Eigendomsgrondrecht en belastingen
Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/10.3.7.2:10.3.7.2 De Hongaarse zaken N.K.M., Gáll en R.Sz.
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/10.3.7.2
10.3.7.2 De Hongaarse zaken N.K.M., Gáll en R.Sz.
Documentgegevens:
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197257:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de terugwerkende kracht in deze zaken verder Quintas Seara 2014, p. 231-232 en de noot van Pauwels in FED 2013/79.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat deze arresten bijzonder maakt, is dat de door Hongarije aangevoerde redenen niet konden rechtvaardigen dat met terugwerkende kracht belasting werd geheven. Hierin verschillen deze arresten dus van alle hiervoor besproken zaken. De ongerechtvaardigde terugwerkende kracht was evenwel slechts één van de omstandigheden die het EHRM tot het oordeel bracht dat artikel 1 Eerste Protocol was geschonden. De Hongaarse ambtenaren waren te goeder trouw en konden en hoefden er geen rekening mee te houden dat de ontslagvergoeding waarop zij recht hadden en waarvan zij voor hun levenbsonderhoud afhankelijk waren met terugwerkende kracht tegen een veel hoger tarief zou worden wegbelast. Wat betreft goede trouw en gerechtvaardigde verwachtingen waren de Hongaarse ambtenaren vergelijkbaar met de Nederlandse belastingplichtigen voor de crisisheffing, die echter niet in hun bestaansrecht bedreigd werden door de crisisheffing. Bovendien wist Nederland het EHRM ervan te overtuigen dat er “specific and compelling reasons” waren voor een crisisheffing met terugwerkende kracht en slaagde Hongarije daar in het geval van de excessieve heffing over ontslagvergoedingen niet in, onder meer omdat Hongarije geenszins aannemelijk maakte dat de betrokken ambtenaren de hand zouden hebben gehad in de toekenning van hun eigen pensioen en niet viel in te zien waarom het noodzakelijk zou zijn om hun vergoeding, waarvan zij voor hun levensonderhoud afhankelijk waren, tegen een gemiddeld vier keer zo hoog tarief te belasten als normaal voor dergelijke vergoedingen, oplopend tot marginaal 98%, zodat er ook een veel duidelijker discriminatie-aspect aan de zaak zat dan aan de crisisheffing.1