De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/4.6.2
4.6.2 Gebruik conform bestemming
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS386064:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Den Haag (vzr) 14 september 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:10451 (Zoetermeer/Aprisco).
Rb. Den Haag (vzr) 14 september 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:10451, r.o. 4.4-4.6. Tot een vergelijkbaar oordeel kwam de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht in een zaak waarin de gemeente als erfverpachter jegens een opvolgend erfpachter nakoming van de bestemmingsbepalingen uit de vestigingsakte mocht eisen ook al was de huidige erfpachter er niet in geslaagd die na te komen, Rb. Utrecht (vzr) 26 juni 2003, ECLI:NL:RBUTR:2003:AH8718 (Winkel van Sinkel/Utrecht).
Rb. Den Haag (vzr) 2 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:12628 (Den Haag/erfpachter).
Rb. Den Haag (vzr) 2 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:12628, r.o. 4.3-4.5. De erfpachter had geen verzoek tot bestemmingswijziging gedaan, terwijl daar in de vestigingsakte wel in voorzien was. Vgl. Hof Amsterdam 21 november 1985, ECLI:NL:GHAMS:1985:AS9098, BR 1986/453 (erfpachters/Amsterdam), waarin aan de woonbestemming uit de vestigingsakte uit 1927 mocht worden vastgehouden, het jarenlang bedrijfsmatig gebruik met medeweten van de erfverpachter stond daar niet aan in de weg. Vgl. ook Hof Den Haag 8 oktober 1987, ECLI:NL:GHSGR:1987:AS8040, BR 1988/609 (Metterwoon/’s-Gravenhage) waar toestemming tot gebruik als kantoor op grond van de Woningwet geen belemmering vormde om jegens een opvolgende erfpachter vast te houden aan de woonbestemming uit de vestigingsakte.
De gemeente Zoetermeer weigerde als erfverpachter een door de erfpachter van een in 2001 gebouwde ijs- en evenementenhal gevraagde wijziging in de vorm van een beperking van het gebruik.1 De huurder van de erfpachter die de hal exploiteerde had verzocht om sluiting van een deel van de ijshal gedurende een seizoen wegens teruglopende belangstelling voor de schaatssport en een benodigde renovatie. De gevorderde nakoming van het afgesproken gebruik en de onderhoudsverplichtingen werd door de voorzieningenrechter toegewezen nu de gemeente niet onredelijk handelde of misbruik van recht maakte door nakoming van de gebruiksafspraken te eisen, er geen sprake was van onvoorziene omstandigheden en de exploitatie geheel voor rekening en risico van de erfpachter kwam.2
De gemeente Den Haag verbood als erfverpachter het gebruik van een erfpachtrecht voor een andere bestemming dan die uit de vestigingsakte.3 De stichting had het recht met de bestemming bedrijfsruimte gekocht en was daar maatschappelijke activiteiten gaan organiseren. De erfverpachter constateerde dat het pand werd gebruikt als gebedsruimte en ontmoetingsplaats en stelde dat de erfpachter zich aan het afgesproken gebruik uit de vestigingsakte diende te houden. De voorzieningenrechter wees het verbod toe, dat in het gewijzigde bestemmingsplan gebruik voor maatschappelijke dienstverlening was toegestaan maakte dat niet anders.4