Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/3.5.3.7
3.5.3.7 Aftrekbeperkingen
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS298371:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een cijfermatige uitwerking J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, FM nr. 119, Deventer: Kluwer 2007, p. 580 t/m 583 en p. 619 t/m 629.
Is deze conclusie gerechtvaardigd wanneer de rechtshandelingen die worden omschreven in art. 10a lid 1 onderdeel b en c, worden verricht door een verbonden natuurlijk persoon die in Nederland woont? Stort een natuurlijk persoon bijvoorbeeld kapitaal in een verbonden tax havenvennootschap die daarmee op haar beurt een lening verstrekt aan verbonden Nederlandse vennootschap, dan staat tegenover de lening geen corresponderende verhoging van de grondslag waarover het primair rendement wordt berekend. Een natuurlijk persoon heeft namelijk geen recht op de aftrek voor primair rendement. Naar het mij voorkomt, is in dit geval echter geen sprake van ongewenste winstdrainage omdat hetzelfde resultaat kan worden bereikt wanneer de natuurlijk persoon direct een kapitaalstorting doet in de verbonden Nederlandse vennootschap.
J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, FM nr. 119, Deventer: Kluwer 2007, p. 583.
Wordt een aftrek voor primair rendement ingevoerd, dan kunnen de jurisprudentie die een geldverstrekking onder bepaalde voorwaarden aanmerkt als een kapitaalverstrekking en art 10, lid 1, onderdeel d, worden gemist. In de invoering van deze aftrek is naar mijn mening echter geen reden gelegen om art. 10, lid 1, onderdeel j, aan te passen (zie paragraaf 3.5.2.6).
Art. 10a richt zich tegen winstdrainage via renteaftrek in concernverband. Wordt de aftrek voor primair rendement ingevoerd dan is, naar het mij voorkomt, geen sprake meer van ongewenste winstdrainage wanneer de lening van de verbonden vennootschap verband houdt met een winstuitdeling dan wel een teruggave van gestort kapitaal (zie paragraaf 3.5.2.6). Art. 10, lid 1, onderdeel a, kan daarom vervallen.
Kan wel sprake zijn van ongewenste winstdrainage wanneer de lening van een verbonden vennootschap verband houdt met de rechtshandelingen die zijn omschreven in art. 10a, lid 1, onderdeel b en c? Een kapitaalstorting door de belastingplichtige of door een met hem verbonden lichaam dat aan de Nederlandse vennootschapsbelasting is onderworpen in een met hem verbonden lichaam vermindert namelijk de grondslag waarover de aftrek voor primair rendement wordt verleend. Datzelfde geldt voor de verwerving of uitbreiding van een belang door deze personen, in een lichaam dat na deze verwerving of uitbreiding een met hen verbonden lichaam is.1 Art. 10a kan daarom worden afgeschaft.2
Kan art. 10b eveneens vervallen? De internationale mismatches waartegen deze bepaling zich richt, kunnen zich na de invoering van een aftrek voor een primair rendement nog steeds voordoen. Dergelijke mismatches zijn echter eveneens mogelijk ten aanzien van de aftrek van het primaire rendement zelf. Wordt het primaire rendement niet uitgekeerd, dan vindt daarover immers geen corresponderende belastingheffing plaats bij de aandeelhouder. Het is bovendien denkbaar dat een dividend dat afkomstig is uit aftrekbaar primair rendement, bij een buitenlandse moedervennootschap is vrijgesteld op grond van een deelnemingvrijstelling. Wanneer internationale mismatches voor lief worden genomen ten aanzien van de aftrek van het primaire rendement zelf, is er naar mijn mening geen reden meer om ze te bestrijden in het geval van een langlopende lening met een onzakelijke rente. Art. 10b kan daarom naar mijn mening worden geschrapt.
Ook art. 10d is mijns inziens overbodig. Wanneer een aftrek van primair rendement wordt verleend wanneer een vennootschap voldoende is gekapitaliseerd, is er immers geen reden meer de aftrek van de rente te weigeren in het geval van onderkapitalisatie. In de woorden van Van Strien: ‘Door ook een aftrek over eigen vermogen toe te staan, is het fiscaal bezien immers niet aantrekkelijker om met vreemd vermogen te financieren in plaats van met eigen vermogen.’3
In tegenstelling tot de aftrek van een primair dividend leidt de aftrek van een primair rendement dus wel tot een grote vereenvoudiging van de beperkingen van de aftrek van de rente.
De jurisprudentie op grond waarvan een lening onder voorwaarden als een kapitaalverstrekking kan worden aangemerkt, art. 10, lid 1, onderdeel d, art. 10a, art. 10b en art. 10d worden immers overbodig.