Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.4.1:16.4.1 De regeling
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.4.1
16.4.1 De regeling
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS406908:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op 1 oktober 1838 trad het door sommigen als “gespierd en duidelijk” gekarakteriseerde Wetboek van Koophandel in werking en daarmee werd de Franse Code de Commerce in Nederland afgeschaft.1 De derde titel van het eerste boek van het WvK 1838 betrof de vennootschappen van koophandel: “eene in inrigting, aard en werking van de burgerlijke maatschap verschillende vennootschap, eene vereniging vormende, die ter uitoefening van eenig handelsbedrijf opgerigt, in het algemeen als een individuele koopman optreedt.”2 Naast de vennootschap onder firma en de vennootschap bij wijze van geldschieting, regelde de wet in de derde afdeling in precies twintig bepalingen de naamloze vennootschap (NV). De wet voorzag niet in een definitie van deze rechtsvorm, het handboek van Diephuis wel:
“[E]ene vennootschap, waarin, bij aandeelen van een bepaald bedrag, een maatschappelijk kapitaal wordt bijeengebragt voor eenige onderneming, waarvan de winsten naar evenredigheid hunner aandeelen genoten zullen worden door de deelgenooten, die van alle verdere verpligtingen en persoonlijke verbindtnissen vrij zijn. Zij vormt […] een persoon op zich zelve, aan wie het maatschappelijk kapitaal toebehoort en voor wie door hare vertegenwoordigers wordt gehandeld. De deelgenoten zijn als zodanig niet bevoegd voor haar te handelen, maar ook wegens geene harer verbindtnissen aansprakelijk.”3
Voor oprichting van een NV was een aantal zaken vereist: een Koninklijke Bewilliging, een notariële akte, inschrijving van beide in de daartoe bestemde openbare registers en publicatie in één der “nieuwspapieren”.4 De bestuurders waren voor hun handelen “persoonlijk en elk voor het geheel” jegens derden verbonden zolang de inschrijving en publicatie niet hadden plaatsgevonden.5