Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.5.3
IV.5.3 De uitstoting van een pandhouder of vruchtgebruiker
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS373752:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreid Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 241* (2009), nr. 307 sub b-c, voor de toekenning van het stemrecht aan de vruchtgebruiker en nr. 311 sub b-c, voor de toekenning van het stemrecht aan de pandhouder.
Het is vreemd dat lid 4 van art. 2:336 BW van toepassing is (zie art. 2:342 lid 2 BW tweede zin). In lid 4 wordt de vennootschap en de aandeelhouders een uitweg geboden door op zich te nemen maatregelen te treffen, maar niet de gedaagde stemgerechtigde pandhouder of vruchtgebruiker. Strikt genomen kan hij dus niet een beroep doen op art. 2:336 lid 4 BW en heeft een verweer dat het nadeel voor de vennootschap ongedaan gemaakt zal worden, geen zin. Volgens mij heeft de wetgever de toepasselijkheid van art. 2:336 lid 4 BW niet goed doordacht en is 'van overeenkomstige toepassing' bedoeld.
De minister achtte het 'zeer goed denkbaar' dat de stemgerechtigde direct of via een kettingbeding aan een overeenkomst of een statutaire regeling in de zin van art. 2:120/230 lid 1 BW gehouden kon zijn. Zie Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 24.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 25.
Zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 241* (2009), nr. 311 sub c.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 241* (2009), nr. 713. Het Handboek (1992), nr. 358, interpreteert de toepasselijkheid van verbod van art. 2:338 lid 1 BW enger dan de wettekst. De laatste zinsnede van art. 2:342 lid 2 BW luidt `(...) in dier voege dat in het geval van artikel 2:338 lid 1 BW de vruchtgebruiker of pandhouder het vruchtgebruik of het pandrecht niet op een ander kan doen overgaan.' Volgens het Handboek is bedoeld dat de pandhouder of vruchtgebruiker het stemrecht niet aan een ander dan de aandeelhouder kunnen doen overgaan. Dit brengt mee dat overdracht van het vruchtgebruik of de vordering waaraan het pandrecht is verbonden mogelijk is onder afstanddoening van het stemrecht.
Een vonnis is in kracht van gewijsde indien een gewoon rechtsmiddel niet meer kan worden ingesteld omdat de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel is verstreken. Zie Snijders, Klaassen en Meijer (2007), nr. 60. Ook berusting zorgt voor kracht van gewijsde; zie Losbl. Rv. (Numann), art. 236, aant. 5.
Zie § VI.5.2.
Het uitstotingsvonnis is een veroordelend of condemnatoir vonnis. Er is sprake van een verplichting. Dit geldt ook voor het uittredingsvonnis. Zie Hugenholtz/Heemskerk (2009), nr. 112.
Zie Snijders, Klaassen en Meijer (2007), nr. 161.
Overigens heeft een vonnis altijd executoriale kracht, maar het instellen van een rechtsmiddel schorst de executie. Deze schorsende werking wordt opgeheven door het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zie Hugenholtz/Heemskerk (2009), nr. 124.
Zie Van Rossum (1995), p. 7-8. Snijders, Klaassen en Meijer (2007), nr. 245 (met een onbegrijpelijke verwijzing naar nr. 160); Losbl. Rv. (Numann), art. 233, 234 en 235, aant. 2; en Hugenholtz/ Heemskerk (2009), nr. 124.
Overigens is ook verdedigbaar dat 'kracht van gewijsde' en 'onherroepelijk' een en dezelfde betekenis hebben. Dan vloeit uit de wet voort dat uitvoerbaar bij voorraad niet mogelijk is. Zie voor een motivering van dit standpunt Losbl. Rv. (Vlas), art. 996, aant. 2 waaruit volgt dat de wetgever onherroepelijk geworden ziet als een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan. De enquêteprocedure kent een soortgelijke inwisseling van de twee begrippen in art. 2:358 lid 2 BW: `(...) Van beschikkingen die niet voorlopig ten uitvoer kunnen worden gelegd, geschiedt de nederlegging zodra zij in kracht van gewijsde zijn gegaan.' Tot slot wordt in T&C Rv (Van Maanen), art. 233, aant. 2 verwezen naar art. 7:272 lid 1 BW, als voorbeeld van een vonnis dat pas ten uitvoer gelegd mag worden nadat het in kracht van gewijsde is gegaan. In dit wetsartikel wordt 'onherroepelijk' gebruikt. Dit rechtvaardigt de gedachte dat 'kracht van gewijsde' en 'onherroepelijk' hetzelfde betekenen.
In OK 3 oktober 1996, NJ 1997, 72 (Evodam) was het belang van de overnemer voor de OK redengevend de uitvoerbaarheid bij voorraad toe te staan. Maeijer dacht eerst dat zulks niet mogelijk was (zie zijn noot onder OK 30 januari 1992, NJ 1992, 255 (Baron van Wassenaer/ABN AMRO Holding NV)), maar sluit zich later toch bij de zienswijze van de OK aan, Asser-Maeijer 2-111 (2000), nr. 511.
Zie in die zin ook Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 107: 'Gezien deze mogelijkheid (het treffen van een voorlopige voorziening ex art. 223 Rv, CB) is het niet nodig om, zoals in de consultatie gesuggereerd, in artikel 342 lid 3 af te stappen van de regel dat de overdracht van het stemrecht eerst plaatsvindt door het in kracht van gewijsde gaan van het daartoe strekkende vonnis.'
Zie de vorige noot.
Verklaart een rechter zijn uitspraak toch uitvoerbaar bij voorraad, dan is onduidelijk of dit effect sorteert. Mogelijk gaat het stemrecht dan alvast over op de blootaandeelhouder. Het risico van de tenuitvoerlegging berust wel bij de executant. Wordt in hoger beroep het vonnis vernietigd, dan is hij mogelijk schadeplichtig. Zie ook Asser procesrechtlBakels, Hammerstein en Wesseling-van Gent 4 (2009), nr. 151.
Voor de werking van de overgang van het stemrecht op de aandeelhouder is het 'regelmatig bijhouden' (zie art. 2:85/194 lid 2 BW) van het aandeelhoudersregister mijns inziens niet nodig. De vennootschap heeft van de griffier ingevolge art. 997a lid 3 Rv een afschrift van het vonnis ontvangen. Lid 3 van art. 2:342 BW stelt onomwonden dat de overgang van het stemrecht plaatsvindt met de in kracht van het gewijsde gaan van dat vonnis.
In de toelichting is als voorbeeld precies de casus van Darenales/Millennium gegeven: schorsing van het stemrecht bij wege van voorlopige voorziening. Zie Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 107.
Bij de vestiging van een vruchtgebruik op aandelen luidt de hoofdregel dat de aandeelhouder het stemrecht behoudt, zie art. 2:88/197 lid 2 BW. Dit geldt op grond van art. 2:89/198 lid 2 BW eveneens voor verpande aandelen. Bij de vestiging van het beperkte recht kan echter worden bepaald dat het stemrecht aan de vruchtgebruiker of pandhouder toekomt, zie respectievelijk art. 2:88/197 lid 3 en 2:89/198lid 3 BW.1
De procedure van de gedwongen overgang van stemrecht toont, zoals ik in § IV.5.1 schreef, sterke verwantschap met de uitstotingsregeling van art. 2:3362:341 BW. Niet alleen zijn de kapitaalseisen voor de eisende aandeelhouders en de te schenden norm identiek (zie art. 2:342 lid 1 BW), ook de procedure loopt langs grotendeels dezelfde lijnen. In lid 2 van art. 2:342 BW is een aantal wetsartikelen van de uitstoting van (overeenkomstige) toepassing verklaard. Zo kan de vennootschap zelf de vordering niet instellen (art. 2:336 lid 2 BW), is dezelfde rechter bevoegd (art. 2:336 lid 3 BW) en kan laatstgenoemde zijn beslissing aanhouden, indien er maatregelen worden genomen om het nadeel dat de vennootschap lijdt zoveel mogelijk ongedaan te maken of te beperken.2
De vordering van art. 2:342 BW is subsidiair van aard, omdat art. 2:337 BW van overeenkomstige toepassing is. Bevatten de statuten of een overeenkomst een eigen regeling, dan dient deze op straffe van niet ontvankelijkheid eerst aangewend te worden.3
Alleen de stemgerechtigde vruchtgebruiker of pandhouder wordt gedagvaard. Dit brengt mee dat de houder van het aandeel zonder stemrecht — de blooteigenaar zich aan de zijde van de andere eisende aandeelhouders kan scharen. Hij kan zelfs als enig eiser optreden, mits hij voldoet aan de eis voor ontvankelijkheid en ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaft (art. 2:342 lid 1 BW). De blootaandeelhouder moet op grond van de eerste zin van lid 2 onverwijld op de hoogte worden gesteld van het feit dat er een procedure is ingesteld tegen de beperkt gerechtigde. Hij kan zich dan mengen in de procedure, bijvoorbeeld door zich te voegen aan de kant van de eiser, omdat hij van mening is dat de beperkt gerechtigde inderdaad het vennootschappelijk belang schaadt.
Is de dagvaarding betekend, dan geldt voor de pandhouder of vruchtgebruiker de verbodsregel van art. 2:338 lid 1 BW. Het beperkte recht kan in beginsel niet worden overgedragen aan een derde. De eisende aandeelhouder of de rechter dient toestemming te geven voor de vervreemding van het vruchtgebruik of de overdracht van het pandrecht. Uit de parlementaire stukken blijkt dat de verbodsbepaling van art. 2:338 lid 1 BW eveneens gevolgen heeft voor de vordering tot zekerheid waarvoor het pandrecht gegeven is. Het pandrecht is aan deze vordering verbonden, dus de overdraagbaarheid van de vordering is verminderd.4 Deze bijkomende beperking lijkt op het eerste gezicht ongelukkig, maar in verband met de verplicht aanwezige blokkeringsregeling krijgt een nieuwe pandhouder in een normale situatie zonder een geëntameerde procedure ook niet automatisch het stemrecht.5 De pandhouder die in de praktijk vaak het pandrecht in verband met een vordering op de aandeelhouder heeft bedongen, kan zijn vordering dus niet overdragen. Als oplossing wordt in de literatuur voorgesteld dat de pandhouder ten gunste van de blootaandeelhouder afstand moet doen van het stemrecht. De grondslag voor de ingestelde vordering ex art. 2:342 BW is dan vervallen.6
Wijst de rechter de vordering toe, dan vindt de overgang van het stemrecht van rechtswege plaats. De procedure kent slechts één fase. De stemgerechtigde pandhouder of vruchtgebruiker wordt het stemrecht ontnomen zonder dat hier een financiële vergoeding tegenover staat. Het procedurele gevolg van het bepaalde in lid 3 is dat, anders dan bij de uitstoting (art. 2:339 lid 1 BW) geen benoeming van deskundigen nodig is. Zodra de toewijzing van de vordering in kracht van gewijsde is gegaan, is de houder van de met het beperkt recht bezwaarde aandeel weer stemgerechtigd.
De vraag is of het vonnis tot gedwongen overdracht van het stemrecht uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Lid 3 kent een andere formulering dan bij uitstoting (art. 2:341 lid 1 BW) en uittreding (art. 2:343 lid 3 BW). Bij de uitstoting geldt dat de uitgestotene zijn aandelen pas hoeft te leveren indien sprake is van een `onherroepelijk geworden vonnis' Dit brengt mee dat een verklaring tot uitvoerbaarheid bij voorraad niet mogelijk is. De uittreding kent een soortgelijke regeling. Voor de gedwongen overdracht van stemrecht zegt lid 3 dat de overgang plaatsvindt door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.7
Is hier door de wetgever bewust een verschil aangebracht? Volgens mij is dat niet het geval. Art. 2:342 BW is pas in een laat stadium in het wetgevingsproces in de geschillenregeling opgenomen.8 Het verschil in terminologie laat zich verklaren door de aard van het vonnis, of beter: de aard van het dictum. Bij de uitstoting (en de uittreding) roept het vonnis niet een nieuwe rechtstoestand in het leven, maar is sprake van een veroordeling. Op basis van de rechterlijke uitspraak moet de uitgestoten (of uittredende) aandeelhouder leveren. Er is op grond van art. 2:341 lid 1 BW binnen twee weken een notariële leveringsakte nodig. Voor de overgang van het stemrecht van art. 2:342 BW is niet een aparte leveringshandeling vereist. Door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis vindt de overgang plaats. Het vonnis roept een nieuwe rechtstoestand in het leven en kwalificeert als een constitutief vonnis.9 En zoals de wet in lid 3 uitdrukkelijk bepaalt, verkrijgt een dergelijke uitspraak eerst werking op het moment dat het in kracht van gewijsde gaat.10
De hoofdregel van art. 233 Rv is dat een rechter zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren, tenzij uit de wet of de aard van de zaak anders voortvloeit.11 Uit de aard van de zaak, of beter: de aard van het vonnis, volgt dat het dictum zich niet leent voor executie. Bij constitutieve vonnissen is dit in beginsel zo.12 Voor de gedwongen overgang van stemrecht geldt dit op grond van art. 2:342 lid 3 BW in ieder geval, omdat de wet uitdrukkelijk bepaalt dat kracht van gewijsde nodig is om de nieuwe rechtstoestand in het leven te roepen.13
Analogie met de uitkoopprocedure gaat mijns inziens niet op. Dit lijkt overigens op het eerste gezicht anders. De OK verklaart namelijk sinds jaar en dag haar uitkooparresten uitvoerbaar bij voorraad, waarbij art. 2:92a/201a lid 7 BW een `bevel tot overdracht bij gerechtelijke gewijsde' vereist.14 Het verschil zit in de aard van de uitspraak. Na het arrest moet de overnemende aandeelhouder nog een aantal handelingen verrichten, teneinde de aandelen daadwerkelijk te krijgen. Ik verwijs naar de leden 7 en 8 van art. 2:92a/201a BW. Daarnaast is er bij uitkoop een kans dat er verzet wordt ingesteld, mochten er onbekende aandeelhouders zijn. Deze vertragende en onzekere factor wordt ondervangen door de uitvoerbaarheid bij voorraad. De overnemende grootaandeelhouder heeft belang bij een zo snel mogelijke tenuitvoerlegging. Het belang van de onbekende aandeelhouders wordt niet onevenredig geschaad, omdat de prijs inmiddels geconsigneerd is en zij zich tot het ministerie van Financiën (de beheerder van de consignatiekas) kunnen wenden. De verzetmogelijkheid is een verschil tussen de uitkoop en de geschillenregeling. Art. 997a lid 4 Rv sluit verzet uitdrukkelijk uit, omdat in besloten verhoudingen men toch wel op de hoogte is van de procedure.
De wetgever heeft, met de onmogelijkheid van uitvoerbaarheid bij voorraad, een opening gezien om de schade te beperken. Op grond van art. 2:342 lid 2 jo. 2:339 lid 2 BW is een verbod op de uitoefening van het stemrecht mogelijk. Deze vordering wijst de rechter pas bij het eindvonnis toe, dat hij uitdrukkelijk wel uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren. Het systeem van de wet brengt dus ook mee dat voor de hoofdvordering van art. 2:342 BW uitvoerbaar bij voorraadverklaring niet mogelijk is.15
Overigens wordt deze regel niet anders na invoering van het wetsvoorstel FlexBV. De wetgever geeft aan dat men maar een voorlopige voorziening ex art. 233 Rv moet vorderen, bijvoorbeeld de schorsing van het stemrecht.16 Voor uiteindelijke overgang van het stemrecht is nu en in de toekomst nog steeds kracht van gewijsde nodig.17 De eiser doet er in het kader van damagecontrol verstandig aan de schorsing van het stemrecht te vorderen.
Ten slotte verdient de overgang van het stemrecht aantekening in het door de vennootschap gehouden aandeelhoudersregister.18
De Belgische wet kent de gedwongen overgang van het stemrecht eveneens, opgenomen in art. 339 (BVBA) en art. 641 (NV) W.Venn. Eenieder die het stemrecht uitoefent in een andere hoedanigheid dan die van eigenaar moet vanwege gegronde redenen het stemrecht overdragen aan de bezitter van de aandelen. Tegen een pandhouder kan de vordering evenwel niet worden ingesteld. De verklaring is niet geschillenregelingrechtelijk van aard, maar ligt in het feit dat in een Belgische vennootschap de pandgever en niet de pandhouder het stemrecht uitoefent. Tot toepassing in de praktijk van deze bijzondere vorm van uitstoting kwam het ook in België niet. Er is geen (gepubliceerde) jurisprudentie over art. 339 en 641 W.Venn.
Het wetsvoorstel Flex-BV brengt een kleine wijziging in lid 2 aan. Een nieuw lid 3 van art. 338 Wv Flex-BV bepaalt dat een voorlopige voorziening van art. 223 Rv kan worden getroffen. De voorziening behoudt (in afwijking van art. 223 Rv) vervolgens haar werking tot het moment dat in een uitstoting- of uittredingsprocedure de aandelen worden overgedragen. Ingevolge de tweede zin van dit lid 3 moet de rechter een vordering tot het treffen van zo'n voorziening met de meeste spoed behandelen. Deze tweede zin is van overeenkomstige toepassing verklaard voor de gedwongen overgang van stemrecht, maar de verwijzing naar art. 223 Rv (de eerste zin van art. 338 lid 3 Wv Flex-BV) niet. De duur van de voorlopige voorziening volgt dus uit de normale procesrechtelijke regels. Ik vind het vreemd dat de wetgever niet het gehele art. 338 lid 3 Wv Flex-BV van overeenkomstige toepassing heeft verklaard voor de vordering van art. 2:342 BW. Dit is een onnodige complicatie en afwijking van de andere geschillenregelingprocedures.19