Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/8.6.1
8.6.1 Het inhoudelijke criterium: het weglaten of onduidelijk weergeven van essentiële informatie
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS494779:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Er is opmerkelijk genoeg niet voor de formulering 'besluit over een overeenkomst' gekozen in lijn met de in art. 6:193a onder e gemaakte aanpassing t.o.v. het richtlijnbegrip.
Eerste Kamerleden hebben geïnformeerd naar de betekenis van de termen 'onduidelijk', 'onbegrijpelijk' en `dubbelzinnig'. Hoewel de minister benadrukt dat het aan het HvJ is om deze termen nader te definiëren, acht hij het redelijk dat bij de uitleg hiervan aansluiting wordt gezocht 'bij de uitleg die thans in het kader van de toepassing van de uit de eerder genoemde richtlijnen voortvloeiende wettelijke regelingen inzake elektronische handel en koop op afstand wordt gegeven aan de positieve variant van deze begrippen': Kamerstukken I 2007/08, 30 928, nr. B, p. 3-4 en nr. C, p. 3.
Ktr. Helmond 26 maart 2008, LJN BC8096; Rb. Haarlem 25 juli 2008, IER 2009/6.
Rb. Rotterdam (vzr.) 6 juli 2009, LJN BJ2013; Rb. Rotterdam 24 juni 2010, LJN BM9586.
Hof Amsterdam 15 juni 2007, BIE 2007/131, r.o. 8: 'Een belangrijke aanvulling schuilt in art. 6:193d dat o.a. bepaalt dat het achterhouden of op dubbelzinnige wijze verstrekken van essentiële informatie omtrent de transactie (of het commerciële oogmerk daarvan) een misleidende omissie oplevert.'
Zie Verkade 2007, p. 13.
De onvolledigheid vormt een bestaand gezichtspunt om de misleiding vast te stellen: HR 7 november 1997, NJ 1998/268; HR 8 mei 1998, NJ 1998/888; Rb. Utrecht 4 januari 2006, LJN AU8964, r.o. 4.50. Zie ook Verkade 1992, nr. 47.
Verkade 2007, p. 14-15; Geerts en Vollebregt 2009, p. 31.
Ktr. Helmond 26 maart 2008, LJN BC8096, r.o. 30 en 32. Art. 6:193d bevat geen nieuwe gedachte in vergelijking met 'hetgeen (...) in het kader van de bescherming van consumenten als 'recht' heeft te gelden' en kan daarom 'worden gebruikt als maatstafbij de beantwoorrling van de vraag of ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten een zorgplicht voor Dexia bestond en, zo ja, wat deze dan concreet inhield'. De Helmondse uitspraak breekt in zoverre met de bestaande jurisprudentielijn, dat een praktijk die tot nog toe o.g.v. art. 6:194 niet misleidend was, dit o.g.v. art. 6:193d wel is, zonder dat deze omslag is veroorzaakt door een aanpassing van de consumentmaatstaf. De vaststelling van de misleiding o.g.v. art. 6:193d geschiedde echter i.h.k.v. die van de schending van de zorgplicht.
Noot Hoogenraad onder Rb. Haarlem 25 juli 2008, TVC 2008/6, ov. 6.
Verkade 2007, p. 14-15; Geerts en Vollebregt 2009, p. 30.
Kamerstukken II 2006/07, 30 928, nr. 3, p. 16.
De verwijzing naar de 'feitelijke context' in art. 7 lid 1 richtlijn is niet in de zusterbepaling art. 6:193d lid 2 opgenomen, doch pas in art. 6:193d lid 4, dat ook ter omzetting van art. 7 lid 3 richtlijn dient. Of art. 6:193d lid 2 in lijn met de richtlijn een omstandighedentoets toelaat is afhankelijk van de toepasselijkheid van lid 4 bij de toetsing aan lid 2: par. 8.6.3. De verwijzing naar de 'kenmerken en omstandigheden' uit art. 7 lid 1 richtlijn is overigens weggelaten.
Broekman 2005, p. 177.
Verkade 2007, p. 15.
'In die gevallen zal de handelaar bijvoorbeeld via zijn website wel de noodzakelijke informatie beschikbaar moeten stellen': Kamerstukken II 2006/07, 30 928, nr. 3, p. 16.
Rb. Haarlem 25 juli 2008, IER 2009/6, r.o. 4.11.
De SRC zou strengere eisen stellen: noten Hoogenraad onder Rb. Haarlem 25 juli 2008, TVC 2008/6, ov. 6 en onder Hof Amsterdam 23 maart 2010, LJN BM6973; IER 2010/60. In de uitspraak van het Hof Amsterdam worden striktere eisen gesteld aan de in de betreffende radio- en abriboodschappen te verschaffen informatie.
De Vrey 2004, p. 8-9; Geerts en Vollebregt 2009, p. 31.
530. In par. 8.6.1 wordt stilgestaan bij het verbod op het weglaten of het onduidelijk weergeven van informatie neergelegd in art. 7 lid 1 en 2 richtlijn. Art. 6:193d lid 2 beschouwt als misleidend het weglaten van 'essentiële informatie welke de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen'.1 In art. 6:193d lid 3 is als misleidend aangemerkt: het verborgen houden of 'op onduidelijke, onbegrijpelijke en dubbelzinnige wijze2 dan wel laat' verstrekken van essentiële informatie of het niet laten blijken van 'het commerciële oogmerk, indien dit niet reeds duidelijk uit de context blijkt'. In par. 8.6.2 wordt nader ingegaan op het specifiek op de `uitnodiging tot aankoop' toegesneden verbod op misleidende omissies uit art. 7 lid 4 richtlijn, dat is omgezet in art. 6:193e. In beide paragrafen wordt nagegaan hoe de misleidende omissiesubnorm naar Nederlands recht is omgezet en wordt uitgelegd. Tot slot wordt onderzocht hoe in Nederland tegen de onduidelijke systematiek van deze subnorm wordt aangekeken (par. 8.6.3).
531. Art. 6:193d merkt praktijken die de consument 'essentiële informatie' onthouden, aan als misleidend. Het artikel mag rekenen op een zekere belangstelling van de toezichthouder en de rechter. Van de bepalingen uit afdeling 6.3.3A is op art. 6:193d het meest geanticipeerd.3 Dit artikel is ook al meerdere keren toegepast.4 Een mogelijke verklaring hiervoor is, dat een gecodificeerde algemene norm die misleidende omissies verbiedt, een noviteit is naar Nederlands recht.5 De informatieplichten uit de misleidende omissiesubnorm gaan verder dan die besloten in art. 6:194 (oud).6 Waar de misleidende onvolledigheid door art. 6:194 (oud) werd tegengegaan,7 moest de rechter in geval van een misleidende omissie zijn toevlucht zoeken tot bijzondere informatieplichten en uit de redelijkheid en billijkheid afgeleide zorgplichten. Verkade stelt dat handelaren die ondermaats presteren thans mogelijk eenvoudiger kunnen worden aangepakt.8 Het gecodificeerde en open, doch enigszins uitgewerkte karakter van de norm (in vergelijking met de redelijkheid en billijkheid), maakt haar zeer bruikbaar. De norm bevat echter geen nieuwe gedachte naar Nederlands recht.9 De vraag is hoe art. 6:193d in Nederland wordt uitgelegd en toegepast.
532. De formulering van art. 6:193d is nogal open. Vraag is bijvoorbeeld welke informatie als 'essentieel' moet worden aangemerkt. 'Essentiële informatie' is informatie die de consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te kunnen nemen. Het begrip 'essentiële informatie' zal naar verwachting tot veel rechtspraak — en verschillende interpretaties — leiden10 In de literatuur wordt aangenomen dat de 'bona fide ondernemingspraktijk' als richtsnoer zal fungeren.11 Art. 6:193e (par. 8.6.2) en 6:193f, waarin de norm 'het verstrekken van essentiële informatie' nader is uitgewerkt, bieden enig houvast. Volgens de minister zijn er echter grenzen aan de illustratieve werking van art. 6:193e, omdat het in dit artikel slechts om een 'uitnodiging tot aankoop' gaat.12 Essentiële informatie is volgens art. 6:193f 'in ieder geval' die informatie als bedoeld in:
`a. artikel 15d leden 1 en 2 en artikel 15e lid 1 van Boek 3;
artikel 46c lid 1 van Boek 7;
artikel 48f leden 1 en 2 van Boek 7;
artikel 501 lid 1 van Boek 7;
artikelen 73 tot en met 75 van de Geneesmiddelenwet;
artikelen 4:20, 4:73 en 5:13 van de Wet op het financieel toezicht;
artikel 2b van de Prijzenwet.'
Deze (niet-limitatieve) lijst zet de Nederlandse bepalingen ter omzetting van de Europese informatieplichten genoemd in bijlage II richtlijn op een rij.
533. Binnen de toets uit art. 6:193d bestaat bovendien veel ruimte voor nuanceringen. De voor velerlei uitleg vatbare gezichtspunten uit art. 7 richtlijn zijn in art. 6:193d lid 4 geïmplementeerd:
`Bij de beoordeling of essentiële informatie is weggelaten of verborgen is gehouden worden de feitelijke context, de beperkingen van het communicatiemedium alsook de maatregelen die zijn genomen om de informatie langs andere wegen ter beschikking van de consument te stellen, in aanmerking genomen.'13
Het gezichtspunt van 'de feitelijke context' is erg open en wordt in de richtlijn noch de EU-rechtspraak geconcretiseerd. De Nederlandse omzettingswetgeving biedt ook geen hulp. Vraag is bijvoorbeeld in hoeverre milieu- of kostenaspecten worden meegewogen bij de toetsing van radio- of tv-commercials of van de verpakking van een product aan de norm.14 In de literatuur is geopperd, dat de omstandigheid dat het om een 'voordelige partij' gaat, bij een faillissement of parallelimport, tot een beperktere informatieplicht zou kunnen leiden.15
De omzettingswetgever heeft zich wel aan een nadere concretisering van de `beperkingen van het communicatiemedium' gewaagd door erop te wijzen dat een `sms-boodschap niet alle vereiste informatie kan geven' en naar een website mag verwijzen.16 Ook dit gezichtspunt leent zich voor verschillende min of meer strenge invullingen. In een Haarlemse zaak, waarin, vooruitlopend op de omzetting van de richtlijn, art. 6:194 in het licht van art. 7 richtlijn werd uitgelegd, is geoordeeld dat op grond van art. 7 lid 3 zelfs bij een radioboodschap een verwijzing naar een website volstaat.17 Dit vormt een ruime uitleg van deze bepaling (thans art. 6:193d lid 4).18
Bij de toepassing van art. 6:193d draait het om een (belangen)afweging tussen wat essentiële informatie is voor de consument en de vraag wanneer het verschaffen hiervan te belastend is voor de handelaar en te veel kost.19