgl. Loth 1999, p. 212. Vgl. ook: Hart 2008, p. 49. Dat is ook in lijn met Van Dijks controleprincipe (Van Dijk 2008, p. 159-163).
Borgers 2008, p. 193; Roxin 1997, p. 104.
Brouwer 1999, p. 195.
Hoewel vanuit het oogpunt van staatsmachtbeperking dus niet ieder vaag bestanddeel problematisch is, vormt staatsmachtbeperking niet de enige reden om in een liberaal strafrecht duidelijke strafbepalingen te vereisen. Een tweede argument is dat enkel duidelijke wetten de autonomie van burgers zouden respecteren.1 Slechts indien alle strafbare gedragingen vooraf duidelijk zijn omschreven, kan iedere burger immers weten wanneer zijn gedrag tot aansprakelijkheid leidt, zodat hij zelf de controle heeft over het intreden van aansprakelijkheid, zo is de gedachte.2 Direct in het verlengde daarvan ligt het argument dat het slechts mogelijk is iemand een verwijt te maken, als diegene van tevoren wist (of in ieder geval redelijkerwijs had kunnen weten) dat hetgeen hij deed verboden was.3 Zo is ook het schuldbeginsel nauw met het lex certa-beginsel verbonden.4 Daar komt nog bij dat de juridische vooronderstelling dat iedereen wordt geacht de wet te kennen, onhoudbaar wordt als burgers de wet niet kunnen begrijpen.5 De strafwet moet daarom ook te begrijpen zijn voor mensen zonder rechtenopleiding.6 Het ligt dan voor de hand om zoveel mogelijk aan te sluiten bij het algemeen taalgebruik en onnodig juridisch jargon te vermijden.7
Centraal in de liberale benadering staat dus een objectieve interpretatie van rechtszekerheid, die nauw samenhangt met het liberale mensbeeld, waarin autonomie een belangrijke rol speelt.8 Het gaat hier om het welbekende mensbeeld van de rationeel handelende homo economicus, die na afweging van alle relevante informatie de meest voordelige keuze maakt en er zodoende bewust en vrijwillig voor kiest de wet te overtreden en zich bloot te stellen aan (de kans op) bestraffing.9 De door het lex certa-beginsel vereiste duidelijkheid kan in dit licht worden gezien als een manier om maximale informatietransparantie te realiseren die een autonome beslissing mogelijk maakt waar iemand voor verantwoordelijk kan worden gehouden. Vanuit deze visie is niet zozeer relevant wat een dader in een concreet geval daadwerkelijk wist over de grenzen van strafbaarheid; het gaat om wat hij had kunnen weten als hij de wet had geraadpleegd. In die zin gaat het hier om een objectieve vorm van voorzienbaarheid.10 Daardoor ligt de nadruk op de duidelijkheid van de tekst van de wetsbepaling en het belang van het zo nauwkeurig én eng mogelijk formuleren van de voorwaarden voor overheidsingrijpen.11
Aan het voorgaande doet nadrukkelijk niets af dat verdachten in de praktijk het wetboek er niet op na zullen slaan om na te gaan of hun voorgenomen gedraging strafbaar is.12 Het punt is namelijk niet dat burgers zich in de praktijk daadwerkelijk als autonoom, vrij en rationeel handelend homo economicus gedragen, maar dat zij, gelet op hun menselijke waardigheid en autonomie, de mogelijkheid moeten hebben om dat te kunnen doen en op die manier uit handen van de bestraffende overheid moeten kunnen blijven.13 Burgers die willen weten of ze in een bepaald geval strafbaar zullen zijn, moeten dat kunnen controleren.14 Dat is een principieel, normatief standpunt en geen empirische claim. Brouwer verwoordt dat mooi: “[wie] een ander onderwerpt aan een norm die niet van tevoren kenbaar is, behandelt die ander louter als middel ter bereiking van de eigen doeleinden. Men ontneemt zo iemand de mogelijkheid om zelf te kiezen en behandelt hem of haar niet als persoon.”15