Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/10.4.5.3
10.4.5.3 Tegenstrijdige uitspraken
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS508430:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. daartoe ook HR 26 november 2010 (Silver Lining Finance/Perstorp Waspik), r.o. 3.4.2 in fine, NJ 2011, 55, m.nt. P. VAN SCHILFGAARDE, JOR 2011, 7, m.nt. R.G.7. DE HAAN alsmede de conclusie van A-G TIMMERMAN (sub 4.9) vóór dit arrest, met dien verstande dat de arbitrageovereenkomst zich niet uitstrekte tot alle bij de zaak betrokken 'rechtsbetrekkingen' op de grond dat bepaalde geschilpunten niet voor arbitrage vatbaar waren (zie 10.4.3; vgl. ook 11.4.3.3).
Rb. Haarlem 11 mei 1993, NJ 1995, 71 en TvA 1993, blz. 238, m.nt. P. SANDERS.
Vgl. ook VAN DEN BERG (diss.), blz. 159 en 163 met betrekking tot de vraag of de overeenkomst tot arbitrage bij tegenstrijdige uitspraken 'inoperative' of 'incapable of being performed' is in de zin van art. II lid 3 NYC; in dezelfde zin (Lonrho c.s./The Shell Petroleum Company), Yearbook Comm. Arb. 1979, blz. 320 (zie ook 9.3.3.2 over derdenwerking van arbitrale bedingen en tegenstrijdige uitspraken).
A-G HARTKAMP refereert in zijn conclusie (sub 8 en 9) vóór HR 2 november 1990 (Van der Kloof /CSU), NJ 1991, 123 aan: HR 20 mei 1949 (Zwitserse Mij. v. Verz. tegen Ongevallen/Rederij Koppe), NJ 1950, 72, m.nt. PHANH, HR 15 februari 1985, NJ 1985, 885, m.nt. EAAL (dit voor de 'uitleg volgens redelijkheid en billijkheid') (zie voorts 4.2.2 sub e) en HR 23 maart 1990 (Botman/Van Haaster), NJ 1991, 214 (voor het beroep op de overeenkomst tot arbitrage in strijd met redelijkheid en billijkheid) (zie voorts 10.4.2.4 sub c).
Wij zouden het ook aldus kunnen formuleren dat de terzijdestelling van het arbitraal beding is gegrond op de uitleg volgens redelijkheid en billijkheid (zie 4.2.2 sub e).
Zie ook het al genoemde HR 26 november 2010 (Silver Lining Finance/Perstorp Waspik), r.o. 3.4.2 in fine, NJ 2011, 55, m.nt. P. VAN SCHILFGAARDE, JOR 2011, 7, m.nt. R.G.7. DE HAAN alsmede de conclusie van A-G TIMMERMAN (sub 4.9) vóór dit arrest (vgl. ook 11.4.3.3); anders — twijfelachtig — Rb. Amsterdam 7 februari 2007, LJN AZ 9931 inzake een vrijwaring en een hoofdzaak.
In het algemeen wordt aangenomen dat tegenstrijdige uitspraken zoveel als mogelijk moeten worden vermeden. Bij arbitrage is het gevaar van tegenstrijdige uitspraken, met name van die van arbiters enerzijds en de gewone rechter anderzijds, niet denkbeeldig omdat voor arbitrage een geldige arbitrageovereenkomst wordt verlangd en het daarom soms voorkomt dat de arbitrageovereenkomst zich niet uitstrekt tot alle bij een zaak betrokken partijen en/of rechtsbetrekkingen.1 Anders dan bij de gewone rechter is het in arbitrage niet goed mogelijk "derden" in een arbitraal geding te betrekken (zie 9.2.4.3 en 9.2.4.4).
In de zaak Lufthansa/AERO Groundservices hebben partijen op een bepaald ogenblik hun overeenkomst gewijzigd. Daarbij hebben zij het arbitraal beding dat in de oude overeenkomst was opgenomen wegens het — in hun ogen — kostbare en tijdrovende karakter van arbitrage uit de overeenkomst geschrapt.
Nadien wendt één van de partijen zich tot de rechtbank met betrekking tot geschillen die zich hebben voorgedaan zowel voordat als nadat het arbitraal beding uit de overeenkomst was geschrapt. De wederpartij beroept zich op het arbitraal beding uit de oude overeenkomst met betrekking tot de geschillen die zich vóór de wijziging van de overeenkomst hebben voorgedaan.
De rechtbank acht het beroep op het arbitraal beding in strijd met redelijkheid en billijkheid. Zij beroept zich daarbij op de redenen van schrapping van het arbitraal beding en de samenhang die bestaat tussen de geschillen ontstaan vóór de schrapping en de geschillen ontstaan na de schrapping van het arbitraal beding.2 Met het beroep op de samenhang tussen de verschillende soorten geschillen heeft de rechtbank kennelijk tegenstrijdige uitspraken willen voorkomen. De uitspraak bevredigt het rechtsgevoel, niet alleen uit het oogpunt van proceseconomie, doch ook omdat het sterk erop lijkt dat partijen eigenlijk niet anders hebben bedoeld. De wijziging van de overeenkomst op de aangegeven gronden kan wellicht ook worden uitgelegd als een beëindiging van de arbitrageovereenkomst. Met het risico van tegenstrijdige (rechterlijke en arbitrale) uitspraken in samenhangende zaken alléén, zal een beroep op een arbitrageovereenkomst dunkt mij nog niet in strijd komen met redelijkheid en billijkheid.3 Daartoe zullen bijkomende omstandigheden aan de orde moeten zijn als bijvoorbeeld de zojuist genoemde samenhang en de schrapping van het arbitraal beding.
Ik wijs in dit opzicht voorts op de beslissing van de Hoge Raad in de zaak Van der Kloof/CSU met betrekking tot een arbitraal beding dat in reikwijdte was beperkt als gevolg waarvan bepaalde geschillen aan arbiters moesten worden voorgelegd en de resterende geschillen aan de gewone rechter moesten worden voorgelegd (zie 10.2.2.2). Het hof overweegt dat een redelijke uitleg van het arbitraal beding meebrengt dat de gewone rechter, indien hij zich moet buigen over geschilpunten waartoe hij bevoegd is, ook ondergeschikte geschilpunten - i.c. de buitengerechtelijke kosten4 — voor zijn rekening neemt:
’3.1. Het eerste middel A richt zich tegen 's hofs overweging 8.1, waarin het hof heeft geoordeeld, kort samengevat, dat het door Van der Kloof ingeroepen arbitrale beding geen betrekking heeft op het belangrijkste geschilpunt, namelijk de vraag of tussen Van der Kloof en CSU een overeenkomst is tot stand gekomen uit hoofde waarvan Van der Kloof tot betaling gehouden is, en dat een redelijke uitleg van het betreffende beding meebrengt dat de burgerlijke rechter, eenmaal terecht geadieerd, ook de ondergeschikte geschilpunten voor zijn rekening neemt.
Het middel faalt in al zijn onderdelen. Het oordeel van het hof berust op een uitleg van feitelijke aard van het arbitrale beding — dat spreekt van geschillen "omtrent interpretatie, uitvoering en beëindiging van de overeenkomst" — met het oog op de toepassing van dat beding in een situatie als in het onderhavige geval was ontstaan. Deze uitleg is mede in het licht van die situatie niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Anders dan het derde onderdeel van het middel aanvoert, heeft het hof ook geen rechtsregel geschonden door bij zijn oordeel mee te wegen dat het beding tot de algemene voorwaarden van CSU behoorde en niet op verlangen van Van der Kloof in de overeenkomst is opgenomen. Bij dit laatste heeft het hof kennelijk voor ogen gehad dat aan het belang van Van der Kloof om tot een daadwerkelijke arbitrage te komen, bij de uitleg van het beding voor een situatie als hier aan de orde is, weinig gewicht toekomt, hetgeen in hoofdzaak een kwestie van feitelijke waardering is."5 [cursief toegevoegd]
De Hoge Raad sanctioneert de uitleg (zie voor de beperkingen van de uitleg in cassatie 4.2.2). De grondslag van de beslissing van het hof op dit punt lijkt - op het eerste oog - te zijn gelegen in de uitleg van het arbitraal beding en wel de "redelijke uitleg". Verdedigd kan worden dat het ook in de zaak Van der Kloof/CSU eigenlijk (mede) een toepassing van de (derogerende) werking van redelijkheid en billijkheid betreft (als bedoeld in art. 6:248 lid 2 BW):
’8. (...). (...).
(...). M.i. ligt aan 's hofs beslissing ten grondslag dat het college Van der Kloofs beroep op het arbitragebeding wat de ondergeschikte geschilpunten betreft in strijd met de goede trouw heeft geoordeeld. Dat het hof van "redelijke uitleg" spreekt, staat daaraan niet in de weg nu dat begrip zich slechts gradueel onderscheidt van de vaststelling van hetgeen redelijkheid en billijkheid vorderen (...). [6]
9. 's Hofs beslissing geeft derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zij is m.i. ook voldoende gemotiveerd. Het hof baseert zich enerzijds op het ondergeschikte karakter van de resterende geschilpunten, en anderzijds op het feit dat het niet Van der Kloof doch CSU is geweest op wiens verlangen het beding in de overeenkomst is opgenomen. Onderdeel III komt tegen laatstgenoemde schakel in 's hofs motivering op, doch m.i. tevergeefs, omdat het langs 's hofs beslissing heen gaat. Het feit dat partijen beiden aan het beding gebonden zijn, neemt immers niet weg dat een beroep daarop in strijd kan zijn met de goede trouw; bij de vraag of dat zo is, kan van belang zijn wie het initiatief tot opneming van het beding in de overeenkomst heeft genomen. Doorgaans werkt dit in het nadeel van de gebruiker van algemene voorwaarden, doch geen rechtsregel staat eraan in de weg dat in een geval als het onderhavige juist het beroep van de wederpartij op het beding in strijd met de goede trouw wordt geacht. (...)."7 [cursief en noot toegevoegd]
Ook ik meen dat de terzijdestelling van het arbitraal beding betreffende de ondergeschikte geschilpunten (waartoe het arbitraal beding zich eigenlijk wel uitstrekt) grondslag vindt in de (derogerende) werking van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW).8 Aan de beslissing in de zaak Van der Kloof/CSU liggen mijns inziens, evenals in de zaak Lufthansa/AERO Groundservices, de samenhang van de geschilpunten en de proceseconomie ten grondslag.9 De toegevoegde waarde van de beslissing in de zaak Van der Kloof/CSU lijkt met name ook het criterium of het "ondergeschikte geschilpunten" betreft. Mijns inziens kunnen wij uit de beslissing afleiden dat de gewone rechter wél op grond van redelijkheid en billijkheid in dit soort gevallen van "samenhang" een arbitraal beding terzijde mag stellen, doch daarbij zal hij geen substantiële geschilpunten aan zich mogen trekken waartoe (eigenlijk) de overeenkomst tot arbitrage zich uitstrekt en dat de gewone rechter zich op dit punt dus terughoudend moet opstellen.10