Douanewaarde in een globaliserende wereld
Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/12.1.4.4:12.1.4.4 Elementen van de transactiewaarde van ingevoerde goederen
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/12.1.4.4
12.1.4.4 Elementen van de transactiewaarde van ingevoerde goederen
Documentgegevens:
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258506:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ik bedoel hierbij op software die in een goed is belichaamd en niet op software die is opgenomen op een gegevensdrager. In dat laatste geval wordt de software niet in de douanewaarde betrokken, zie Decision 4.1. Valuation of carrier media bearing software for data processing equipment. (Adopted, 10th meeting, 24 September 1984) en onderdeel 7.2.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor het bepalen van de transactiewaarde geldt een gesloten stelsel. Daarmee wordt bedoeld dat de transactiewaarde aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen prijs wordt vastgesteld en dat andere prijselementen alleen in aanmerking of in aftrek moeten respectievelijk mogen worden genomen voor het vaststellen van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen als daar wettelijk in is voorzien. Onder het DWU-wetgevingspakket zijn de prijselementen die onder voorwaarden in aanmerking genomen moeten worden opgenomen in artikel 71 DWU. Dit betreffen de volgende prijselementen:
Commissies en courtages, met uitzondering van inkoopcommissies (onderdeel 11.2);
Kosten van het verpakken (onderdeel 11.3);
Toeleveringen aan de verkoper (‘assists’) (onderdeel 11.4);
Royalty’s en licentierechten (onderdeel 11.5);
Opbrengst uit latere opbrengst (onderdeel 11.6);
Kosten van vervoer en verzekering (onderdeel 11.7).
De prijselementen die in aftrek mogen worden gebracht staan opgenomen in artikel 72 DWU en zijn:
Kosten van het vervoer binnen het douanegebied van de Europese Unie (onderdeel 11.8.3);
Kosten van constructiewerkzaamheden, installatie, montage, onderhoud of technische bijstand (onderdeel 11.8.4);
Te betalen rente (onderdeel 11.8.5);
De kosten ter verkrijging van het recht tot verveelvoudiging (onderdeel 11.8.6);
Inkoopcommissies (onderdeel 11.8.7);
Rechten en heffingen van het land van invoer (onderdeel 11.8.8);
Verkrijging rechten tot distributie of wederverkoop (onderdeel 11.8.9).
De prijselementen kennen elk hun eigen toepassingsgebied en er bestaat geen overlap tussen de prijselementen. Daarmee wordt bedoeld dat wanneer een betaling binnen bijvoorbeeld het concept royalty’s en licentierechten valt, maar niet aan de voorwaarden voor ‘bijtelling’ wordt voldaan, de betaling niet onder een van de andere prijselementen in aanmerking genomen kan worden. Hoewel er geen overlap tussen de prijselementen bestaat, zijn de prijselementen in de praktijk dikwijls lastig te onderscheiden. Om de reikwijdte van de prijselementen nauwgezet te bepalen, zijn bepaalde prijselementen in hoofdstuk 11 in pari materia (in onderlinge samenhang) besproken. Hieruit kwam naar voren dat de bepalingen uit het CDW- en/of DWU-wetgevingspakket de reikwijdte van de prijselementen in voorkomende gevallen te ruim of beperkt beschrijven en/of dat de bepalingen door het Hof van Justitie te ruim of beperkt worden geïnterpreteerd, met als gevolg dat bepaalde prijselementen onterecht worden belast of onterecht niet in de heffing worden betrokken. Ook is het, voornamelijk ten aanzien van immateriële goederen, de vraag onder welk prijselement zij geschaard moeten worden. Dat doet afbreuk aan de rechtvaardigheid van het douanewaardestelsel dat met zich brengt dat douanewaardebepalingen zorgvuldig geformuleerd moeten zijn. Douaneautoriteiten en importeurs moet het duidelijk zijn onder welke voorwaarden prijselementen wel of niet in aanmerking moeten worden genomen of uitgesloten moeten worden voor het bepalen van de douanewaarde. In hoofdstuk 11 is naar voren gekomen dat dat niet altijd duidelijk is, wat spanning oplevert met het toetsingskader. Door middel van een integrale bespreking van alle prijselementen aan de hand van de wettelijke bepalingen, instrumenten van de Douane Expertgroep (afdeling douanewaarde) en de Technische commissie douanewaarde van de WDO alsmede de nodige voorbeelden is inzicht gegeven in de wijze waarop de voorwaarden voor het in aanmerking nemen van de elementen van de transactiewaarde moeten worden geïnterpreteerd in tijden van economische globalisatie.
In dat kader kan worden gewezen op de volgende, voornaamste bevindingen:
Het Hof van Justitie heeft in het The Shirtmakers BV tegen Staatssecretaris van Financiën-arrest geoordeeld dat ‘kosten van vervoer’ ook omvat de winstopslag die een expediteur berekend voor het regelen van het vervoer (onderdeel 11.2.3.3.2). Ik meen dat de werkingssfeer van inkoopcommissies en de neutraliteit van het douanewaardestelsel daarmee wordt aangetast, omdat indien de koper het vervoer zelf zou regelen enkel de daadwerkelijke vervoerskosten belast zouden zijn en niet de winstopslag.
Uit het BMW Bayerische Motorenwerke AG tegen Hauptzollamt München-arrest volgt dat de ontwikkelingskosten van software zowel onder artikel 71, lid 1, onderdeel b, ten eerste als ten vierde, DWU kunnen worden geschaard (onderdeel 11.4.3.6.4). Met het oog op de neutraliteit van het douanewaardestelsel lijkt mij dat een wenselijk uitkomst. Immers, indien de software niet in aanmerking wordt genomen, ontstaat er een ongelijk speelveld met de situatie waarbij een goed wordt betrokken waarop software is belichaamd dat niet door de koper gratis of tegen verminderde prijs ter beschikking is gesteld (onderdeel 11.4.3.2.1).1 Indien de wens bestaat om software als toelevering in de zin van artikel 71, lid 1, onderdeel b, ten eerste, DWU onbelast te laten, dan zou de bijzondere regeling passieve veredeling daartoe moeten worden verruimd (onderdeel 11.4.3.9).
Bij immateriële goederen bestaat de vraag of zij, indien aan de overige voorwaarden ten aanzien van het in aanmerking nemen van toeleveringen is voldaan, kunnen worden geschaard onder de eerste, tweede of vierde categorie toeleveringen. Onder de eerste categorie kunnen immateriële goederen worden geschaard die aan te merken zijn als bestanddeel dat in de ingevoerde goederen wordt verwerkt voor het functioneren daarvan (onderdeel 11.4.3.6.2). Immateriële goederen worden als tweede categorie toelevering aangemerkt indien de immateriële goederen zijn gebruikt voor de vervaardiging van het voorwerp dat voor de productie van de ingevoerde goederen wordt gebruikt of wanneer de immateriële goederen digitaal ter beschikking worden gesteld door de koper aan de fabrikant en daaropvolgend worden geprint (met een 3D printer) om te worden gebruikt als voorwerp voor de productie van de ingevoerde goederen (onderdeel 11.4.3.7). Immateriële goederen worden als vierde categorie toelevering aangemerkt indien het intellectuele goederen betreft die met het oog op de productie van de goederen ter beschikking worden gesteld en daarvoor noodzakelijk zijn (onderdeel 11.4.3.5.2).
Intellectuele toeleveringen (artikel 71, lid 1, onderdeel b, ten vierde, DWU) en royalty’s en licentierechten (artikel 71, lid 1, onderdeel c, DWU) hebben elk hun eigen reikwijdte en wordt niet bepaald door de naam die partijen aan een betaling geven (onderdeel 11.4.3.8). Bij royalty’s en licentierechten gaat het om de ‘beleving’ die de economische waarde van een ingevoerd goed doet vermeerderen, waar het bij een toelevering gaat om kosten die verband houden met de ontwikkeling van (im)materiële goederen die benodigd zijn voor de totstandkoming van de ingevoerde goederen. Het onderscheid zoals gemaakt in de OESO-richtlijnen tussen trade intangibles (intellectuele toelevering) en marketing intangibles (royalty’s en licentierechten) kan daarbij nuttig en bruikbaar zijn.
Het begrip royalty’s en licentierechten is te ruim gedefinieerd onder het CDW (artikel 157, lid 1, TCDW), omdat daar ook toeleveringen en het recht tot distributie en wederverkoop onder wordt verstaan (onderdeel 11.5.3.2). Daarmee is het strijdig met de basisverordening (lees: het CDW) en moet dit artikel, wanneer het Hof van Justitie daarnaar wordt gevraagd, ongeldig worden verklaard.
De invulling van de conditie dat de royalty’s of licentierechten betaald moeten worden als voorwaarde van de verkoop bij betalingen aan een derde-licentiegever zoals neergelegd in artikel 136, lid 4, onderdeel c, UDWU betreft geen ‘catch-all-bepaling’, maar moet zo worden uitgelegd dat nagegaan wordt of het de koper vrijstaat om de goederen aan te kopen zonder een betaling te verrichten voor royalty’s of licentierechten op basis van voornamelijk een contractual approach (onderdeel 11.5.6.3.2). Indien het antwoord ontkennend luidt, zal de betaling in aanmerking genomen moeten worden.
Het beantwoordt aan de gebruiken in de handelspraktijk om leveringsvoorwaarden (Incoterms) als aanwijzing te gebruiken voor de vraag in hoeverre kosten van vervoer en verzekering in de werkelijk betaalde of te betalen prijs moeten worden opgenomen (onderdeel 11.7.4). Dat laat onverlet dat, ter voorkoming dat de douanewaarde wordt vastgesteld op basis van arbitraire of fictieve waardes, de daadwerkelijke vervoerskosten tot aan het douanegebied van de Europese Unie in de douanewaarde moeten worden begrepen.
Indien de ‘aftrekposten’ van artikel 72 DWU niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn opgenomen hoeven zij niet separaat op de aangifte voor de douanewaarde opgenomen te worden als zij zelf de kosten in haar administratie bijhoudt (onderdeel 11.8.1). Dit draagt bij aan de eenvoud van het systeem, omdat het de administratieve lasten van de aangever verlicht. Voor zover de prijselementen die voor aftrek onder artikel 72 DWU in aanmerking komen liggen besloten in de werkelijk betaalde of te betalen prijs, moeten zij kunnen worden onderscheiden op basis van objectieve en meetbare gegevens om van de douanewaarde te kunnen worden uitgesloten. Een en ander draagt bij aan het principe dat de douanewaarde niet vastgesteld mag worden op basis van fictieve of arbitraire waardes.
Een betaling voor het recht tot distributie of wederverkoop wordt in aanmerking genomen als anders afbreuk wordt gedaan aan artikel 71, lid 1, onderdeel c, DWU (royalty’s en licentierechten) of indien de betaling heeft plaatsgevonden als voorwaarde van de verkoop (onderdeel 11.8.9.1). In het kader van dat laatste moet onderscheid worden gemaakt tussen het recht tot distributie en wederverkoop enerzijds en het alleenrecht tot distributie en wederverkoop anderzijds (onderdeel 11.8.9.2). In het eerste geval zal het recht tot distributie en wederverkoop in de goederen zijn belichaamd en in het tweede geval fungeert het als aanvullend recht. Daardoor zal in het eerste geval sneller sprake zijn van een voorwaarde voor verkoop dan in het tweede geval. Bij de invulling van de voorwaarde dat de betalingen als voorwaarde van de verkoop moeten hebben plaatsgevonden, geldt dat in beide gevallen het recht betrekking moet hebben op de ingevoerde goederen (onderdeel 11.8.9.4). Daarbij geldt dat wanneer de betaling niet wordt berekend op basis van de verkoopprijs van de ingevoerde goederen, dit een aanwijzing vormt dat de rechten geen betrekking hebben op de ingevoerde goederen.