Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/10.4.1
10.4.1 Heroverweeg risque social voor de werkgever
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS574512:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 1.2.
Bij de invoering van de WIA is door het kabinet advies gevraagd aan de SER over de invoering van een aparte risque professionnel-regeling, de zgn. Extra Garantieregeling Beroepsrisico’s. De SER heeft de boot in zijn advies enigszins afgehouden, SER Advies 2004-2.
De HR heeft niet willen uitspreken dat er zoiets als een risque social-beginsel aan art. 7:629 BW ten grondslag ligt: ‘Voor zover het middel betoogt dat een andere dan de daarin verdedigde opvatting in strijd komt met het maatschappelijk aanvaarde en in het recht verankerde beginsel van het ‘risque social’ -het bestaan van een dergelijke rechtsbeginsel daargelaten- miskent het dat de omstandigheid dat art. 7:629 zich niet beperkt tot de risico’s van beroepsziekten en -ongevallen niet eraan in de weg staat dat, zoals hier geschied is, de aanspraak op een bovenwettelijke aanvulling contractueel aldus wordt beperkt dat arbeidsongeschiktheid, veroorzaakt door buiten de werksfeer liggende gedragingen of activiteiten van de werknemer, die aanspraak doet vervallen.’, HR 14 maart 2008, ECLI:HR:2008: BC6699, r.o. 3.3.
Uiteraard bestaat hier verband met hoe over art. 7:658 BW wordt gedacht.
Zie over het risque social ook § 5.25.2.
Asscher-Vonk 2010, p.95-96. De grens tussen algemeen belang en werkgevers- en werknemersbelang moet niet te scherp worden getrokken, stelt zij.
Zie § 5.9.
Heel letterlijk genomen is die verantwoordelijkheid zelfs groter als de werkgever geen invloed heeft op het ontstaan van arbeidsongeschiktheid, dan als de werkgever wel invloed heeft! Bij het risque social -dus zonder invloed- kan hij zich namelijk alleen bevrijden van zijn verantwoordelijkheid bij opzet van de werknemer. Bij arbeidsongevallen en beroepsziekten -dus waarop hij wel invloed heeft- kan hij zich bevrijden van aansprakelijkheid bij opzet én bij bewuste roekeloosheid van de werknemer. Het verschil is maar marginaal (zie verder in § 10.4.2) maar lijkt niet in verhouding.
Roozendaal 2005, p.23.
Sterker nog, het is de wetgever bewust om iets anders te doen geweest dan een evenredige bijdrage van de werkgevers aan de kosten van arbeidsongeschiktheid: nl. preventie en re-integratie, Fluit 2001, p.117, Roozendaal 2005, p.31.
Aangezien het onduidelijk is of het risque social in deze vorm gericht is op rechtvaardigheid.
Roozendaal 2005, p.32.
Hoekema/Van Manen, p.136-137.
Dat ging over MKB-bedrijven, Kamerstukken II 1995/96, 24 439, nr.3, p.18,.
Zie § 9.2.1 bij solidariteit en L. Kok, A. Heyma &M Lammers, ‘Verlaag kosten loondoorbetaling voor kleine bedrijven’, TPE digitaal 2013/7, p.11.
Zie § 4.5.5.
Een extra argument is wellicht dat het overlaten aan de markt een veronachtzaming is van de grondwettelijke taak van de overheid te zorgen voor sociale zekerheid. Loondoorbetaling bij ziekte wordt echter in Europese rechtspraak ook gezien als ‘sociale zekerheid’.
Zie ook Roozendaal 2005, p.33-34.
Zie ook de rechtsgrond die bij de rechtsvoorganger van art. 7:658 BW is aangevoerd, te weten art. 7A:1638c BW: werknemers worden aan een groter risico blootgesteld doordat zij werken, zodat de werkgever voor dat risico de verantwoordelijkheid draagt.
W. Rauws, ‘Werk maken van arbeidsongeschiktheid: risque professionnel of risque social?’ in: T. Hartlief & S. Klosse (red.), Einde van het aansprakelijkheidsrecht?, Boom Juridische uitgevers: Den Haag 2003, p.162-163.
Rauws, p.163.
Rauws, p.150 en 163. Een systeem met een combinatie van risque professionnel en een bovenwettelijke aansprakelijkheid is ook mogelijk, S. Klosse, ‘Meerwaarde van alternatieve (vergoedings) systemen’ in: Hartlief/Klosse, p.101-107.
Opsomming van voor- en nadelen uit Rauws, p.150-153.
A. Geers, ‘Kanttekeningen bij het preadvies van Rauws’ in: Hartlief/Klosse, p.182.
Overigens is wel nodig dat bedrijfsartsen hun wettelijke plicht om beroepsziekten te melden (art.9 lid 3 Arbeidsomstandighedenwet) beter vorm geven. Naar blijkt meldt 70% van de bedrijfsartsen een beroepsziekte niet, B.C.H. de Zwart e.a., Versterken melding beroepsziekten. Resultaten vragenlijstonderzoek, Astri 23 april 2014.
Geers, p.182.
Wat ik zie als de rechtsgrond van aansprakelijkheid van art. 7:658 BW.
Fluit 2001, stelling 3.
Voor wat dat betreft is misschien een aanknopingspunt te vinden in de art. 7:611 BW-jurisprudentie over werkgerelateerde schade.
Rauws, p.153.
Pennings meent vanuit een internationaalrechtelijke invalshoek dat een risque professionnelregeling onvermijdelijk’ is, F.J.L. Pennings, ‘DeWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen in het licht van de IAO-verdragen’, Arbeid Integraal 2005/3, p.75. FNV-voorzitter T. Heerts riep op 11 juni 2014 er toe op een collectieve schadevergoedingsregeling in te voeren ‘om de problematiek van de beroepsziekten nu eindelijk fatsoenlijk te regelen’, http://www.nu.nl/economie/3799604/fnv-wilregeling-beroepsziekten.html?kl , geraadpleegd op 14 juli 2014.
A.T.J.M. Jacobs, Veranderend socialezekerheidsrecht, Lelystad: Koninklijke Vermande 1997, p.96, hij stelt een loondoorbetalingsperiode van zes weken voor. Merkwaardig is de redenering van de Minister zo’n soort regeling niet toe te staan omdat de ZW na zo’n eigenrisicoperiode dan een particuliere verzekering zou zijn: Kamerstukken II 2000/01, 27 678, nr. 5, p.17-18: ‘De leden van de fractie van GroenLinks vragen een reactie op hun suggestie om met name ten behoeve van het MKB de mogelijkheid te openen na 13 weken gebruik te maken van de collectieve Ziektewet...De financiële last wordt dan ondergebracht bij de uitvoeringsinstelling. Deze suggestie komt er naar de mening van het kabinet op neer dat een deel van de werkgevers de financiële lasten van het ziekteverzuim in het eerste jaar ten laste van de sociale fondsen kunnen brengen en dat de uitvoeringsinstelling in feite een particuliere verzekering aanbiedt. Dat is niet de weg die het kabinet wil volgen.’
Een eigenrisicoperiode is het toch accepteren dat de werkgever voor een korte periode het risque social voor zijn rekening neemt. Dat acht ik aanvaardbaar uit het oogpunt van uitvoerbaarheid. Zie verder § 10.4.3 en 10.4.4 over de duur van die eigenrisicoperiode.
Zie § 1.3.
Kok/Heyma/Lammers, p.14-15, ook omdat een significant verschil in werkhervatting tussen private of publieke verzekering niet zou zijn te zien.
Hermans, p.402-411, weliswaar voor de WW maar net zo goed toepasbaar rond arbeidsongeschiktheid, p.410. Ik besef dat haar ‘sociale risico’s’ over iets anders gaan (zorg, scholing, levensloop afhankelijke behoeften) dan het ‘risque social’ (irrelevante oorzaak van arbeidsongeschiktheid).
Hermans, p.66, een combinatie van de Spaar-WW variant van Van Ours en de Levensloop-WW-variant Hermans & Pennings waaruit niet alleen zorg- en scholingsverlof of sabbatical wordt betaald, maar ook de WW zelf, p.74
Hermans, p.408, 10 en 403-404. Overigens staat bij een ‘spaarpijler’ vast dat bij onvoldoende spaartegoed maatregelen nodig zijn om kwetsbare groepen in te sluiten, die niet (opnieuw) hebben kunnen sparen (zoals starters of mensen met een hoog werkloosheidsrisico). Dat kan met bijvoorbeeld eenvoudig krediet of aanvullingen uit een solidariteitsfonds, betaald door werkgever en werknemer of door publieke middelen.
En niet zo zeer de activerende (financiële prikkel)werking, die ik voor werknemers betwijfel.
Kamerstukken II 2004/04, 30 034, nr.3, p.211-212, waaruit blijkt dat het verhaalssysteem uit de WAO werd gehandhaafd.
Wat bewuste roekeloosheid van de werkgever is, is onduidelijk. In elk geval zal het niet de definitie uit HR 20 september 1996, NJ 1997, 137 zijn, dat ‘de werknemer zich, tijdens het verrichten van de onmiddellijk aan het ongeval voorgaande gedraging, van het roekeloze karakter daadwerkelijk bewust is geweest’.
Kamerstukken II 1992/93, 22 730, nr.7-8, p.416-417, zie ook SMA 1991, p.555-559 en C.C. van Dam, Politieke infiltratie in het privaatrecht. Beleidsmatige wetgeving in het vermogensrecht, oratie VU, Law en Practice Publishers: Deventer 1994, p.17-19. Hartlief meent dat verdergaande regresrechten vanuit het oogpunt van het aansprakelijkheidsrecht niet zinvol is, T. Hartlief, ‘De meerwaarde van het aansprakelijkheidsrecht’ in: Hartlief/Klosse, p.51-52.
Uit de cijfers in § 1.2 volgt dat het grootste deel van het verzuim niet samenhangt met het werk. Maar een kwart van de zieke werknemers verklaart dat hun verzuim geheel of gedeeltelijk arbeidsgebonden is. Qua verzuimvolume wordt minder dan de helft werkgebonden geacht.1 Toch is een haast onwrikbaar standpunt dat de lasten van arbeidsongeschiktheid ongeacht de oorzaak (risque social) door de overheid (of later: door de werkgever) moeten worden gedragen.2 De rechtsgrond voor de verantwoordelijkheid van de werkgever voor twee jaar loondoorbetaling bij arbeidsongeschiktheid, zonder dat hij op het ontstaan daarvan invloed heeft kunnen uitoefenen, moet opnieuw tegen het licht worden gehouden.3 Vraagt een balans tussen rechten en plichten van werkgever, werknemer en overheid niet om een andere verdeling, bijvoorbeeld met een risque professionnel-regeling?4
Om die vraag te beantwoorden moet eerst worden gemotiveerd: waarom is het risque social te heroverwegen?5 Misschien is een terechte wedervraag: waarom is het te handhaven? Het is goed te beseffen dat het uitgangspunt is dat ziekte in de risicosfeer van een ieder zelf ligt. Ziekte is een ‘fact of life’. Interessant wordt de rechtvaardigheidsgedachte die Asscher-Vonk heeft geopperd. Bij haar benadering van sociale rechtvaardigheid heeft zij aangehaald dat belangen die buiten de werkgever en werknemer staan geen vertaling verdienen als rechten en plichten in de arbeidsovereenkomst. Bij een algemeen belang, zoals bijvoorbeeld het terugdringen van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, moet precies worden nagegaan of dat ook een belang van (één van) de contractspartijen is.6 Als dat zo is, moeten vervolgens het werkgevers- en werknemersbelang worden afgewogen tegen andere onderkende en erkende belangen, waarbij de arbeidsrechtelijke maatregel moet zijn gericht op verhoging van rechtvaardigheid en dat effect ook hebben.
Het risque social is geboren vanuit een bepaalde visie op het algemeen belang, waarbij ziekte uit de risicosfeer van het individu werd gehaald en werd ondergebracht bij het collectief.7 Onderkend kan worden dat ook de arbeidsongeschikte werknemer als contractspartij belang heeft bij het risque social. Bij arbeidsongeschiktheid is namelijk zonder verdere discussie zijn aanspraak op loon veiliggesteld. Maar of dit belang in de individuele arbeidsverhouding kan worden erkend is voor mij niet zeker. In de afweging van onderkende en erkende belangen is het maar de vraag of het risque social is gericht op rechtvaardigheid of het effect heeft die te vergroten, als een werkgever -die geen invloed heeft gehad op het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid- verantwoordelijkheid draagt voor de kosten daarvan.8 In het verbintenissenrecht is het ongebruikelijk om aansprakelijkheid te aanvaarden voor risico’s die je zelf niet kunt beïnvloeden, terwijl de wederpartij dit wel kan. Het dwingendrechtelijk opleggen van een dergelijke aansprakelijkheid strookt daarom in beginsel niet met gangbare ideeën over een rechtvaardige risicoverdeling.9 De arbeidsovereenkomst is echter geen gewone overeenkomst, wat reden kan zijn de risicoverdeling anders vorm te geven. Een afwijking van het uitgangspunt dat ziekte in de risicosfeer van de werknemer ligt, moet dus door de wetgever worden gemotiveerd. Na de ‘privatisering van de ZW’ ontbreekt die fundamentele motivering waarom dit risico bij de individuele werkgever mag worden gelegd.10 In de toetsing van Asscher-Vonk is het daarmee niet sociaal rechtvaardig het risque social een plaats toe te kennen in de individuele arbeidsovereenkomst.11
Daarnaast is het risque social ingevoerd in de ZW en later gehandhaafd in de WAO. Op basis van solidariteit is toen besloten dat de maatschappij de gevolgen zou dragen van arbeidsongeschiktheid die werknemers overkwam. Dat gebeurde aanvankelijk omdat de kosten daarvan werden gedragen door diezelfde maatschappij, met de collectief gefinancierde werknemersverzekeringen. Met het overhevelen gedurende de wachttijd van de inkomensverantwoordelijkheid naar de werkgever ontviel echter die collectiviteits- en solidariteitsgedachte. Roozendaal wijst er terecht nog op dat in de jaren negentig het idee werd gevoed dat de zorg voor het inkomen van de zieke werknemer eigenlijk altijd al een verantwoordelijkheid van de werkgever was geweest, die hij steeds op de collectiviteit had kunnen afwentelen. Dat is historisch gezien onjuist want arbeidsongeschiktheid werd altijd als een maatschappelijk risico gezien.12 De individuele werkgever werd niettemin verantwoordelijk voor de loondoorbetaling ongeacht de oorzaken die tot arbeidsongeschiktheid leidden. Dat is in wezen een risico-aansprakelijkheid voor arbeidsongeschiktheid van de werknemer, zonder de dekking van een collectieve verzekering. Hoekema/Van Manen hebben vanuit een oogpunt van legaliteit helder betoogd dat risicoaansprakelijkheid niet mag bestaan zonder een verzekeringsmogelijkheid, maar dat omgekeerd niet geldt dat risicoaansprakelijkheid mag worden ingevoerd omdat er een verzekeringsmogelijkheid bestaat.13 Precies dát is er wel gebeurd: de Minister heeft de loondoorbetalingsplicht voor een gelijke, lange termijn voor alle bedrijven ingevoerd, omdat op de markt een adequate betaalbare verzekeringsmogelijkheid bestaat.14
Private verzekeringen zijn echter geen passende vervanging van collectieve regelingen, bijvoorbeeld omdat een deel van de werkgevers zich niet heeft verzekerd, een groot deel van de werknemers daarmee niet onder de dekking valt en de verzekering voor kleine bedrijven duur is.15 Daar is tegen in te brengen dat de werkgever zelf de verantwoordelijkheid maar moet dragen als hij besluit zich niet te verzekeren. Dat is toch wat Dworkin beweert?16 Volgens mij niet. De werkgever moet zelf de gevolgen dragen van option luck (de eigen keuzes) of van het al dan niet verzekeren van brute bad luck (vangnet tegen domme pech). Dat een werkgever er niet voor kiest het risico van loondoorbetaling bij ziekte te verzekeren, maakt zijn situatie nog niet sociaal rechtvaardig. De aanleiding om zich te verzekeren is namelijk geen domme pech, maar bewust beleid. Beleid wordt niet sociaal rechtvaardig enkel omdat je jezelf tegen de gevolgen kunt verzekeren.17 Er is ook nog te wijzen op de twee effecten die tegelijkertijd ontstaan bij een risque social voor de individuele werkgever. Ik heb al gewezen op de kans op risicoselectie. Het kan de werkgever tegelijkertijd stimuleren invloed te gaan uitoefenen op zijn werknemer om het ontstaan van arbeidsongeschiktheid in de privésfeer te voorkomen. De scheidslijn tussen werk en privé kan daarbij op een onwenselijke manier worden overschreden.18
Waarom dan wel een risque professionnel-regeling overwegen? Dát werkgevers de last moeten dragen van werkgerelateerde arbeidsongeschiktheid is terecht. Zij zijn verantwoordelijk voor de inrichting en het onderhoud van de arbeidsplaats van hun werknemers. Als de werknemer een bedrijfsongeval krijgt of een beroepsziekte ontwikkelt dan is het niet rechtvaardig de schade af te wentelen op de collectiviteit.19Artikel 7:658 BW dekt nu de aansprakelijkheid voor een risque professionnel. Risque professionnel-regelingen zijn in de regel gestoeld op risicoaansprakelijkheid; dat is in feite ook zo bij artikel 7:658 BW, wat wel een quasi-risicoaansprakelijkheid is genoemd.20 Als de werkgever een risicoaansprakelijkheid draagt, is een heroverweging van het risque social terecht.21 Bij een zuiver risque professionnel-stelsel wordt collectief een uitkering gefinancierd als de werknemer in de uitoefening van de werkzaamheden schade lijdt. De werknemer hoeft geen schuld, fout of nalatigheid van de werkgever te bewijzen en krijgt een hoge uitkering. De werkgever weet dat hij er van uit kan gaan dat hij niet verder wordt aangesproken tot vergoeding van schade (immuniteit).22
Voorstanders van een zuiver risque professionnel-stelsel wijzen op een aantal voordelen:23
Demping volume-risico’s.
Door een afzonderlijk stelsel voor beroepsgebonden schade kan de drempel voor sociale risico’s omhoog en de instroom in arbeidsongeschiktheidverzekering omlaag.
Meningsvorming over wat tot verantwoordelijkheid van de werkgever behoort.
In overleg tussen medische deskundigen, vakbonden en werkgeversorganisaties kan duidelijk worden afgebakend welke gezondheidsrisico’s tot de verantwoordelijkheid van de werkgever horen.
De sociale vrede wordt bewaard.
De werknemer hoeft niet te gaan procederen tegen zijn werkgever maar kan in discussie gaan met diens verzekeraar, niet zozeer over de aansprakelijkheid zelf maar in de regel over de omvang van de schade.
Correcte schadeloosstelling van getroffenen.
Verlies van verdiencapaciteit wordt tamelijk volledig gecompenseerd; de uitkering is hoger dan bij sociale risico’s.
Instemming van werkgevers met exclusieve financiering.
Werkgevers zullen in de regel geen moeite hebben met het moeten betalen van de premie voor een risque professionnel-verzekering, aangezien het geheel van verzekerde gebeurtenissen in hun risico- en invloedssfeer valt.
Rem op een claimcultuur en calculeerbaarheid van de risico’s.
Vanwege duidelijkheid rond verantwoordelijkheid, aansprakelijkheid en de hoogte van de uitkering is de kans op een civiele claimstroom kleiner. Voor verzekeraars is de inschatting van risico’s daardoor gemakkelijker.
Veelal is er sprake van een gecombineerde uitvoering van financiële schadevergoeding met preventie, revalidatie en re-integratie.
Tegenstanders wijzen op een aantal nadelen en voeren een aantal argumenten aan:
Het is onrechtvaardig om mensen met dezelfde aandoening uit verschillende oorzaken, financieel verschillend te compenseren.
Geers heeft dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel genoemd.24
Afbakening van werkgerelateerde en privé arbeidsongeschiktheid is lastig.
Multicausale arbeidsongeschiktheid maakt de handhaafbaarheid van een risque professionnel-stelsel ingewikkeld.
Beperkte lijst van wat tot verantwoordelijkheid van de werkgever hoort, zorgt voor zware bewijslast van de werknemer.
Er zal een neiging zijn om vanuit kostenbeheersing de lijst te beperken, van schaderisico’s die tot de verantwoordelijkheid van de werkgever behoren. De arbeidsongeschikte werknemer die buiten die lijst om een vordering wil instellen, zal dan te maken krijgen met een zware bewijslast.
Onnodig voor re-integratie en soms zelfs re-integratiebelemmerend.
Om aan re-integratie te werken is een risque professionnel-regeling niet noodzakelijk; dat kan ook bij een risque social-regeling. De hoge uitkering levert voor de werknemer geen prikkel tot re-integratie, terwijl ‘labeling’ als ‘privé-arbeidsongeschikte’ belemmerend kan werken voor arbeidsdeelname.
Complexe regelgeving en hoge administratieve lasten, onder meer door te verwachten bezwaren tegen het niet aanmerken van arbeidsongeschiktheid als risque professionnel en door institutionele kosten.
Als de zwaarstwegende van deze argumenten kunnen worden weerlegd, kan dat helpen de gedachte van een risque professionnel-regeling te overwegen.25 Geers heeft de eerste twee argumenten uitgewerkt.26 Allereerst het rechtvaardigheidsargument waarbij hij zich beroept op het gelijkheidsbeginsel. Het gaat niet áán om mensen met eenzelfde arbeidsongeschiktheid maar vanwege verschillende oorzaken financieel ongelijk te behandelen, zegt hij. Ik denk echter dat juist het gelijkheidsbeginsel grond is om dat wel toe te staan. Immers, dat beginsel bepaalt dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld. Omdat de oorzaken van de arbeidsongeschiktheid verschillend zijn, is gelijke behandeling al niet geboden. Ongelijke gevallen mogen vervolgens ongelijk worden behandeld, naar de mate van hun ongelijkheid. Het is verdedigbaar om werknemers die schade hebben geleden doordat zij aan een risicoverhogende situatie hebben blootgestaan, namelijk een werkomgeving, 27een andere uitkering te geven, dan mensen van wie de arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een omstandigheid die in hun risicosfeer ligt.
Het tweede argument is veel gehoord: afbakening tussen werkgerelateerde en privé-gerelateerde arbeidsongeschiktheid, met name als meerdere oorzaken daaraan (kunnen) hebben bijgedragen, maken een risque professionnel-regeling moeilijk hanteerbaar. Hier wijst Geers op het naar zijn mening overtuigende bewijs dat ligt in de jurisprudentie rond de norm ‘in de uitoefening van zijn werkzaamheden’ uit artikel 7:658 BW. Ook hier denk ik dat juist die jurisprudentie de werkbaarheid van het onderscheid aantoont. In de loop van de tijd is de norm door de HR zo verfijnd dat de stelling van Fluit uit 2001 dat de jurisprudentie voldoende houvast biedt voor een onderscheid tussen risque social en risque professionnel, zeker opgaat.28 Ik kan mij verder niet aan de indruk onttrekken dat uit de ervaringen in de ons omringende landen, die allemaal een risque-professionnel regeling kennen waaronder het Duitse Unfallversicherungsgesetz, voldoende vertrouwen te is putten dat een dergelijk onderscheid werkbaar en uitvoerbaar is te maken. Of dat blijkens het derde argument moet met een vaste lijst van beroepsziekten en hoe de bewijslast moet luiden bij situaties die buiten de risque professionnel-verantwoordelijkheid vallen, is nog te bezien.29 Het argument dat de re-integratie ook kan worden overgelaten aan de publieke uitvoerders van een risque social-regeling is juist. Het is niet nodig dat dit wordt ondergebracht bij een uitvoerder van een risque professionnel-regeling. Tegelijkertijd is er ook niets op tegen. Het bezwaar dat een hoge uitkering en de ‘labeling’ re-integratiebelemmerend werken, zijn bezwaren die hout snijden. Voor het ontbreken van prikkels of voor de kans op risicoselectie die hierbij bestaat, moet over een oplossing worden nagedacht. Uit literatuurstudie en analyse van gegevens uit omringende landen is ten slotte -in antwoord op het laatste argument- niet zo maar af te leiden dat de regels te complex zijn of leiden tot hoge administratieve kosten.30
Op basis van het voorgaande staat voor mij het handhaven van een risque social voor de werkgever niet zonder meer op voorhand vast en ben ik niet meteen overtuigd van de onoverkomelijkheid van een aantal bezwaren tegen het risque professionnel.31Mijn pleidooi komt nu niet per se neer op het afschaffen van het risque social voor de werkgever, maar mij lijkt dat de discussie over de rechtvaardiging daarvoor opnieuw zou moeten worden gevoerd. In zo’n discussie is voor mij overigens niet noodzakelijkerwijs het doel om te komen tot volledige afschaffing van de loondoorbetaling bij ziekte. Een gedachte kan zijn het huidige stelsel te vervangen door een verzekeringssysteem met een uitkering voor professionele risico’s zonder eigenrisicoperiode en een uitkering voor andere risico’s, met een eigenrisicoperiode.3233Dat is exact het systeem dat in Duitsland geldt en wat kennelijk heeft geleid tot vergelijkbare verzuimpercentages, lagere instroomcijfers in arbeidsongeschiktheidregelingen en lagere totale uitgaven aan arbeidsongeschiktheid.34
Afrondend nog een enkele losse gedachte over de financiering van een systeem van het risque social. Een één-op-één terugkeer naar situatie van voor de Wet TZ (1992) door alles weer terug onder te brengen in de ZW ligt voor mij niet direct voor de hand. Het sociaalrechtelijke landschap is de afgelopen decennia serieus veranderd. De vraag komt op, wat de elementen zijn waaraan een verzekering in de 21e eeuw moet voldoen? Zonder de pretentie te hebben dat hier uit te kunnen werken geef ik een paar vingerwijzingen. Om te beginnen stelt ILO-Verdrag nr.102 de eis van collectieve financiering, want die zou ertoe leiden dat minder risicoselectie zou plaatsvinden. Kok/Heyma/Lammers menen dat een mix van publieke en private verzekering moet worden vermeden en kiezen voor een publiek stelsel.35 Hermans onderzocht een hybride vorm, die voldoet aan internationaalrechtelijke verplichtingen.36 Zij schetst als optie een collectief gefinancierd systeem als ene pijler en een spaarsysteem voor de werknemer als andere pijler. Bij het spaarsysteem spaart de werknemer verplicht voor een inkomensvervangende uitkering, zolang hij in het collectieve systeem verzekerd is. Het spaartegoed is bedoeld om uit eigen middelen een bepaalde periode waarin het verzekerde risico zich voordoet, op te vangen.37 Op welke pijler een werknemer eerst een beroep moet doen, is volgens Hermans niet te zeggen; dat moet verder worden onderzocht. Internationaalrechtelijk lijkt een beroep op het collectieve systeem vóór te moeten gaan, onder meer omdat daarin waarborgen zitten van een vaststaande hoogte en duur van de uitkering. Vanuit het oogpunt van activerende werking lijkt eerst een beroep op het spaarsaldo te verkiezen:
‘Als mensen immers voor hun eigen socialezekerheidsstelsel moeten sparen, zullen ze er minder snel een beroep op doen en zullen de maatschappelijke kosten voor het socialezekerheidsstelsel afnemen.’ 38
Waar leidt dit toe? In zo’n systeem zou denkbaar zijn dat de werknemer vanuit zijn spaar-ZW de eerste periode van arbeidsongeschiktheid zelf moet financieren (eerste pijler), de werkgever een tweede periode en de ZW voor het vervolg zou zijn bedoeld (tweede pijler). Dit vraagt verdere overdenking omdat er nogal wat obstakels zijn te nemen. Zo betekent minder kans op risicoselectie een verbetering van insluiting, maar niet voldoende hebben kunnen sparen bedreigt die weer. Voor mij is in elk geval de gedachte van subsidiaire verantwoordelijkheid die doorklinkt bij een ‘spaarpijler’ aanleiding om verder onderzoek aan te bevelen.39
Aanbeveling 2
Door de wetgever zou een fundamentele discussie moeten worden gevoerd over de rechtsgrond van het moeten betalen van loon bij arbeidsongeschiktheid door de werkgever ongeacht de oorzaak waarom de werknemer arbeidsongeschikt is geworden. Er zijn gegronde twijfels of dat wel rechtvaardig is en er zijn de nodige argumenten om te kiezen voor een systeem met een onderscheid in professionele risico’s en privérisico’s. Het is te overwegen verder onderzoek te doen naar de mogelijkheid om de privérisico’s onder te brengen in een spaar-ZW, waarbij de werknemer (vanwege het beginsel van subsidiaire verantwoordelijkheid) spaart om bij arbeidsongeschiktheid een deel van zijn ziekteperiode zelf financieel te overbruggen.
Wordt geen risque professionnel-regeling ingevoerd dan is een andere, minder vérgaande optie het heroverwegen van het huidige verhaalsrecht van het UWV op de aansprakelijke veroorzaker. Op grond van artikel 98 WIA kan het UWV de betaalde uitkering en de redelijke re-integratiekosten verhalen op de aansprakelijke derde. Als die derde echter de werkgever of een andere werknemer is dan beperkt artikel 100 WIA het verhaal tot gevallen waarin er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid bij het ontstaan van de schade.40 Waar de beperking tot opzet of bewuste roekeloosheid bij verhaal op een andere werknemer begrijpelijk is, gezien het overeenkomstig bepaalde in artikel 7:661 BW, is niet helder wat de ratio is van een beperkt verhaalsrecht op de werkgever, namelijk tot de gevallen dat hij de schade opzettelijk of bewust roekeloos heeft veroorzaakt.41 De werkgever zou bijvoorbeeld bij schuld aan een arbeidsongeval de schade aan de werknemer moeten vergoeden. Tot die te vergoeden schade van de werknemer behoort niet alle inkomensschade want de werknemer krijgt (bijvoorbeeld) een IVA-uitkering. De werkgever dient dan het meerdere tot het laatstverdiende loon aan de werknemer te vergoeden. Het UWV heeft in zo’n geval nu géén mogelijkheid de betaalde IVA-uitkering op de werkgever te verhalen, want het ongeval vond niet plaats door schade of bewuste roekeloosheid. Voor mij zou voor de hand liggen dat het UWV voor zijn deel van de schade regres moet kunnen nemen op de werkgever, als deze aansprakelijk is voor de schade. Zou daarom de hoofdregel uit artikel 99 WIA niet gewoon van toepassing moeten zijn? De commissie Buurmeijer was daar een voorstander van en ook Van Dam heeft dat voorgesteld, omdat het uitvoering geeft aan het beginsel ‘de vervuiler betaalt’. Volgens hem is het aannemelijk dat de met de huidige regeling vergelijkbare WAO-verhaalsregeling er aan heeft bijgedragen dat het WAO-volume onstuimig groeide in de jaren zeventig en tachtig:
‘De kosten van die arbeidsongeschiktheid werden immers voor een veel te klein deel aan de werkgever doorberekend.’42
Aanbeveling 3
Zonder een risque professionnel-regeling moet de beperking vervallen dat het UWV alleen verhaalsrecht van de verstrekte uitkering heeft als de aansprakelijke werkgever de schade opzettelijk of bewust roekeloos heeft veroorzaakt. Artikel 99 WIA moet worden toegepast in plaats van artikel 100 WIA.