Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland
Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/6.3.2.2:6.3.2.2 De parlementaire geschiedenis
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/6.3.2.2
6.3.2.2 De parlementaire geschiedenis
Documentgegevens:
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS494616:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
MvA I 1984/85, 16593, nr. 141a, p. 10-11.
HR 22 april 1983, rov. 3, NJ 1984, 180, LJN AG1477 (Piccioli/Impag).
Voor de non-discursieve beoordeling bij verlofverlening: zie paragraaf 5.3.5.
HR 30 juni 2006, LJN AV1559, NJ 2007, 483, m.nt. H.J. Snijders (Bijl/Van Baaien c.s.).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De parlementaire geschiedenis1 beschrijft inderdaad een spectrum van beoordeling, uitgaande van enerzijds een uiterste in de situatie waarin een vordering onaannemelijk is en een belangenafweging desondanks kan leiden tot handhaving van het beslag (HR 20 maart 1959, NJ 1959, 246 (Smits c.s./curatoren) en het andere uiterste in geval van een aannemelijke vordering waarbij een belangenafweging kan resulteren in een opheffing van het beslag (HR 22 april 1983, NJ 1984, 180, LJN AG1477 (Piccioli/Impag). Deze laatste zaak betrof een vreemdelingenbeslag, door de Nederlandse schuldeiser Impag, dat op grond van een reconventionele vordering tot schadevergoeding in verband met een vermeende toerekenbare tekortkoming aan de zijde van Piccioli was gelegd onder zichzelf (een vorm van derdenbeslag). Opheffing van beslag werd door Piccioli gevorderd op grond van een formeel gebrek, namelijk dat niet zou zijn voldaan aan de verplichting op grond van artikel 757a Rv (oud) om een authentieke of onderhandse akte bij de verlofaanvraag te overleggen. Volgens de Hoge Raad geldt dit vereiste echter niet in geval van conservatoir vreemdelingenbeslag onder de schuldeiser zelf, zodat het beslag werd gehandhaafd (er was nog geen uitspraak in de hoofdzaak). De (ten overvloede) overweging van de Hoge Raad met betrekking tot weigering van verlof dan wel opheffing daarvan in deze specifieke omstandigheden luidde als volgt:
(…) ‘In geval van een beslag krachtens artikel 764 Rv (oud) het verlof kan worden geweigerd c.q. opheffing kan worden verkregen, indien het bestaan van de vordering waarvoor het beslag wordt gelegd onvoldoende aannemelijk is om het ingrijpende gevolg te rechtvaardigen dat de beslaglegger de voldoening van een vordering op de onmiddellijke betaling waarvan de wederpartij recht heeft, voor lange tijd zou kunnen blokkeren (…).2
Ik lees hierin een hypothetische overweging, een vuistregel. Van een vordering van Piccioli op dergelijke gronden blijkt immers niet uit het arrest. Heeft de Hoge Raad hier inderdaad het oog op een ‘wel degelijk in zekere mate aannemelijke vordering’, zoals de parlementaire geschiedenis stelt? Of is hier vooral van belang dat het om een niet vaststaande tegenvordering van Impag betreft waarvoor eigenbeslag is gelegd? Feitelijk wordt hier de stap van de beoordeling van (de mate van) aannemelijkheid van de vordering waarvoor beslag is gelegd niet separaat gemaakt, maar (in ieder geval in de redenering) ‘gesprongen’ naar een belangenafweging die zou kunnen leiden tot het niet verlenen van verlof of het opheffen van het beslag, hetgeen in mijn ogen niet meer dan het karakter van een non-discursieve beoordeling onderschrijft.3 Vast staat dat het hier om een zaak met een zeer specifiek karakter gaat.
Voor de andere zijde van het spectrum, de situatie waarin een vordering onaannemelijk is en een belangenafweging kan leiden tot handhaving van het beslag, verwijst de parlementaire geschiedenis naar HR 20 maart 1959, NJ 1959, 246 (Smits c.s./curatoren). In deze zaak ging het om een vordering, gegrond op een onrechtmatige daad, waarvoor door de curator derdenbeslag was gelegd. De Hoge Raad overwoog dat de stelling dat een vordering tot opheffing van beslag in kort geding dient te worden toegewezen, tenzij de beslaglegger de juistheid van zijn vordering aantoont, onjuist is. Indien de kort geding rechter niet kan beoordelen of voorshands aannemelijk is dat de vordering waarvoor beslag is gelegd niet bestaat, zoals hier aan de orde was, dan kan alleen een afweging van belangen tot opheffing van het beslag leiden. In dit geval kon de rechter die in hoger beroep een oordeel moest geven over opheffing van het beslag op basis van het dossier en de uitspraak van de rechtbank (die de vordering van de curatoren afwees, waartegen de curatoren beroep hadden aangetekend) geen uitspraak doen over de gegrondheid van de vordering van de curatoren. Deze rechter liet daarom het beslag in stand: de bodemrechter zou een uitspraak moeten doen over de gegrondheid van de vordering die aan het beslag ten grondslag lag.
De omstandigheden in deze zaak komen derhalve overeen met die in het (latere) arrest Bijl/Van Baalen c.s.4 Is dit dan een voorbeeld van een situatie waarin een vordering onaannemelijk is? Naar huidige maatstaven van de Hoge Raad in beginsel niet: in het arrest Bijl/Van Baalen c.s., waarover in het navolgende meer, kwam de Hoge Raad tot de conclusie dat het feit dat de eis in hoofdzaak door de bodemrechter in eerste aanleg bij een nog niet in kracht van gewijsde uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld, is afgewezen, nog niet betekent dat daarmee de vordering waarvoor beslag is gelegd als summier ondeugdelijk moet worden beschouwd.