Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/VIII.11.2
VIII.11.2 Het belang van het informatierecht voor de cessionaris/pandhouder; grondslag
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS361240:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a.: HR 4 december 1998, NJ 1999, 549, m.nt. WMK (Potharst/Serrée).
Denk bij dit laatste aan informatie over de opeisbaarheid van de vordering, rentecondities, nevenrechten en het bestaan van verweermiddelen.
Na de mededeling van cessie of verpanding dient de schuldenaar aan de cessionaris resp. de pandhouder te betalen. In geval van een stille cessie of verpanding is de cessionaris/pandhouder ook tijdens het faillissement van de cedent/pandgever nog bevoegd om mededeling te doen. Met betrekking tot betalingen die door de curator voor de mededeling worden ontvangen, heeft de cessionaris verhaal op de boedel. Het betreft een concurrente boedelschuld. Indien er sprake is van een negatieve boedel, zal de cessionaris hoogstens een gedeelte van zijn vordering ontvangen. Zie hiervoor: nr. 505. In geval van stille verpanding geldt dat de pandhouder zijn voorrang op het door de curator geïnde behoudt. Wel deelt hij mee in de omslag van de faillissementskosten en ontvangt hij pas een uitkering nadat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden. In geval van een negatieve boedel ontvangt hij niets. Zie HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471, m.nt. WMK (Mulder q.q./CLBN) en HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96, m.nt. Verstijlen (Hamm q.q./ABN-AMRO).
Vgl. bijvoorbeeld de casus die ten grondslag lag aan het arrest Wagemakers q.q./Rabobank Roosendaal (NJ 1998, 362).
Zo ook: Busch 2003, p. 120.
Zie Wiarda 1937, p. 285 e.v.
Zo ook: Verdaas 2008, nr. 257 en de conclusie van A-GWuisman voor HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96, m.nt. Verstijlen (Hamm q.q./ABN-AMRO), onder nr. 2.4.
Zie HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96, m.nt. Verstijlen (Hamm q.q./ABN-AMRO).
Zo ook: Struycken & Van Zanten 2010, p. 63-64. Vgl. Verdaas 2008, nr. 257.
De wetgever lijkt er niet bij te hebben stil gestaan dat ook de pandhouder belang kan hebben bij de op de vordering en de nevenrechten betrekking hebbende bewijsstukken. Gelet op de (functionele) gelijkenis tussen de figuur van de cessie en de verpanding van vorderingen komt de bepaling naar mijn mening voor analoge toepassing in aanmerking.
Op grond van art. 3:15i BW is elk bedrijf en elke zelfstandige beroepsbeoefenaar gehouden een administratie te voeren ten aanzien van zijn vermogenstoestand. De wet bevat geen sanctie op niet-nakoming van een bevel tot openlegging. Voldoet de cedent/pandgever niet aan het bevel, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht (art. 162 lid 2 Rv).
Zowel binnen als buiten een geding. Zie Burgerlijke Rechtsvordering (Rutgers), Art. 843a, aant. 3.
Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.
Waar het om gaat is dat de cessionaris/pandhouder of diens rechtsvoorganger (de cedent/pandgever) partij is bij de rechtsbetrekking waarvan het opgevorderde bescheid de neerslag vormt. In geval van cessie geldt dat de cessionaris als gevolg van schuldeisersvervanging partij wordt bij de verbintenis waarvan de vordering de actiefzijde vormt. Bovendien is de cedent in veel gevallen als rechtsvoorganger partij bij de rechtsverhouding waaruit de vordering voortvloeit. In geval van verpanding geldt enkel het laatste. Verpanding van een vordering impliceert immers niet een schuldeisersvervanging. Hoewel dit niet geheel duidelijk is, kan de pandgever mijns inziens voor toepassing van art. 843a Rv als de rechtsvoorganger van de pandhouder worden aangemerkt.
Zie voor deze opvatting: Ophof 1994, p. 335 en Keukens 2009, p. 35-36. Vgl. voorts: Keukens & Wibier 2007, p. 903-904 en Damkot 2010, p. 166-167.
Vgl. o.a.: HR 20 september 2002, NJ 2004, 182, m.nt. WMK (Mulder q.q./Rabobank Alphen aan den Rijn) en HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96, m.nt. Verstijlen (Hamm q.q./ABN-AMRO). Zie ook hierna: nr. 833 in verband met de aan het bewijs van een generieke cessie of verpanding te stellen eisen.
825. De cessionaris/pandhouder dient toegang te hebben tot de gegevens die van belang zijn voor de uitoefening van zijn recht. In verband met de uitoefening van zijn recht is het voor de cessionaris of pandhouder van groot belang dat hij toegang heeft tot voldoende gegevens om de aan hem gecedeerde of verpande vordering nader te kunnen bepalen. Dit is ten eerste van belang om zijn recht ten opzichte van derden (waaronder de curator in het faillissement van de cedent/pandgever) te kunnen bewijzen. Uitgangspunt is immers dat voor het slagen van een “zakelijke” actie uit hoofde van een goederenrechtelijk recht, de rechthebbende stelt en zo nodig bewijst op welk goed zijn goederenrechtelijk recht betrekking heeft.1
Ten tweede zal het in verband met het beheer en de inning van de vordering van belang zijn dat de cessionaris/pandhouder beschikt over de persoons- en adresgegevens van de schuldenaar en overige gegevens die van belang zijn voor de uitoefening van zijn recht.2 In geval van een nog niet medegedeelde cessie of verpanding zal de cessionaris/pandhouder de cessie of verpanding zelfstandig moeten kunnen mededelen en de vordering vervolgens zelfstandig moeten kunnen innen, zonder daarvoor afhankelijk te zijn van de medewerking van de cedent/pandgever. Door in geval van (een dreigende) insolventie van de cedent/pandgever zo spoedig mogelijk mededeling te doen, stelt de cessionaris/pandhouder zijn aanspraken op de betalingen van de schuldenaar veilig.3
Ten derde kan het ook in geval van een dispuut met de schuldenaar noodzakelijk zijn dat de cessionaris/pandhouder toegang heeft tot relevante gegevens, zodat hij ten opzichte van de schuldenaar het bestaan en de omvang van de vordering kan bewijzen.
Een belangrijke vraag in dit verband is of de cedent/pandgever gehouden is de cessionaris/pandhouder de benodigde gegevens over de vordering te verschaffen, bijvoorbeeld door de cessionaris/pandouder inzage te verlenen in zijn administratie.
Wat betreft het bewijs van de cessie of de verpanding kan onder meer worden gedacht aan het geval dat een of meer vorderingen in de akte of een daarbij behorende (computer)lijst onjuist of onvolledig zijn aangeduid en dat de cessionaris/pandhouder de administratie van de cedent/pandgever wil inzien om te kunnen aantonen dat de cedent/pandgever met de (onjuiste) omschrijving een andere vordering op het oog moet hebben gehad.4
Verder is de vraag van belang in geval van een generieke cessie of verpanding, waarbij de cessionaris of de pandhouder (vooralsnog) geen lijsten ter hand zijn gesteld waarop de vorderingen en rechtsverhoudingen voldoende worden gespecificeerd. In dat geval zal alleen aan de hand van de administratie van de cedent/pandgever kunnen worden vastgesteld welke vorderingen precies zijn gecedeerd of verpand. Voorts zal in verband met de grondslageis van de artikelen 3:94 lid 3 en 239 lid 1 BW moeten worden vastgesteld welke vorderingen en rechtsverhoudingen ten tijde van de (laatste) cessie of verpanding reeds bestonden en welke niet en, in verband met het bepaalde in art. 35 lid 2 Fw, dat de vorderingen voor een mogelijk faillissement van de cedent/pandgever zijn ontstaan. Dit kan ook van belang zijn in het geval de cessionaris/pandhouder wel cessie- of pandlijsten zijn verschaft. Bovendien kan de cessionaris/pandhouder inzage in de administratie van de cedent/pandgever wensen om na te gaan of de lijsten juist en compleet zijn of om meer gegevens van de vorderingen te kunnen verkrijgen, bijvoorbeeld in verband met bepaalde verweren die door de schuldenaar worden gevoerd.
In geval van een openbare cessie of verpanding zal in het bijzonder van belang zijn dat de cessionaris/pandhouder bewijst dat er mededeling van de cessie/verpanding is gedaan. Ook daarvoor kan inzage in de administratie van de cedent/pandgever gewenst zijn, bijvoorbeeld om na te gaan of de aan de schuldenaren toegezonden facturen een mededeling van cessie bevatten. Voorts kan het zijn dat de schuldenaar is medegedeeld dat hij ondanks de cessie of verpanding behoudens tegenbericht bevrijdend kan blijven betalen aan de cedent/pandgever. Ook in dat geval zal de cessionaris/pandhouder de beschikking moeten hebben over de persoons- en adresgegevens om de schuldenaar te kunnen mededelen dat hij voortaan aan de cessionaris/pandhouder dient te betalen.
826. Een contractueel bedongen informatierecht. In de meeste gevallen zal de cessie- of pandakte, de overeenkomst die tot de cessie of verpanding verplicht of de daarbij behorende algemene voorwaarden, met zoveel woorden een verplichting voor de cedent/pandgever bevatten om de cessionaris/pandhouder te voorzien van alle documenten en gegevens die naar het oordeel van de cessionaris/pandhouder nodig zijn om hem in staat te stellen de vordering en zijn recht daarop ten opzichte van de schuldenaar en derden te bewijzen, om mededeling van de cessie/verpanding te doen en om zijn recht ten opzichte van de schuldenaar en derden uit te oefenen.
Ook indien geen informatierecht is bedongen, brengt een redelijke uitleg van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding over het algemeen met zich, dat de cedent/pandgever gehouden is de benodigde informatie te verschaffen.5 De cedent is gehouden de cessionaris het volle genot van de gecedeerde vordering te doen toekomen. Dit impliceert dat hij de cessionaris in staat dient te stellen de gecedeerde vordering uit te oefenen.6 Hetzelfde kan worden aangenomen voor de verpanding van een vordering. De pandgever dient de pandhouder in staat te stellen zijn pandrecht, indien nodig, uit te oefenen.7 Een dergelijke verplichting heeft in ieder geval obligatoire werking en kan in rechte worden afgedwongen.
827. Een informatierecht van goederenrechtelijke aard. Met betrekking tot de stille verpanding van vorderingen op naam heeft de Hoge Raad inmiddels geoordeeld dat reeds uit de aard en strekking van het stil pandrecht zelf voortvloeit dat de pandgever (en ook diens faillissementscurator) gehouden is de pandhouder alle gegevens te verstrekken die hij nodig heeft om het pandrecht te kunnen mededelen en de vordering te kunnen innen.8 Het betreft een verplichting van goederenrechtelijke aard waarop in § 11.3.3 uitvoerig zal worden ingegaan. Zoals daar zal worden uiteengezet bestaat eenzelfde ‘zakelijke’ verplichting in geval van openbare verpanding en stille en openbare cessie.
828. Art. 6:143 BW. Voorts kan worden gewezen op art. 6:143 lid 1 BW dat bepaalt dat in geval van overgang van een vordering de vorige schuldeiser verplicht is om aan de nieuwe schuldeiser de op de vordering en op de nevenrechten betrekking hebbende bewijsstukken af te geven. Indien de vorige schuldeiser belang behoudt bij een bewijsstuk, is hij slechts gehouden om op verlangen van de nieuwe schuldeiser en op diens kosten een afschrift of uittreksel af te geven. Naar mijn mening komt ook de pandhouder een beroep op deze bepaling toe,9 zij het dat het in geval van verpanding voor de hand ligt dat de pandgever belang blijft behouden bij de bewijsstukken.10
De bepaling kan bijvoorbeeld worden ingeroepen, indien de cessionaris/pandhouder ten opzichte van de schuldenaar het bestaan, de inhoud en de omvang van de vordering wil bewijzen. De bewijsstukken, zoals een op schrift gestelde overeenkomst, zullen vaak ook de adres- en persoonsgegevens van de schuldenaar bevatten. Art. 6:143 lid 1 BW biedt daarentegen geen soelaas, indien de cessionaris/pandhouder ten opzichte van de cedent/pandgever of diens faillissementscurator wil bewijzen welke vorderingen zijn gecedeerd of verpand. Op de bepaling kan immers alleen dan een beroep worden gedaan, indien duidelijk is welke vordering in de cessie of verpanding is begrepen.
829. Art. 162 lid 1 Rv en art.843a Rv. In geval van een geschil in rechte tussen partijen over de vraag welke vorderingen zijn gecedeerd of verpand, kunnen bovendien de regels van het bewijsrecht uitkomst bieden. Uit art. 162 lid 1 Rv volgt dat de rechter in de loop van een geding op verzoek van de cessionaris/pandhouder of ambtshalve, aan de cedent/pandgever openlegging kan bevelen van de boeken, bescheiden en geschriften, die hij op grond van de wet moet houden, maken of bewaren.11 Na openlegging van de administratie kan mogelijk worden bepaald welke vorderingen precies in de cessie of verpanding zijn begrepen. Art. 162 Rv is alleen van belang voor de vaststelling welke vorderingen zijn gecedeerd of verpand. Uit de bepaling volgt niet dat de cedent/pandgever gehouden is om de cessionaris/pandhouder te voorzien van de adresgegevens van de schuldenaren van de vorderingen, zodat hij in staat is zijn recht door mededeling te effectueren.
Het informatierecht kan mogelijk ook worden gebaseerd op art. 843a Rv.12 Op grond van deze bepaling kan hij die daarbij een rechtmatig belang heeft op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen13 van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden onder zich heeft (lid 1).14 De rechter bepaalt zo nodig de wijze waarop de informatie zal worden verschaft (lid 2). Het is aannemelijk dat de hiervoor genoemde belangen van de cessionaris/pandhouder op zichzelf een voldoende “rechtmatig belang” kunnen opleveren. De rechtsbetrekking waar het om gaat, is de gecedeerde of verpande vordering, dan wel de rechtsverhouding waaruit deze voortkomt.15 Blijkens het vierde lid is degene die de bescheiden onder zich heeft (de cedent, pandgever of schuldenaar) niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gegevens is gewaarborgd. Wat betreft de hier besproken vraag zullen dergelijke gewichtige redenen niet snel aanwezig zijn.
Overigens is het niet mogelijk om op grond van art. 843a Rv inzage te verkrijgen in de administratie van de cedent/pandgever. Het gaat enkel om specifiek aangeduide bescheiden ten aanzien van de gecedeerde of verpande vordering, waarvan de cessionaris/pandhouder weet dat de cedent/pandgever deze onder zich heeft.
830. Informatierecht en bepaaldheidsvereiste. In de literatuur – en ook in de praktijk – is wel betoogd, dat het bepaaldheidsvereiste in het goederenrecht met zich zou brengen – mede met het oog op het bewijs van een goederenrechtelijk recht – dat de vordering eerst voldoende bepaald is, indien de cessionaris/pandhouder zelfstandig in staat is om mededeling van de cessie of de verpanding te doen of in ieder geval bekend is met de identiteit van de schuldenaar en overige gegevens van de vordering, zonder daarvoor afhankelijk te zijn van de medewerking van de cedent/pandgever of diens faillissementscurator.16 Deze opvatting moet worden verworpen. De vraag of de cessionaris/pandhouder beschikt over de persoons- en adresgegevens van de schuldenaar of op de hoogte is van diens identiteit of de overige gegevens van de vordering, is op zichzelf niet beslissend voor de vraag of de vordering in voldoende mate door de akte wordt bepaald. Ook de Hoge Raad stelt de genoemde eis niet. Het is zeer goed mogelijk dat de akte dusdanige gegevens bevat dat aan de hand daarvan kan worden vastgesteld, eventueel achteraf, om welke vordering het gaat, zonder dat die gegevens de cessionaris/pandhouder in staat stellen zelfstandig mededeling te doen of de precieze kenmerken van de vordering vast te stellen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een generieke cessie of verpanding. Een generieke omschrijving van de vorderingen kan volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad voldoende zijn voor de totstandkoming van de cessie of de verpanding.17