Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/5.2
5.2 Enkele gezinssociologische beschouwingen
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS604159:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht / Bijzondere onderwerpen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
R. de Moor, Huwelijk en gezin, Baarn: Ambo 1985.
Ed Spruijt, Psychologie van het gezin, Utrecht: Stichting Teleac 1991.
CBS, Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2007.
Anouschka van der Meulen en Arie de Graaf, ‘Samenwoonrelaties stabieler’, CBS, Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2006.
Anouschka van der Meulen en Arie de Graaf, a.w.
J. Garssen, J. de Beer, P. Cuyvers en A. de Jong, Samenleven. Nieuwe feiten over relaties en gezinnen, Voorburg/Heerlen: CBS 2001.
Coen van Duin, ‘Huishoudensprognose 2006-2050: veronderstellingen over burgerlijke staat en huishoudenspositie’, CBS, Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2007.
M.H.P. Meijdam-Slappendel, De adoptie in Nederland (diss.), Leiden: Rijksuniversiteit Leiden 1996.
Arie de Graaf, ‘Een terugblik op het ouderlijk gezin’, CBS, Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2007.
Pleegzorg is het tijdelijk opvangen van een kind van een ander, omdat de ouders niet voor het kind kunnen zorgen. Pleegzorg is er in principe op gericht dat het kind weer naar huis gaat. Dit tijdelijke karakter onderscheidt pleegzorg van adoptie.
Femmie Juffer, ‘Adoptie: een optie voor kind en gezin?’ (oratie), Leiden: Rijksuniversiteit Leiden 2002.
Vanaf ongeveer 1970 hebben grote verschuivingen plaatsgevonden ten aanzien van het huwelijk en gezinsvorming.1 Spruijt beschrijft dat het huwelijk en het gezin in de jaren vijftig werden gezien als de stabiele factor in de samenleving.2 In die tijd had het individu een ondergeschikte plaats ten opzichte van de groep: het ging niet om de gezinsleden, maar om het gezin als geheel. Als gevolg van de verhoging van het welvaartsniveau, de opkomst van de verzorgingsstaat, de emancipatie, het toegenomen opleidingsniveau, de toename van de medische kennis, en een verdergaande individualisering zijn het gezin, huwelijk en relaties in de jaren negentig van de vorige eeuw wezenlijk anders, zo beschrijft Spruijt. Huwelijk, gezin en relatie zijn niet meer vooral nuttig en functioneel, maar hebben meer betekenis vanuit zichzelf gekregen. Het huwelijk heeft zich in dit verband ontwikkeld van een institutioneel naar een relationeel fenomeen, waarin zuiver interpersoonlijke elementen zijn gaan overheersen. Volgens Spruijt moet daarom ook echtscheiding in een ander perspectief worden bezien: door sommigen wordt scheiden acceptabel geacht wanneer een huwelijksrelatie niet meer aan de individuele persoonlijke behoeften kan voldoen. De afgelopen decennia is het aantal echtscheidingen ook drastisch toegenomen.3
Naast het huwelijk heeft ongehuwd samenwonen inmiddels een volwaardige plaats gekregen in de samenleving. Ook andere alternatieve relaties, zoals lat-relaties en homoparen, hebben maatschappelijke erkenning verworven. Tot de jaren zestig ging men in de regel pas na het huwelijk samenwonen. Ongehuwd samenwonen kwam slechts voor onder een kleine groep hoogopgeleide, progressieve en niet-religieuze jongeren.4 Sinds de jaren zestig is het huwelijk echter niet langer een sociaal-maatschappelijke voorwaarde voor liefde en seksualiteit. Huwelijk en voortplanting liggen niet langer in elkaars verlengde en zijn in zekere zin ontkoppeld. Deze tendens, en de beschikbaarheid van betrouwbare anticonceptiemiddelen, bevordert ongehuwd samenwonen en lat-relaties. Tegenwoordig is ongehuwd samenwonen dan ook niet meer weg te denken uit onze maatschappij. Op basis van het Onderzoek Gezinsvorming 2003 van het CBS is het totaal aantal gehuwde paren in de periode 1995-2005 vrijwel stabiel gebleven, maar het aantal samenwonende, niet-gehuwde paren is in dezelfde periode toegenomen met bijna 45%.5 Inmiddels maken de niet-gehuwde paren 18% uit van alle paren.
Garssen c.s. merkt op dat relatievorming tegenwoordig ook geleidelijker plaatsvindt.6 Als jongeren het ouderlijk huis verlaten gaan zij eerst alleen wonen, of met een partner. Waar men vroeger meteen in het diepe sprong door te trouwen, volgt tegenwoordig eerst een periode van ‘watervrij maken’ in de vorm van ongehuwd samenwonen. Van der Meulen en De Graaf beschrijven in dit verband dat tegenwoordig nog maar één op de tien vrouwen trouwt zonder vooraf te hebben samengewoond. Omstreeks 1970 had slechts één van elke tien vrouwen in de leeftijd van 20 tot 24 jaar die gingen trouwen, ooit ongehuwd samengewoond. Zij beschrijven ook dat van de paren die eind jaren negentig ongehuwd zijn gaan samenwonen, bijna de helft niet de intentie heeft om (ooit) te trouwen. Driekwart van de respondenten in het Onderzoek Gezinsvorming 2003 antwoordt dat trouwen niets toevoegt aan de relatie. In iets minder dan één op de tien gevallen wordt als antwoord gegeven dat de respondent principieel tegen het huwelijk is. Van der Meulen en De Graaf leiden hieruit af dat ongehuwd samenwonen tegenwoordig meer en meer wordt beschouwd als een manier om vorm te geven aan een ‘volwaardige’ relatie en dat het de rol van het huwelijk (deels) vervangt. Volgens Garssen c.s. is samenwonen echter wel vrijblijvender dan trouwen, omdat jongeren na een relatiebreuk vrij snel een nieuwe partner vinden waarmee zij gaan samenwonen. In dit verband merkt Van Duin op dat uit demografisch onderzoek in de periode 1995-2005 is gebleken dat het relatieontbindingsrisico voor ongehuwde stellen met kinderen twee tot drie maal hoger dan voor gehuwden.7
Spruijt beschrijft dat voor kinderen tegenwoordig wordt ‘gekozen’, of dat men bewust kiest voor kinderloosheid. Zowel mannen als vrouwen volgen steeds langer onderwijs, en zoeken eerst een goede uitgangspositie op de arbeidsmarkt. Pas daarna breekt een geschikt moment aan voor kinderen. Het huwelijk is dan voor sommigen een logische stap, omdat het de eenvoudigste manier is om zaken juridisch goed te regelen, zeker met betrekking tot kinderen. Van der Meulen en De Graaf merken echter op dat niet-gehuwde paren steeds minder vaak trouwen wanneer er kinderen komen.
Als gevolg van de gewijzigde samenlevingsvormen zijn ook alternatieve ouderschapsvormen ontstaan. In toenemende mate moet rekening worden gehouden met het ‘onvolledige gezin’.8 Te denken valt aan eenoudergezinnen, gezinnen met een inwonende ouder, pleeg- en stiefgezinnen, homoparen met kinderen en gezinnen van ongehuwd samenwonende ouders.9 Kinderen zijn niet alleen de ‘eigen’ kinderen, maar ook de kinderen van de partner, ofwel stiefkinderen, adoptiekinderen en pleegkinderen.10 Het aantal adoptieplaatsen in Nederland neemt sinds de jaren negentig toe, en heeft steeds meer de betekenis gekregen van adoptie van buitenlandse kinderen.11 Door het toegenomen aantal echtscheidingen komt het ook vaker voor dat kinderen worden opgevoed door de nieuwe partner van hun ouders: dit betreft stiefkinderen.