Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/8.4.1
8.4.1 Dwang: niet als toepasselijkheidscriterium voor latente werking genoemd
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS493505:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 18 februari 2010 (Aleksandr Zaichenko t. Rusland). Van (juridische) sanctiedreiging wegens niet-medewerking was geen sprake.
Zie § 5.5.3 hiervoor. Daarin kwam ter sprake dat vrijwillig afgelegde verklaringen in Straatsburg geen nemo tenetur-bescherming hebben (maar dat dit niet betekent dat het gebruik ervan zonder meer toelaatbaar is).
Vgl. EHRM 19 september 2000 (I.J.L. e.a. t. Verenigd Koninkrijk), § 100.
In deze zin: Vakstudie Alg. Deel, aant. 7 bij Beginselen van fiscale informatievoorziening. Daarin wordt het Saunders-arrest zo uitgelegd, dat voor het aannemen van dwang een strafrechtelijk gesanctioneerde informatieplicht al voldoende is en het gebruik nadien van informatie die van de latere verdachte is verkregen, schending van de ‘fair trial’-principes van art. 6 EVRM betekent.
Uit de rechtspraak van het EHRM volgt niet expliciet dat de latente werkingssfeer van het niet-meewerkrecht (als bewijsverbod) alleen verklaringen omvat die voor het aanvangsmoment van de criminal charge onder uitoefening van dwang worden verkregen. In het Saunders-arrest verwijst het Hof weliswaar naar de sancties die naar Engels recht waren gesteld op het niet meewerken aan het onderzoek (boetes, gevangenisstraf), maar het legt niet uitdrukkelijk een verband met de notie van dwang.1 In Aleksandr Zaichenko wijst het erop dat de klager op het moment van verklaren in een nogal stressvolle situatie verkeerde en dat de gebeurtenissen elkaar snel opvolgden. Ook hier legt het geen uitdrukkelijk verband met de notie van dwang.2 En in Kansal en I.J.L. e.a. stelt het Hof enkel vast dat die zaken vergelijkbaar zijn met Saunders.
Dat dwang niet als toepasselijkheidscriterium voor de latente werking van het niet-meewerkrecht wordt ‘genoemd’, hoeft niet te betekenen dat dwang tot zelfbelasting geen vereiste is voor de latente werking van het niet-meewerkrecht is. Een alternatieve verklaring hiervoor is dat dwang vóór het aanvangsmoment van de criminal charge niet problematisch is. In de pre-‘charge’-fase gelden meewerkverplichtingen immers onverkort. Dat in voormelde zaken sprake is van dwang tot medewerking, volgt uit de niet-toelaatbaarheid van de door de klagers afgelegde verklaringen voor het punitief bewijs nadien.3
Latente werking: afgedwongen bewijs onbruikbaar (bewijsverbod)
Evenmin is duidelijk of van belang is of van het gebruik door de autoriteiten van de van de betrokkene verkregen verklaringen – mede gelet op de incriminerende inhoud of strekking ervan –, later dwang op hem moet uitgaan of althans zijn procespositie (nadelig) moet beïnvloeden. In § 73 van Saunders overweegt het Hof dat zowel de klager als de ECRM meent, dat de aanvankelijk tijdens de gesprekken met de DTI-inspectors afgelegde verklaringen (‘admissions’) (additionele) dwang op hem moeten hebben uitgeoefend om tijdens de strafzitting te getuigen in plaats van te zwijgen.4 De Engelse regering stelde zich echter op het standpunt dat klager zelf ervoor had gekozen om bewijs te leveren, vanwege het schadelijke effect van de belangrijkste getuige van de vervolgende autoriteiten. Het Hof volgt dit standpunt niet.
Of het wel het standpunt van Saunders respectievelijk de Commissie volgt, wordt niet duidelijk. Het overweegt dat, hoewel niet kan worden uitgesloten dat het ruime gebruik door de vervolgende autoriteiten van de eerder van hem afgedwongen verklaringen een van de redenen voor klager was om ter zitting te spreken, het niet nodig is om te speculeren over de redenen waarom hij ervoor koos om ter zitting bewijs te leveren. Deze overweging kan zo worden uitgelegd, dat het Hof voor de latente werking van het niet-meewerkrecht (enkel) van belang acht of bij de verkrijging van de verklaringen dwang op de verdachte is uitgeoefend. Dit zou aansluiten op de uitleg van het toepasselijkheidscriterium betreffende het zwijgrecht en het niet-meewerkrecht.
Omdat andere uitspraken dit laatste niet bevestigen, blijft de vraag of voor de latente werking van het niet-meewerkrecht volstaat dat de aanvankelijk afgedwongen verklaringen na het ‘charge’-moment (mogelijk) op belastende wijze tegen de betrokkene worden gebruikt.5 Ik beantwoord deze vraag bevestigend. Niet valt in te zien dat en waarom de latente werkingssfeer van het niet-meewerkrecht op dit punt zou nopen tot een andere invulling van de notie van dwang dan geldt voor de ‘charge’-fase.