Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/2.2.5
2.2.5 Hoe bijzonder is de enquêteprocedure?
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367261:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Van Schilfgaarde onder 9 van zijn noot bij HR 6 december 2013, NJ 2014/167, Willems (oratie en 2016) en par. 2.4.2.
Zie hoofdstuk 4 voor een uiteenzetting van de term “deelrechtsorde”.
Zie hierover Willems 2016.
In dezelfde zin Willems 2016, par. 4.
Zie ook de inleiding. A-G Timmerman betoogt in zijn conclusie bij HR 12 juli 2013(NJ 2013/461, m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2013/301 m.nt. Vroom) dat het in de enquêteprocedure gaat om het toetsen van het besluit, terwijl in de procedure op de voet van art. 2:15 BW het slechts om individuele besluiten zou gaan. Bier (Ondernemingsrecht 2013/123) brengt daar mijns inziens terecht tegen in dat bij het toetsen van een besluit aan de redelijkheid en billijkheid alle omstandigheden van het geval van belang zijn, dus ook het beleid waarin dit besluit tot stand komt.
HR 18 april 2003, NJ 2003, 286 m.nt. Maeijer, JOR 2003/110 m.nt. Blanco Fernández (RNA).
Hiervoor kwam een aantal verschillen tussen de enquêteprocedure en de rechtsgang bij de gewone civiele rechter ter sprake. Deze procedures kennen verschillende bewijsregels en andere typen oordelen die niet aan elkaar kunnen worden gelijk gesteld (bijvoorbeeld “bestuurder x is verantwoordelijk voor wanbeleid” versus “bestuurder x is tekort geschoten in de vervulling van zijn bestuurstaak”). Ook de rechterlijke voorzieningen die naar aanleiding van een dergelijk oordeel kunnen worden getroffen, verschillen.
Deze verschillen moeten echter niet overdreven worden. Mijns inziens zijn alle oordelen, die de ondernemingskamer kan uitspreken, te vertalen naar het begrippenkader van de gewone civiele rechter.1
Zo kan de ondernemingskamer een besluit vernietigen omdat het in de weg staat aan het saneren van de rechtspersoon, ook als het besluit zelf geen uiting is van wanbeleid. In de termen van de gewone civiele rechter dient een dergelijk besluit buiten toepassing te blijven, omdat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Om diezelfde reden is een dergelijk besluit vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. En wat door de ondernemingskamer als wanbeleid wordt bestempeld, kan de gewone civiele rechter bestempelen als handelen in strijd met (i) de wet of enige andere binnen de deelrechtsorde2 geldende regel, (ii) redelijkheid en billijkheid die de bij de organisatie van de rechtspersoon betrokkenen jegens elkaar in acht moeten nemen en/ of (iii) de verplichting van bestuurders en commissarissen tot een behoorlijke taakvervulling. De situatie dat daarmee in strijd is gehandeld dient aan de vennootschap te worden toegerekend, als het gaat om de vraag of sprake is van wanbeleid. De vennootschap kan zich in dat kader niet verschuilen achter het gedrag van haar orgaanleden. De vennootschap kan zich bijvoorbeeld niet op het standpunt stellen dat het haar niet kan worden verweten dat haar commissarissen hun taak niet behoorlijk vervullen.
Het feit, dat met het oordeel van de ene rechterlijke instantie het oordeel van de andere rechterlijke instantie niet vaststaat, doet daar niet aan af. Het betekent mijns inziens louter dat iedere rechterlijke instantie (i) zijn eigen oordeel moet vormen, (ii) op basis van de aan die rechter voorgelegde feiten en (iii) rechtsvorderingen en (iv) met inachtneming van zijn eigen bewijsregels. In het belang van de rechtszekerheid moeten tegenstrijdig beslissingen echter waar mogelijk worden vermeden.3
En dat brengt me bij een meer wezenlijk punt. De onderlinge rechtsverhoudingen in de enquêteprocedure – de regels van de deelrechtsorde waaraan de rechtspersoon en de bij zijn organisatie betrokkenen gebonden zijn (zie hierover hoofdstuk 4) – veranderen niet naar gelang de rechtszaal waarin men staat.4 De bevoegdheden binnen de rechtspersoon zijn in beide rechtszalen identiek verdeeld en voorts moeten door de rechtspersoon en de bij zijn organisatie betrokkenen dezelfde gedragsregels jegens elkaar in acht worden genomen. In een ideale wereld zouden de gewone civiele rechter en ondernemingskamer daarom hetzelfde moeten verbieden en gebieden. Dat dit in de praktijk om bovenstaande redenen niet volledig haalbaar is, doet er niet aan af dat dit wel moet worden nagestreefd.
Als wordt gewezen op de verschillen tussen de enquêteprocedure en procedure(s) bij de gewone civiele rechter, wordt nog wel eens gewezen op het feit dat bij de ondernemingskamer het gehele beleid ter beoordeling staat.5 Met name wordt hierop gewezen als het gaat om het verschil tussen de enquêteprocedure en de vernietigingsprocedure ten aanzien van besluiten op de voet van art. 2:15 BW voor de gewone civiele rechter. Dat verschil is echter hoofdzakelijk schijn. Net als wanbeleid kan bestaan uit een incident6 – dus ook uit één enkel besluit – kan ook bij de gewone civiele rechter het gehele beleid worden voorgelegd. Praktisch gezien is dat niet in alle gevallen even gemakkelijk: alle relevante (vermeende) verplichtingen en gedragingen ter zake van het beleid en de gang van zaken dienen ter beoordeling worden voorgelegd, alsmede de (vermeende) nietigheid en/of vernietigbaarheid van alle relevante besluiten dienen aan de orde te worden gesteld. En als dat lukt, is er toch nog het risico dat er een discrepantie is tussen het beeld van het beleid en de gang van zaken dat uit het papieren dossier opdoemt en hetgeen er daadwerkelijk in de praktijk is gebeurd.
In de enquêteprocedure wordt dit praktische probleem ondervangen door het enquêteonderzoek. De onderzoeker kan zich aan de hand van gesprekken en het bestuderen van documenten een (doorleefd) beeld vormen van hoe het er aan toegaat bij de rechtspersoon en vervolgens in zijn onderzoek een selectie maken van welke feiten en omstandigheden relevant zijn en welke niet. Op basis daarvan (en hetgeen partijen daar in hun processtukken aan toevoegen) kan vervolgens het beleid en de gang van zaken worden beoordeeld.