Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/10.4.3
10.4.3 Uitzonderingspositie kleinere bedrijven
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS578006:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wet Bezava, loonsomcategorieën: < € 307.000,- in 2012, tussen € 307.000,- en € 3.070.000,- en > € 3.070.000,-wat grofweg overeenkomt met een verdeling: 0-10 werknemers, 10-100 werknemers en meer dan 100 werknemers.
Onder gebruikmaking van de VAAN-presentatie van S.S.M. Peters van 13 mei 2014 en mijn interview met haar van 7 juli 2014.
Peters, p.666-667, waarbij zij aantekent dat naast werknemersaantallen ook jaaromzet en jaarlijks balanstotaal de ondernemingsomvang bepalen. In art. 2:153 lid 2 en 2:263 lid 2 BW wordt een verplichting gesteld als een onderneming voldoet aan én een werknemersaantal én een balanstotaal.
Ik zal die hierna gezamenlijk de kleinere bedrijven noemen. Een onderscheid naar werknemersaantallen is volgens Peters (interview 7 juli 2014) niet altijd een goede maatstaf. Te overwegen is om voor last van de financiële loondoorbetalingsverplichting eerder aan te sluiten bij parameters die die financiële draagkracht bepalen (zoals wellicht omzet, balanstotaal). Daar staat de relatieve eenvoudigheid van het criterium van aantal werknemers tegenover, wat het praktisch hanteerbaar maakt.
J. Hartog, Van der Heijden-bundel p.35.
Peters, VAAN-presentatie 13 mei 2014.
Zie § 4.4.1.
B. Cuelenaere en T. Veerman, ‘De zoektocht naar optimale loondoorbetaling bij ziekte’, TPE digitaal 2013/7, p.31.
Europees Parlement: ‘Calls on the Commission and the Member States to pay particular attention to the legal situation of the self-employed, small businesses and SMEs, which is characterised by a high level of economic dependence on their customers, and to consider the most appropriate legislative means to raise their level of social protection; Stresses that the specific challenges for SMEs, and those working in SMEs, need to be taken into account in this context’, 9 februari 2007.
Bijvoorbeeld in Duitsland, Oostenrijk, Italië, Frankrijk en Spanje zijn kleine bedrijven uitgezonderd van een quotumplicht om arbeidsgehandicapten of gedeeltelijk arbeidsongeschikten in dienst te hebben, CPB 2014, p.7.
Art. 9 onder a ILO-Verdrag nr. 140 over scholingsverlof.
Zie Common Principle 3.
Cuelenaere/Veerman, p.31.
Kok/Heyma/Lammers, p.8 en 12.
Kok/Heyma/Lammers, p.14.
Cuelenaere/Veerman, p.31. Zij stellen verder: ‘Wat betreft de negatieve effecten (van financiële prikkels md) zijn wij geneigd de loondoorbetalingsverplichting gedurende 2 jaar (en daarmee het ontslagverbod en de langdurige, 2- jarige verantwoordelijkheid voor re-integratie) als de meest zwaarwegende factor te beschouwen. Financiële incentives zoals loonkostensubsidies en de no-risk polis bieden daartegen te weinig tegenwicht, mede omdat de schade van hoog ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid voor bedrijven niet alleen de loonschade is maar ook de verstoring van de bedrijfsvoering waarvan de (indirecte) kosten veel hoger kunnen zijn dan die loonschade)’, p.30.
Kamerstukken II 2011/12, 33 241, nr.3, p.25. Op 8 april 2014, bij de opening van de Week van de Ondernemer, riep minister Asscher van SZW op de knelpunten van kleine ondernemers in kaart te brengen om hun loonkosten omlaag te brengen, http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2014/04/ 08/asscher-loonkosten-voor-ondernemers-omlaag.html.
Kok/Heyma/Lammers, p.8 en 15, Cuelenaere/Veerman, p.31.
Hofman/Pennings, p.139; zij willen dat combineren met een verplichte private verzekering voor minder daadkrachtige ondernemingen, om de rechtszekerheid en de solidariteit te bevorderen; Kok/Heyma/Lammers, p.14, Cuelenaere/Veerman, p.31. Bij een poll onder VAAN-leden was 83,33% het eens met de stelling: ‘Een ‘verlicht arbeidsrechtelijk regime’ voor het MKB om daarmee kosten op arbeid te verlagen is een goede ontwikkeling’.
S.S.M. Peters, ‘Kennelijk onredelijk ontslag en de omvang van de onderneming’ in: W.H.A.C.M. Bouwens, Herstel van de arbeidsovereenkomst, Sdu Uitgevers bv: Den Haag 2013, p.49-63. Voorbeelden zijn Ktr. Enschede 18 december 2008, JAR 2009/46, Ktr. Enschede 18 april 2011, LJN BQ2089, Ktr. Nijmegen 16 december 2011, LJN BV8157, Ktr. Leeuwarden 8 mei 2012, LJN BW5230, Ktr. Leiden 22 augustus 2012, JAR 2012/303, Hof Arnhem 2 oktober 2012, LJN BCX8873, Conclusie A-G HR 18 januari 2013, LJN BY2586, Hof Den Bosch 14 mei 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:2540, Ktr. Arnhem 9 september 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:3060, Hof Den Bosch 21 januari 2014, ECLI:NL: GHSHE:2014:81.
De getalsgrenzen zijn daarbij niet altijd consequent getrokken: < 10, < 15, < 20, < 25 en < 50 werknemers komen allemaal voor: Wet Bezava (kleine werkgever: vanwege loonsom: grofweg tot 10 werknemers), WOR (kleine werkgever: minder dan 10 werknemers), WAA (kleine werkgever: minder dan 10 werknemers), Wet TZ (oud) (kleine werkgever: vanwege loonsom: grofweg tot 15 werknemers), WMCO (kleine werkgever: minder dan 20 werknemers), Participatiewet (kleine werkgever: minder dan 25 werknemers), art. 7:673a en 673d BW (kleine werkgever: minder dan 25 werknemers), Wetsvoorstel Huis voor Klokkenluiders (kleine werkgever: minder dan 50 werknemers). Peters signaleert nog dat er geen systeemvisie aan ten grondslag lijkt te liggen bij welke onderwerpen wél en bij welke onderwerpen geen onderscheid naar ondernemingsomvang wordt gemaakt, interview 7 juli 2014.
Handelingen II 1952/53, 19 februari 1953, p.2349.
Kamerstukken II 1995/96, 24 439, nr.3, p.18.
Cuelenaere/Veerman, p.29.
Peters signaleert daarbij overigens dat er geen systeemvisie aan ten grondslag lijkt te liggen bij welke onderwerpen wél en bij welke onderwerpen geen onderscheid naar ondernemingsomvang wordt gemaakt, interview 7 juli 2014.
Ik heb dat ‘sociale richtlijnen’ genoemd, maar heel precies betreft het richtlijnen op de gebieden als genoemd in art. 153 lid 1, sub a) tot en met i) VWEU.
En soms minder dan vijf werknemers, § 23 KSchG.
HvJ EG 30 november 1993, zaak C-189/91, Jur. 1993,p.I-6185, met name r.o. 17. Zie ook S.S.M. Peters, Verdund sociaal recht. Onderscheid naar ondernemingsomvang bij medezeggenschap, ziekte en ontslag, (diss.), Nijmegen 2006, p.403-405.
BAG 19 april 2000, EzA § 23 KSchG Nr.8, BVerfG 27 januari 1998, NZA 1998, 470, uitgebreider daarover Peters, p.410-422.
Barents, p.185.
HvJ EU 18 juli 2013, EUR C-426-11.
Peters, VAAN-presentatie 13 mei 2014.
Beoordelingskader par. 9, onder ‘Verplichtingen van de werkgever’.
In tegenstelling tot het civiele recht is er uit de bestuursrechtspraak echter geen duidelijke lijn te halen dat re-integratie-inspanningen bij kleinere bedrijven eerder niet redelijk wordt gevonden.
In de uitwerking zal wel aandacht moeten worden geschonken aan het voorkomen van misbruik, bijvoorbeeld door een bedrijf op te knippen in meerdere kleine delen, waardoor zij elk afzonderlijk onder de getalsgrens van het aantal werknemers zouden blijven, terwijl in feite gezamenlijk één bedrijf wordt gevoerd.
Peters stelt dat geen argumenten zijn gegeven die pleiten voor hetzij de ene hetzij de andere omvang, maar dat dit vaak de resultante is van een politiek besluitvormingsproces, interview 7 juli 2014.
Cuelenaere/Veerman, p.18-34. Natuurlijk is een nog verder gedifferentieerd systeem denkbaar: 0-10, 10-50 en > 50-werknemers of welke andere getalsgrenzen dan ook.
Blog Jaap Smit, voorzitter CNV 26 februari 2013, http://www.cnv.nl/blog/blog-from/2013-02-01/blog- to/2013-02-28/. Hij motiveert dat met de ervaringen dat MKB-bedrijven nu nauwelijks mensen aan durven nemen, zie verder Cuelenaere/Veerman, p.29.
Friperson/De Jong, p.8 en 19-20 Loondoorbetalingsperiode daar is max. 0-6 weken 100%, 6-10 weken 50%,
Bovendien gingen kleine werkgevers in Oostenrijk van 0% kosten naar 100% kosten, zodat de financiële prikkel voor hen nieuw was, terwijl kleine werkgevers in Duitsland altijd enige kosten zijn blijven dragen (en ook Nederlandse kleine werkgevers dat gewend zijn).
Bij het terugdringen van het ziekteverzuim van de vangnetters heeft de wetgever voor een benadering gekozen waarbij rekening wordt gehouden met de omvang van een bedrijf. Afhankelijk van de loonsom wordt voor kleine, middelgrote en grote werkgevers een premie bepaald als hun werknemers gebruik maken van het vangnet van de ZW.1 Zo’n soort benadering wil ik ook bepleiten waar het de loondoorbetaling bij ziekte betreft, te weten een uitzonderingspositie voor kleinere bedrijven.2 Te pas en te onpas wordt het begrip ‘MKB’ gebruikt. Wat het MKB is, kan worden gemeten naar een Europese omschrijving:3
tot 10 werknemers is microbedrijf,
tussen 10 en 50 werknemers is kleinbedrijf,
tussen 50 en 250 werknemers is middenbedrijf,
vanaf 250 werknemers is grootbedrijf.
Uitgaande van deze omschrijving gaat de differentiatie die ik voor ogen heb meer precies om een uitzonderingspositie voor het micro- en het kleinbedrijf.4 Voor de onderbouwing waarom de kleinere bedrijven moeten worden ontzien is een aantal argumenten te geven. Ten eerste begint dat met de basiswaarde van sociale rechtvaardigheid waaruit ongelijkheidscompensatie als één van de belangrijkste noties voortvloeit. Een vorm van rechtdoen daaraan is niet alleen het compenseren van de zwakkere, maar ook het temmen van de sterkere.5 Met de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte voor alle werkgevers is dat gebeurd, maar de kleinere bedrijven zijn nauwelijks te zien als de sterkere. Peters stelt dat er minder reden is voor ongelijkheidscompensatie van de werknemer die bij een kleiner bedrijf werkt.6 Hesselink meent dat het MKB als zwakkere partij in vergelijking met het grootbedrijf recht heeft extra bescherming.7 Op basis van Rawls’ difference principle is de ongelijke positie even zeer te verdedigen. Een uitzondering voor de kleinere bedrijven is namelijk rechtvaardig als die ongelijkheid wordt gebruikt ten behoeve van de minst bedeelden. Een uitzonderingspositie kan er aan bijdragen dat kleine werkgevers geen risicoselectie meer toepassen,8 iets wat ten goede komt van de werknemers met een mindere gezondheid of een grotere kans op ziekteverzuim.
Ten tweede omdat flexicurity er om vraagt. Common Principle 8 omschrijft dat er aandacht moet zijn voor de bijzondere positie van het MKB. Ook het Parlement heeft bij het aannemen van de Common Principles opgeroepen oog te hebben voor de bescherming van het MKB.9 Die aandacht of de bescherming kan zitten in een andere vormgeving van rechten en plichten, afhankelijk van de grootte van de organisaties. Binnen de EU komt dat bij arbeidsongeschiktheid vaker voor.10 De gedachte van onderscheid naar organisatieomvang is ook de ILO niet vreemd.11
Ten derde is een onderscheid gerechtvaardigd omdat gebleken is dat de ‘one size, fits all’- aanpak niet de beste methode is.12 In de literatuur wordt er op gewezen dat er verschil is in de benadering van het ziekteverzuim tussen kleine en grote bedrijven. Waar grote bedrijven meer gericht zijn op re-integratie en het beëindigen van het verzuim, kiezen kleinere bedrijven eerder voor het vermijden van risico’s, dus risicoselectie.13 Dat hangt mede samen met het verschil in verzuimcijfers tussen grote en kleine bedrijven.
Periode
2004
2005
2006
2007
2008*
2009*
2010*
2011*
2012*
Bedrijfsgrootte (aantal werknemers)
1-10
2,5
2,4
3,1
3,2
1,7
1,7
1,9
1,9
1,8
10-100
3,7
3,5
3,7
3,7
3,6
3,7
3,6
3,6
3,4
100 of meer
5,1
5,2
5,1
5,1
5,0
4,9
5,0
5,0
4,8
Bron: CBS 2013 Statline; *voorlopig cijfer; overgenomen uit Kok/Heyma/Lammers, p.12
Een verzuimcijfer van 0% is niet haalbaar; er blijft altijd enig niet-beïnvloedbaar verzuim over. De verzuimcijfers bij kleine bedrijven liggen echter dicht bij de ondergrens van wat nog beïnvloedbaar is.14 Het punt waarop kleine bedrijven niets meer kunnen doen om de risico’s te verminderen, is voor hen dus eerder bereikt. Omdat de kosten van ziekteverzuim voor kleine bedrijven relatief hoger zijn dan voor grote bedrijven is een minder sterke (extra) financiële prikkel nodig om het verzuim in de kleinere bedrijven te beperken.15 De aandacht bij de kleinere bedrijven zou dus eerder moeten uitgaan naar het verkleinen van de kans op risicoselectie. Dat kan worden bereikt door de kosten van ziekteverzuim voor de kleinere bedrijven terug te brengen.16 Effect is ook dat daarmee positief kan worden bijgedragen aan insluiting. De regering erkende bij de invoering van de Wet Bezava het verschil in prikkels en het gevaar van risicoselectie. In die wet werd daarom bewust voor een andere regeling voor kleine werkgevers gekozen:
‘Bovendien blijkt uit onderzoek dat financiële prikkels effectiever zijn bij grote werkgevers dan bij kleine werkgevers en dat prikkels bij kleine werkgevers vaker leiden tot risicoselectie. Met de introductie van prikkels is een positieve gedragsreactie beoogd van de werkgever. Langs deze weg wordt de werkgever immers financieel geprikkeld om het ziekteverzuim te beperken. Een ander gedragseffect, namelijk meer risicoselectie bij de aanname van personeel blijkt vooral bij kleine werkgevers voor te komen. De regering heeft om deze reden gekozen voor een sectorale premie bij kleine werkgevers, die dit ongewenste effect wegneemt.’ 17
De prikkels voor grotere organisaties blijken tot op zekere hoogte wel effectief.18 Die zouden dus niet op het gelijke niveau als de kleinere bedrijven hoeven komen liggen.
Een uitzonderingspositie voor de kleinere bedrijven bij de verplichtingen rond arbeidsongeschiktheid is overigens niet nieuw. In verschillende literatuur is al differentiatie naar ondernemingsomvang bepleit.19 De notie is daarnaast in het Nederlandse sociaal recht niet vreemd. De gedachte dat een verschil in bedrijfsomvang ook een verschil in rechten en verplichtingen met zich meebrengt, is terug te zien in veel rechtspraak, met name op het gebied van ontslag.20 Ook de wetgever heeft er in verschillende sociale wetgeving bewust voor gekozen bedrijven met een bepaalde omvang een uitzonderingspositie te geven.21 Uit de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van het opzegverbod van twee jaar is te halen dat gediscussieerd is of die periode voor kleine werkgevers niet te lang zou zijn. De Minister vond het, alles afwegende, ook voor kleine werkgevers te verantwoorden.22 Als geschetst: die twee jaar van het opzegverbod is de basis voor de twee jaar loondoorbetaling bij ziekte. Een nog duidelijker voorbeeld is de Wet TZ. Bedrijven tot 15 werknemers hoefden bij arbeidsongeschiktheid maar twee weken door te betalen, grotere bedrijven zes weken. Bij de invoering van de Wulbz is het onderscheid in grote en kleine werkgevers vervallen. Volgens de regering was dat verantwoord omdat de markt voldoende mogelijkheden bood voor alle werkgevers om zich tegen een acceptabele premie te verzekeren.23 Die onderbouwing is volgens mij niet deugdelijk. Ik heb hiervoor al betoogd dat de redenering niet zou moeten zijn ‘omdat het kan’, maar dat de wetgever aan de hand van waarden en beginselen inzicht zou moeten geven in zijn overtuigingen ‘waarom het moet’. Los daarvan blijkt uit onderzoek dat ondanks de mogelijkheid van verzekering, de kleinere bedrijven nog steeds kiezen voor risicomijdend gedrag. Een verzekering lost dus het nadeel van risicoselectie niet op.24 Daarom zou nu een andere afweging moeten worden gemaakt.
De wens kan wel bestaan om een differentiatie aan te brengen naar ondernemingsomvang,25 maar dat wil nog niet zeggen dat daarvoor een Europese juridische grondslag bestaat. Ik heb al Common Principle8 genoemd dat duidelijk maakt dat het zoeken naar een balans in rechten en verplichtingen moet gebeuren ‘with particular attention to the specific situation of SMEs’. Differentiatie past bij het streven naar flexicuritydoelen. Artikel 153 lid 2 sub b VWEU biedt een solide begin van onderbouwing omdat in sociale richtlijnen vanuit de EU moet worden ‘vermeden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen dat de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen daardoor zou kunnen worden belemmerd.’ Deze plicht richt zich bij het uitvaardigen van Richtlijnen tot Parlement en Raad.26 Die bepaling is niettemin aan de orde gekomen bij de Europese beoordeling of het Duitse Kündigungsschutzgesetz (KSchG) geoorloofd is. Het KSchG is namelijk niet van toepassing bij ontslagen binnen ondernemingen met minder dan tien werknemers27 en in het Kirsammer-arrest heeft het HvJ EG met een beroep op deze bepaling uitgesproken dat het onderscheid naar ondernemingsomvang objectief gerechtvaardigd was.28 Ook de nationale Duitse rechters oordeelden dit onderscheid toelaatbaar.29 Dit doet vermoeden dat een onderscheid naar omvang van de onderneming bij het bepalen van een loondoorbetalingsperiode geoorloofd is. Een verdere juridische basis kan worden gevonden in artikel 16 Handvest Grondrechten EU: ‘De vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken’. Onder die ‘grondwettelijke’ ondernemersvrijheid is te verstaan het recht een economische activiteit uit te oefenen, de contractsvrijheid en de vrijheid van mededinging.30 Voor het HvJ EU werd een beroep op dit artikel gedaan om een te werknemersvriendelijke uitleg van Richtlijn 2001/23 (overgang van onderneming) te dwarsbomen. In het Parkwoord-arrest oordeelde het Hof dat de contractsvrijheid van de ondernemer mede van invloed is op de uitleg van de Richtlijn, waaruit volgt dat
‘de verkrijger, overeenkomstig de vrijheid van ondernemerschap, bij de totstandkoming van een overeenkomst waarbij hij partij is, zijn belangen doeltreffend moet kunnen doen gelden en met het oog op zijn toekomstige activiteit moet kunnen onderhandelen over de factoren die bepalend zijn voor de evolutie van de arbeidsvoorwaarden van zijn werknemers.’ 31
Peters vat dit arrest samen in de zin dat de contractsvrijheid van de ondernemer zodanig zou kunnen worden beperkt dat de vrijheid van ondernemerschap in de kern dreigt te worden aangetast. Volgens haar zet het HvJ EU hiermee de deur open om bijvoorbeeld ook belastende arbeidsrechtelijke verplichtingen die de contractsvrijheid te zeer aantasten, met een beroep op de ondernemersvrijheid aan te vechten.32 Dat zou ook op kunnen gaan voor de kleinere bedrijven bij arbeidsongeschiktheid. In Duitsland zijn de kleinere bedrijven (tot en met tien werknemers) bijvoorbeeld van een deel van hun re-integratieplichten vrijgesteld, gelet op de lasten die dat voor hen met zich meebrengt. Zij hoeven geen re-integratiemanagement te voeren. Uit het Beoordelingskader blijkt dat ook in Nederland ondernemingsomvang mee kan wegen bij de beoordeling van wat redelijkerwijs aan re-integratie-inspanningen van de werkgever te verwachten is.33 De ondernemersvrijheid van artikel 16 Handvest Grondrechten EU speelt hierbij ook mee. De verplichting om een andere inrichting van de organisatie te moeten kiezen dan door de ondernemer wordt gewenst, weegt zwaarder naar mate een organisatie kleiner is en beperkt daarmee eerder diens ondernemersvrijheid.34 Iets soortgelijks gaat op bij de loondoorbetaling bij ziekte. De vrijheid om werknemers aan te nemen kan zijn ingeperkt, omdat aan die arbeidsovereenkomst meteen grote financiële en re-integratieverplichtingen vast zitten, mocht de werknemer ziek worden. In deze redenering kan het herstellen van de balans in rechten en verplichtingen door te differentiëren naar ondernemingsomvang meer ruimte bieden voor de ondernemersvrijheid en dus meer recht doen aan het Handvest Grondrechten EU.35
De uitzonderingspositie van de kleinere bedrijven bestaat in twee varianten. De eerste is het simpelweg bekorten van de duur van de loondoorbetalingsverplichting voor de kleinere bedrijven. De tweede is niet de duur aan te passen, maar de kosten daarvan te verlagen door een MKB-compensatie te betalen. Variant 1 is de meest eenvoudige. In de wet moet worden opgenomen dat voor bedrijven met gewoonlijk een bepaald aantal werknemers de verplichting tot loondoorbetaling bij ziekte slechts voor een bepaald aantal weken geldt. De grens van het aantal werknemers moet niet door mij maar door de politiek worden getrokken, waarbij voor de hand ligt aan te sluiten bij de grens van grofweg 10 werknemers in de Wet Bezava. Dat is het meest recente voorbeeld rond dezelfde problematiek. Met evenveel recht is bijvoorbeeld de grens van 15 werknemers uit de Wet TZ aan te houden of de grens van 25 werknemers uit de Participatiewet.36 Voor de duur hebben Cuelenaere/Veerman een goed doordacht voorstel gedaan. Zij stellen voor de loondoorbetalingsperiode voor de kleinere bedrijven op drie maanden te bepalen. Voor de andere werkgevers zou de termijn op één jaar moeten worden gezet. Op die manier zouden grotere bedrijven voldoende stimulans blijven voelen om ziekteverzuim terug te brengen en re-integratie ter hand te nemen. Tegelijkertijd zou een evenwicht worden gevonden in wél een prikkel voor de kleine werkgever maar weer niet een zodanige prikkel waardoor het heil wordt gezocht in risicoselectie.37 De voorman van het CNV zette in op een kleinere stap, met het terugbrengen van de periode voor het MKB naar een jaar.38
De tweede variant is geïnspireerd op het Duitse systeem van de zogeheten Aufwendungsausgleich. Bedrijven tot 30 werknemers moeten gedurende zes weken 100% van het loon doorbetalen, maar kunnen op aanvraag bij de Krankenkasse tot 80% van het doorbetaalde bedrag terugkrijgen. Deze MKB-compensatie wordt betaald uit een collectieve heffing onder de kleinere bedrijven. Op deze manier worden de kosten van ziekteverzuim voor individuele werkgevers in het uiterste geval teruggebracht tot 20% en wordt voor de rest voorzien in collectieve dus solidaire financiering. Na zes weken eindigt de financiële verantwoordelijkheid van de werkgever en valt die toe aan een collectief stelsel. Voor Nederland is een soortgelijk systeem mogelijk, waarbij de werkgever tot een bepaald deel van de 70% loondoorbetaling die hij moet dragen een compensatie zou kunnen krijgen uit een collectief gefinancierd fonds. Dat de werkgever een deel zelf moet betalen acht ik vanuit de gedachte van balans in rechten en plichten acceptabel. Het grote voordeel van deze MKB-compensatie is dat wordt tegemoet gekomen aan het bezwaar dat het Nederlandse stelsel niet voldoet aan ILO-verdrag nr. 102, op grond waarvan collectieve financiering verplicht is gesteld. Die collectieve financiering is geen doel op zich maar heeft vooral tot strekking risicoselectie uit te bannen. Ik heb geconstateerd dat dit een probleem is bij de kleinere bedrijven, zodat de MKB-compensatie daarvoor misschien een oplossing biedt. Een argument tegen de MKB-compensatie is wellicht te ontlenen aan de Oostenrijkse ervaringen. De kleine werkgevers hadden daar recht op een volledige tegemoetkoming, de grote werkgevers op 70%. Bij afschaffing van de compensatie bleek het ziekteverzuim te dalen in aantal en duur. Dat veronderstelt dat het dragen van meer kosten leidt tot meer aandacht voor het voorkomen of bestrijden van ziekteverzuim.39 Omdat mij niet bekend is of die daling optrad in de kleinere bedrijven of -wat uit het voorgaande is te verwachten- met name bij de grotere bedrijven, kan ik niet met zekerheid zeggen dat dit onderzoek een contra-indicatie oplevert.40
Bij een keuze voor variant 1 of variant 2 gaat mijn voorkeur uit naar variant 1 vanwege het relatief eenvoudige en dus praktisch beter uitvoerbare model.
Aanbeveling 5
Verkort de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte naar drie maanden voor bedrijven tot 10, 15 of 25 werknemers en voor de overige werkgevers naar één jaar. Als dat niet gewenst is, voer dan een collectief gefinancierde MKB-compensatie in, waarbij bedrijven tot 10, 15 of 25 werknemers op aanvraag een substantieel deel van de 70%- loondoorbetaling bij ziekte vergoed krijgen.