De woon- en vestigingsplaats in de BTW
Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/7.1:7.1 Inleiding
Archief
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/7.1
7.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS397617:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deel II is in de hoofdstukken 4 en 5 uiteengezet op welke wijze de vier vestigingsplaatsvormen – zetel van bedrijfsuitoefening, vaste inrichting, woonplaats en gebruikelijke verblijfplaats – in de Europese regelgeving en jurisprudentie respectievelijk de Nederlandse wet- en regelgeving en jurisprudentie worden ingevuld. Deze wet- en regelgeving en jurisprudentie moeten worden gezien als het positieve recht, het samenstel van de geldende wet- en regelgeving en de geldende uitleg daarvan (zie paragraaf 1.3). In deel III zullen de vier vestigingsplaatsvormen nader onder de loep worden genomen. Daarbij wordt allereerst aandacht besteed aan de invulling van het positieve recht. Op deze wijze wordt getracht een bruikbare handreiking voor de praktijk te geven voor het gebruik van de vier vestigingsplaatsvormen bij de toepassing van de regels voor de plaats van dienst. In de tweede plaats vindt een kritische reflectie plaats op dit positieve recht en wordt gezocht naar wenselijk recht. Onder wenselijk recht versta ik daarbij het recht dat afwijkt van het positieve recht zoals dit voortvloeit uit wet- en regelgeving en jurisprudentie. Naast wenselijk recht is er ook een wenselijke invulling van het positieve recht. Het gaat dan om situaties waar het positieve recht onduidelijk of onvolledig is, bijvoorbeeld omdat over een bepaalde situatie nog geen uitleg in de jurisprudentie heeft plaatsgevonden. Zowel bij de zoektocht naar het wenselijke recht als de wenselijke invulling van het positieve recht spelen de in hoofdstuk 3 uiteengezette uitgangspunten bij de verdeling van heffingsbevoegdheden een belangrijke rol. Ook wordt gebruik gemaakt van de in hoofdstuk 6 besproken invulling van de woon- en vestigingsplaats in het civiele recht, het VW EU en de directe belastingen.
In de tijd waarin de besproken jurisprudentie tot stand is gekomen onder de wet- en regelgeving zoals die tot 1 januari 2010 gold, was het bij toepassing van de regels voor de plaats van dienst meestal van belang waar de dienstverrichter was gevestigd.1 De in de hoofdstukken 4 en 5 besproken jurisprudentie en wet- en regelgeving zoals die tot 1 januari 2010 gold moet dan ook worden benaderd met inachtneming daarvan. Daarnaast heb ik in paragraaf 3.2 geconstateerd dat door het recht op aftrek van voorbelasting de plaats waar transacties tussen ondernemers zijn belast minder relevant is dan de plaats waar transacties tussen ondernemers en consumenten zijn belast. Bij transacties tussen ondernemers en consumenten komt de btw bij de afnemer niet voor aftrek in aanmerking, waardoor deze daadwerkelijk toekomt aan het land dat over de desbetreffende prestatie btw mag heffen. Juist bij diensten aan consumenten is de hoofdregel voor de plaats van dienst gelijk gebleven en vindt heffing op grond van de hoofdregel plaats in het land waar de dienstverrichter is gevestigd. In hoofdstuk 7 zal daarom allereerst worden ingegaan op de vraag hoe de vestigingsplaats van de dienstverrichter moet worden bepaald. In hoofdstuk 8 komt de vestigingsplaats van de afnemer aan de orde.
Zoals zojuist aangegeven is de vestigingsplaats van de dienstverrichter sinds 1 januari 2010 alleen nog van belang voor de btw-heffing over diensten aan consumenten, de zogenaamde business-to-consumer- of b-2-c-diensten. In hoofdstuk 7 zal daarom de nadruk liggen op aan consumenten verrichte diensten. Diensten aan consumenten zijn op basis van art. 45 btw-richtlijn (tekst vanaf 2010) belast in het land waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd. Wordt de dienst echter verricht vanuit een vaste inrichting op een andere plaats dan waar de zetel van bedrijfsuitoefening is gevestigd dan vindt heffing plaats in het land waar de vaste inrichting zich bevindt. De belastingautoriteiten moeten op basis van deze twee keuzemogelijkheden bepalen welke plaats het meest nuttig is om de dienst te belasten.2 Na een nadere bespreking van de vestigingsplaatsvormen zetel van bedrijfsuitoefening en vaste inrichting in respectievelijk paragraaf 7.2 en 7.3 zal in paragraaf 7.4 worden ingegaan op de toerekening van heffingsbevoegdheid aan het land van de zetel van bedrijfsuitoefening of het land waar een vaste inrichting is gevestigd bij toepassing van art. 45 btw-richtlijn (tekst vanaf 2010). Ook bij toepassing van de verleggingsregeling is in verband met art. 192bis btw-richtlijn (tekst vanaf 2010) van belang aan welke vestiging een dienst kan worden toegerekend. In paragraaf 7.5 wordt daarom een uitstapje gemaakt naar de verleggingsregeling. Bij gebreke van een zetel van bedrijfsuitoefening of vaste inrichting wordt heffing toegewezen aan het land waar de woon- of gebruikelijke verblijfplaats van de dienstverrichter is. Deze twee vestigingsplaatsvormen zijn te beschouwen als een vangnet. Er moet naar worden gestreefd altijd een vestigingsplaats van de dienstverrichter aan te wijzen. Anders kunnen zich situaties van niet-heffing voordoen die ongewenst worden geacht. Aan de vestigingsplaatsvormen woonplaats en gebruikelijke verblijfplaats wordt in paragraaf 7.6 aandacht besteed. In paragraaf 7.7 wordt ingegaan op wenselijk recht, het van het positieve recht afwijkende recht.